Het geheugen van de vakbeweging

‘Lang leve de vakbond’

Herinneringen van Wim Engels

‘Lang leve de vakbond’ is een bundel persoonlijke verhalen van Wim Engels over een leven met de vakbeweging. Engels trad op 1 mei 1975 in dienst bij de Vervoersfederatie NVV/NKV als beleidsmedewerker personeelszaken. Hij eindigde 37 jaar later zijn loopbaan als arbeidsvoorwaardencoördinator bij De Unie. Een groot aantal jaren was hij bij beide vakbonden bezoldigd bestuurder.

Wim Engels, jarenlang vakbondsbestuurder in de vervoerssectorWim Engels, jarenlang vakbondsbestuurder in de vervoerssector

Ik had Engels op 11 juni 2012, op een historische bank in De Burcht te Amsterdam, beloofd zijn manuscript te lezen om het te toetsen aan de vakbondshistorie van de Unie BLHP en voorgangers. Op 12 juni zond ik hem een e-mail met vier bijlagen over die historie. Ik weet niet of hij die nog heeft kunnen lezen, omdat hij drie dagen na onze afspraak is overleden.
Engels combineert in zijn bundel – als kritisch vakbondsbestuurder – in een gedurfde beschrijving, persoonlijke belevenissen en ervaringen met zijn inzicht en kennis van de vakbondshistorie van de Vervoersbond FNV en De Unie. Hij neemt de lezer mee in een veelal onbekende wereld van mannen, die een vakbond soms gebruiken om eigen ambities en posities te verwezenlijken. In zijn katholieke vakbondservaring ‘van huis uit’ en bij de vakbonden van zijn opa en vader kwam die rauwe realiteit niet voor.
Zijn opa was actief lid van de katholieke bond van werkmeesters en zijn vader was kaderlid van de katholieke metaalbewerkersbond St. Eloy. In 1951 werd zijn vader bezoldigd plaatselijk bestuurder/secretaris van St. Eloy. Hij werd dus letterlijk ‘vrijgesteld’ van zijn werk als metaalbewerker om voltijds te kunnen werken voor de vakbond. Hiervoor werd de grootste kamer van hun huis als ‘kantoor aan huis’ ingericht. Dat was uiteraard ingrijpend voor het gezin Engels maar interessant voor de jonge Wim.
Engels verhuisde naar Eindhoven toen zijn vader werd overgeplaatst. Hij volgde de MULO en de HBS en koos voor de opleiding personeelswerk aan een sociale academie Eindhoven. Hij liep stage bij een industriële onderneming en bij de vakbond St. Eloy. Zijn afstudeerscriptie ging over bedrijvenwerk, als vakbondsactiviteit door middel van bedrijfsledengroepen.
Zijn eerste baan vond hij bij de Haagse Tramweg Maatschappij (HTM). Hij werd bewust lid van de Vervoersbond NVV en trad op 1 mei 1975 in dienst bij de Vervoersfederatie NVV/NKV als beleidsmedewerker personeelszaken. Zijn primaire taak was een gemeenschappelijk personeelsbeleid ontwikkelen.
Hij werd in de vervoersfederatie geconfronteerd met een machtsstrijd, een richtingenstrijd tussen NKV- en NVV-bonden en conflictsituaties tussen bestuurders en medewerkers. Binnen de federatieve samenwerking trof hij de twee ‘oude’ stromingen: rooms-katholiek en sociaaldemocratie. En bij de laatstgenoemde trof hij ook nog een links radicale richting in verschillende gedaanten.                                                                                                         

De historie van de vijf bedrijfsgroepen bij de beide vervoersbonden vertoonde aanzienlijke verschillen. Engels kreeg te maken met de arrogantie van de vakbondsmacht en van de mannetjesmakers. Bij enkele van die bedrijfsgroepen waren vanouds ook werknemers aangesloten die behoorden tot de ‘nieuwe (werknemende) middenstand’. De culturen waren zeker niet vergelijkbaar. De bezoldigde bestuurders en gesalarieerde medewerkers hadden die verschillende culturen als achtergrond. Daar moest Engels een personeelsbeleid voor op poten zetten en dit zoog hem tegelijkertijd mee in de warrigheid van een federatiebeleid en verschillen van opvatting. Het waren feitelijk onoverbrugbare levensbeschouwelijke verschillen en maatschappijopvattingen.
Zijn overstap naar De Unie bracht hem in aanraking met een compleet andere vakbond. De cultuur, het beleid en de historie van de beambten- en bediendenbonden van het Rooms Katholieke Werkliedenverbond (RKWV), hadden tot WOII in de interne discussie over bedrijfstakgewijze organisatie geen uittreden overwogen. Dat veranderde na 1945. Door fel verzet, steun van de standsorganisaties en de ingreep van de katholieke bisschoppen werden ze niet opgeheven of geroyeerd. Dat lot ging aan deze bonden voorbij.
In samenwerkingsverbanden en federaties werden ‘tussenstappen’ gezet. Door een fusie kwam binnen de vakcentrale de Unie van Beambten, Leidingevend en Hoger Personeel (BLHP) tot stand. De ‘Discussienota relatie Unie BLHP en NKV’ werd in ledenvergaderingen van kringen en bedrijfsgroepen besproken. Er werd voor de brede en diepgaande discussie nog een afzonderlijke inleiding geschreven die uitvoerig werd besproken in het Algemeen Bestuur. Er was meer aan de orde dan een ‘horizontaal gelaagde organisatie’ uit de Unie-jubileumuitgave van 1997 waaruit Engels citeert.
Geert Wagenaer,
januari 2013
Lang leve de vakbond’ verscheen in november 2012 en is een uitgave in eigen beheer, gedrukt door Grafische Services Utrecht. De opmaak is van Astrid Lecomte-Bouwman. De bundel begint met een voorwoord van Gerry Engels, waarin een verantwoording van de uitgave wordt gegeven. Daarna volgt een inleiding door Wim Engels. De boek kent 5 hoofdstukken, verdeeld over 51 pagina’s: Opgroeien met de vakbeweging; Oriëntatie; FNV; Overstap naar De Unie en Wat nu?. Het omslagartikel is van Lenie Beukema, waarin zij onder meer Engels citeert over Engels’ opvatting over emancipatie.

Prijs: € 10, te bestellen bij: gerry.engels@planet.nl