Het geheugen van de vakbeweging

Kwart eeuw vakcentrale voor middelbaar en hoger personeel

Voorgeschiedenis in het kort

Op 10 april 1999 bestond de Vakcentrale voor Middelbaar en Hoger Personeel een kwart eeuw. ’25 jaar MHP’ betekent in de ruim anderhalve eeuw geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging niet zo veel, maar deze centrale heeft naast de eigen korte bewogen historie een langere voorgeschiedenis die in deze beknopte beschrijving uiteen wordt gezet.

Beeldmerk De UnieBeeldmerk De Unie

Reeds in de beginperiode van de arbeidersbeweging in ons land was er verschil van mening of het middelbaar en hoger personeel, toen veelal nog aangeduid als hoofdarbeiders (ook wel bedienden en beambten genoemd), tot de arbeidersklasse kon worden gerekend. Het Nederlands Werklieden Verbond (NWV 1871) vond van wel. Het NWV streefde naar solidariteit tussen ongeschoolden, ambachtslieden en hoofdarbeiders. Het Algemeen Nederlands Werklieden Verbond (ANWV 1871) vond daarentegen dat de hoofdarbeiders eigenlijk tot de stand der patroons gerekend moesten worden. Bij de voorlopers van de confessionele vakbeweging troffen we later werkliedenverenigingen aan die ook kleine zelfstandigen als leden accepteerden. In katholieke kring bestonden tot in de jaren zestig zelfs nog afzonderlijke standsorganisaties voor de arbeiders, de werknemende middenstand en de hogere (intellectuele) beroepen. In de bedrijfsbonden van het CNV en het NVV waren de werknemers van hoog tot laag georganiseerd. Veel verenigingen van hoofdarbeiders waren niet bij een vakcentrale aangesloten. We moeten vaststellen dat de meningen over de positie van de georganiseerde hoofdarbeiders binnen de Nederlandse vakbeweging en de erkende vakcentrales verdeeld waren.
In 1945 werd door de Raad van Vakcentralen besloten tot een ingrijpende reorganisatie van de vakbonden door de invoering van de zogenaamde bedrijfstaksgewijze organisatie. Hiervoor moesten de beroepsorganisaties voor arbeiders, beambten en bedienden worden omgevormd tot bedrijfsbonden. Een aantal vakorganisaties moest worden opgeheven. De organisaties van handels-, kantoor- en winkelbedienden konden, na het afstaan van een aanzienlijk aantal leden, blijven voortbestaan als bedrijfsbonden. Voor de organisaties van handelsreizigers, technici, chemici, opzichters, werkmeesters en andere leidinggevenden was bij de verwezenlijking van de bedrijfstaksgewijze organisatie geen plaats meer bij het CNV, de KAB en het NVV. De betrokken hoofdarbeidersbonden hebben zich hiertegen flink verzet. De diep insnijdende hertstructurering van vakbonden koste meer tijd dan de plannenmakers in het ‘Blauwzwarte boekje’ hadden voorzien. Wat bij het CNV (met een tussenstap) en het NVV lukte kon niet gerealiseerd worden binnen de KAB. Daar bleven, door de medewerking van de katholieke bisschoppen en de steun van de betrokken standsorganisaties, de bedienden- en beambtenbonden overeind. De bedrijfstaksgewijze organisatie werd jarenlang uitgesteld en de beambten- en bediendenbonden bleven bestaan. In 1964 werd de katholieke centrale van stands- en vakorganisaties omgevormd tot het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV). De standsorganisaties werden opgeheven. Een samengaan van de beambten- en bediendenbonden werd gestimuleerd.
Na vele onderlinge beraadslagingen kwam, met de nodige tussenstappen van federatieve samenwerking en een fusie, op 15 april 1972 de Unie van Beambten, Leidinggevend en Hoger Personeel tot stand. De Vereniging van werknemers in het Bank- en Verzekeringsbedrijf en Administratieve kantoren (BVA) sloot zich niet bij deze beambtenconcentratie aan.
In het bijzonder voor het afzonderlijk georganiseerde hoger personeel vormde 1950 een cruciaal jaar. Toen kwamen de wetten op de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie (PBO) en de ondernemingsraden (WOR) tot stand. Van het overleg op bedrijfstakniveau werden de (voornamelijk categorale) verenigingen van middelbaar en hoger personeel uitgesloten. Bij de kandidaatstelling voor ondernemingsraden werd hen niet de bevoorrechte positie, die de erkende vakbonden hadden gekregen, toegekend. In verschillende ondernemingen organiseerde het hoger personeel zich. Door middel van die afzonderlijke verenigingen konden zij veelal, vaak op basis van een ‘vrije lijst’, een zetel verwerven in de ondernemingsraden. De HP-verenigingen fungeerden in de ondernemingen eigenlijk als kiesverenigingen.

Jaren zeventig van grote betekenis

De jaren zeventig zijn in het bijzonder voor de vakbonden en verenigingen van middelbaar en hoger personeel van grote betekenis. Nadat in 1966 door drie landelijke organisaties en twaalf ondernemingsverenigingen van hoger personeel de Nederlandse Centrale van Hoger Personeel (NCHP) was opgericht, werden de eerste pogingen ondernomen om te participeren in het centraal overleg van werkgevers, werknemers en overheid.
In 1972 kwam in de Stichting van de Arbeid een Centraal Akkoord tot stand. Dit akkoord werd gekenmerkt door een grote nivellering van de inkomens. Door die overeenkomst tussen de centrale werkgeversorganisaties en de erkende vakcentrales werd de collectieve verbetering van arbeidsvoorwaarden aan banden gelegd. De verhoging van lonen en salarissen werd beperkt. De hogere salarissen werden minder verhoogd dan de lagere lonen en salarissen. Deze afspraken golden niet alleen voor CAO-personeel maar waren van toepassing op alle werknemers.De niet bij een van de drie betrokken vakcentrales aangesloten organisaties stonden bij dit Centraal Akkoord buiten spel. Maar ook binnen de vakcentrales werd het Akkoord niet door alle vakbonden onderschreven. Prominente voorbeelden hiervan waren het tegenstemmen van de Industriebond NVV, die het resultaat eerst aan de leden wilde voorleggen, en het afwijzen van het Akkoord door de Unie BLHP binnen het NKV, omdat dit voor veel Unie-leden nadelige gevolgen zou hebben.
De NCHP hield op 20 februari 1973 acht druk bezochte protestvergaderingen. Deze actie sloeg aan. Nieuwe HP-verenigingen werden opgericht en de ledengroei was aanzienlijk. In maart mislukte een nieuwe poging van de NCHP om lid te worden van de SER. Eind 1973 werd door de NCHP en de Centrale van Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs (CHA) de Centrale Federatie van Hogere Functionarissen (CFHF) opgericht om gezamenlijk beleid te coördineren, een vacaturebank te verwezenlijken en een sociaal-economisch magazine (SEM) uit te geven.
Een aantal organisaties van middelbaar en hoger personeel was met de CFHF betrokken bij een afzonderlijk overleg met Drs. Jaap Boersma, de toenmalige Minister van Sociale Zaken, de zogenoemde ‘Kleine Stichting’. Het vooroverleg van deze organisaties gaf de aanzet tot een verdergaande samenwerking.

Raad MHP opgericht

Op 10 april 1974 werd door de CFHF, de Nederlandse Bond van Middelbaar en Hoger Personeel (NBT voorheen technici en chemici), de Nederlandsche Handelsreizigers- en Handelsagenten Vereeniging (NHRV), de Vakorganisatie ‘De Buitendienst’ de Raad van Overleg voor Middelbaar en Hoger Personeel (Raad MHP) opgericht voor het afstemmen van standpunten en het uitvoeren van studies.Kort na de oprichting sloten ook de Vereniging van Werknemers in het Bank- en Verzekeringsbedrijf en Administratieve kantoren (BVA), de Nederlandse Christelijke Handelsreizigersvereniging (NCHRV) en de Unie BLHP zich aan bij de Raad MHP. Voor de BVA en de Unie was die aansluiting nog informeel. Na het verlaten van het NKV sloten zij zich officieel aan. Voor de erkenning als representatieve centrale organisatie was deze bundeling van groot belang.
De eisen van de Industriebonden: uitbreiding van de werkingssfeer van CAO’s, een beloning in centen in plaats van in procenten en maximering van de prijscompensatie werden, na een wekenlange stakingsperiode, door middel van het zogenaamde ‘Haagse Akkoord’ bijgesteld. In dat Akkoord werd overeengekomen dat:

  1. de procentuele prijscompensatie volledig werd berekend over een loon/salaris tot f28.000,00;
  2. over het bedrag van f28.000,00 tot f34.000,00 voor de helft en boven f34.000,00 voor een kwart werd toegekend;
  3. de loon- en salarisverhoging werd deels in procenten (1,5 %) en deels in centen (f125,00) gegeven; de uitbreiding van de werkingssfeer van CAO’s is een zaak voor het bedrijftak- en ondernemingsoverleg.

De NCHP-verenigingen waren toen nog niet betrokken bij het CAO-overleg. Maar door een uitspraak van de rechter werden ze toegelaten tot de onderhandelingstafels. De BVA en Unie BLHP (en hun voorgangers) waren dat veelal vanaf de eerste collectieve overeenkomsten. De Unie was ook betrokken geweest bij de integratie van arbeidsvoorwaarden voor beambten en handarbeiders in de industrie en nijverheid. Voor beide NKV-bonden was de nivellering een stap te ver omdat het de beloningsstructuren, vrij recent gebaseerd op functiewaardering, zou ondergraven. Het zette de verhouding tussen beide bonden en het NKV op scherp.
Door het streven naar een zware federatie tussen NKV en NVV (later door een fusie overgegaan in FNV), na het terugtreden van het CNV bij de federatiebesprekingen, waren BVA en Unie BLHP er van overtuigd dat voor beambtenorganisaties geen plaats was in de zware federatie.
Sinds 1976 was de MHP in de SER vertegenwoordigd en vanaf 1978 ook in de Stichting van de Arbeid. De erkenning groeide en de Raad van Overleg werd in oktober 1980 Vakcentrale MHP. Binnen de MHP vonden een aantal fusies en opheffingen plaats. De NCHP werd Vereniging voor middelbaar en hoger personeel (VHP), de CHA werd Centrale voor Middelbare en Hogere functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen (CMHF) en de Unie BLHP werd De Unie Vakbond voor Industrie en Dienstverlening.Vanaf 1997 kunnen (beroeps)verenigingen direct lid worden van de MHP. De Beroepsvereniging voor Banken en Verzekeringen maakte hiervan gebruik. De Unie vormde eind 1998 met de FSV, NU 91 en VOV de Unie van Onafhankelijke Vakverenigingen (UOV). De UOV is aangesloten bij de MHP.In het jubileumjaar 1999 wordt gewerkt aan een samengaan van de UOV met de VHP.

Van verschillende komaf

De acht (vak)verenigingen die bij de oprichting van de Raad MHP betrokken waren hadden, we zagen het hiervoor reeds, een verschillende komaf. De oudste was ongetwijfeld de NHRV, die in 1874 werd opgericht. De meeste verenigingen hadden hun decenialange geschiedenis, waren aangesloten (geweest) bij CNV, NKV of NVV.
De jonge NCHP en de oudere CHA vormden op 16 december 1973 een ‘lichte federatie’, de CFHF, om informatie uit te wisselen, gemeenschappelijke standpunten te formuleren, gezamenlijke studies te verrichten, een vacaturebank op te zetten en een tijdschrift uit te geven. De NCHP en CFHF werden niet erkend als representatieve organisaties voor het hoger personeel. Immers, ook bij (bedrijfs)bonden van de drie erkende vakcentrales: CNV, KAB/NKV en NVV, was een grote groep hoger kader aangesloten. De Raad MHP betekende voor de NCHP een voortzetting van haar streven naar erkenning. Maar exclusieve erkenning zat er niet in. Wel werd de MHP als representatieve centrale organisatie voor het middelbaar en hoger personeel toegelaten in verschillende overleggremia. Op 20 februari 1976 is de Raad MHP representatief voor de SER/PBO. Het CNV is niet tegen, NKV en NVV zijn er niet gelukkig meer maar maken geen bezwaar. Voor de zittingsperiode 01-04-1976/01-04-1978 kreeg de MHP een zetel in de SER ten koste van het CNV.In de Stichting van de Arbeid verliep het verkrijgen van een lidmaatschap aanzienlijk stroever. De politici Boersma, Nypels en Terlouw hebben een belangrijke rol gespeeld bij de Nationale erkenning van de MHP.
De NBT was na WOII aangesloten bij het NVV maar wilde zich in het kader van de bedrijfstaksgewijze organisatie niet opheffen en de leden overschrijven naar de nieuw gevormde bedrijfsbonden voor industrie en nijverheid. De NBT werd in 1950 door het NVV geroyeerd maar bleef partij bij verschillende CAO’s en bleef samenwerken met andere beambtenbonden. Gedurende enkele jaren vormde de NBT en associatie met de Unie BLHP.
De BVA en de Unie BLHP waren aangesloten bij het NKV. Hun voorgangers waren aangesloten bij het Rooms Katholiek Werklieden Verbond (RKWV) en de naoorlogse opvolger, de Katholieke Arbeiders Beweging (KAB). Als gevolg van de radicalisering van het NKV, de nivelleringseisen met betrekking tot de lonen en salarissen en de ‘zware federatie’ tussen NKV en NVV, waarin geen plaats zou zijn voor beambtenbonden, traden beide organisaties per 1 januari 1975 uit de katholieke vakcentrale. De BVA en de Unie BLHP waren vanouds partij bij verschillende CAO’s en dat bleef zo. De NRHV en NCHRV werkten incidenteel maar regelmatig met de Unie BLHP samen bij de belangenbehartiging van vertegenwoordigers. De BVA en De Buitendienst hadden contacten en spraken over een verdergaande samenwerking in het commercieel verzekeringsbedrijf.
De Unie BLHP sloot een samenwerkingsovereenkomst met de Vereniging Hoger Personeel Bankbedrijf (VHPB). De basis hiervoor was een Proeve voor Sociaal Beleid van de BVA, die voor het bankwezen werd aangepast. Na de fusie van de VHPB met de Vereniging Hoger Personeel Verzekeringsbedrijf werd ook in die bedrijfstak samengewerkt. Na de fusies en opheffingen van een aantal MHP-organisaties bleven na enige naamswijzigingen de CMHF, de Unie BLHP en de VHP over. In 1983 telden deze organisaties respectievelijk 29.900, 46.800 en 33.400 leden.
Geert Wagenaer