Het geheugen van de vakbeweging

Mechanisch steenzetten maakt het werk lichter

Onder Dak! – FNV Bouw 1982-2015

KOPPEL BETERE ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN AAN MEER ZEGGENSCHAP VAN WERKNEMERS

LESSEN UIT VEERTIG JAAR WERKEN AAN KWALITEIT VAN DE ARBEID

Het bondscongres van 1979 had als motto: ‘Samen sterk voor beter werk’. Dat congres kan als het startpunt van het moderne arbeidsomstandighedenbeleid in de bouw worden gezien. Kort na het congres houdt de bond een groot onderzoek onder tweeduizend leden, dat bekend is geworden onder de naam ‘Broodje beton’. Het onderzoek toonde aan welke enorme veiligheids- en gezondheidsrisico’s bouwvakkers lopen. Ze hebben zwaar werk, staan bloot aan gevaarlijke stoffen, werken in onveilige omstandigheden en hebben een grote kans op arbeidsongeschiktheid.

Het beleid van de bond richtte zich aanvankelijk op betere voorzieningen, verlichting van fysiek zware arbeid en tegengaan van gevaarlijke stoffen. Gaandeweg verbreedde het beleid zich van arbeidsomstandigheden naar kwaliteit van de arbeid, waarmee de aandacht werd gevestigd op onderwerpen als technologie, welzijn tijdens het werk en vakmanschap. Bovendien werd kwaliteit van de arbeid uitdrukkelijk gekoppeld aan vergroting van de zeggenschap van werknemers over hun eigen werkomstandigheden (meer en betere medezeggenschap, invloed vakbond op werkvloer en vergroting van de deskundigheid van werknemers). Dit beleid heeft in de daarop volgende dertig jaar tot een indrukwekkend en breed scala aan activiteiten geleid. Maar de effecten ervan zijn beperkt. Dit artikel beperkt zich tot een paar onderdelen van dit beleid en beschrijft wat we ervan kunnen leren voor de toekomst.

CAMPAGNES

Vanaf midden jaren tachtig ontwikkelde de bond het campagnemodel als middel om invloed uit te oefenen op de arbeidsomstandigheden. De campagnes in die tijd rondom kleed- en schaftvoorzieningen, zware zakken cement en asbestverwerking bestond en uit een mix van informatievoorziening, bouwplaatsbezoek, publiciteit, inzet van kaderleden en ondersteuning door wetenschappers. In latere jaren is het campagnemodel ook toegepast in nevensectoren van de bouw op thema’s als oplosmiddelen en houtstof, lawaai en werkdruk. De kracht van het campagnemodel was dat de bond niet alleen problemen agendeerde, maar ook praktisch hanteerbare alternatieven presenteerde (lichtere verpakkingen, betere schaftketen, alternatieve isolatiematerialen, watergedragen verf, arbeidsvriendelijke hulpmiddelen) en (kader-)leden in bedrijven ondersteunde. Via de campagnes zijn samen met (kader-)leden veel successen behaald: een asbestverbod (1989: cao-bepaling; 1993: wetgeving), minder gesjouw met zware verpakkingen, meer inzet van tilhulpmiddelen, vervangingsplicht oplosmiddelen (2000). De campagnes droegen ook bij aan het zelfvertrouwen van werknemers dat men invloed kon hebben op de arbeidsomstandigheden.

Bij het succes van de campagnes past wel een aantal kanttekeningen. Het campagnemodel is vooral succesvol bij arborisico’s die relatief eenvoudig kunnen worden opgelost. En campagnes in de bouw (met betrekkelijk vrij toegankelijke bouwplaatsen) hebben eerder kans op succes dan campagnes in (meer ‘gesloten’) kantoren en bedrijven. Als de oplossing voor het arborisico in de bedrijfstak zelf ligt is de kans op succes bovendien groter dan wanneer externe regulering noodzakelijk is. Kijk bijvoorbeeld eens naar de campagne rond verven en oplosmiddelen. Het duurde tien jaar (1991-2000) voordat succes kon worden geboekt. Het lukte aanvankelijk niet om via de campagne (‘watergedragen, breed gedragen’) tot een oplosmiddelverbod te komen in de schilders-cao. Dit bracht de leden van de bond ertoe om op het congres van 1993 een motie aan te nemen Mechanisch steenzetten maakt het werk lichter waarin werd aangedrongen op een wettelijk verbod op de productie en het gebruik van oplosmiddelen. Dat verbod (de vervangingsplicht) werd uiteindelijk in 2000 ingevoerd.

CAO-POLITIEK

Wim Eshuis

De Bouw- en Houtbond FNV was de eerste bond die de cao gebruikte om verbeteringen in de arbeidsomstandigheden te realiseren. Sinds de jaren tachtig is zo een groot aantal cao-bepalingen tot stand gekomen. Twee typen kunnen worden onderscheiden: inhoudelijke cao-bepalingen en procesafspraken. Toezicht op de naleving van duidelijk zichtbare inhoudelijke cao-bepalingen (zoals zware verpakkingen) is eenvoudiger (bijvoorbeeld door kaderleden van de zogenaamde busploegen) dan de naleving van proces-matige afspraken. Die procesafspraken veronderstellen namelijk dat vakbondsleden op bedrijfsniveau invloed hebben op het verzilveren van de cao-bepalingen. Die caopolitiek heeft echter geen voorwaarden geschapen voor meer zeggenschap van werknemers over hun eigen werkomstandigheden. Dit maakte dat deze cao-politiek maar beperkt succes had.

ARBO-INFRASTRUCTUUR

In het verlengde van de cao-politiek werkte de bond aan de opbouw van een arbo-infrastructuur. Hiertoe behoorde de oprichting van de Stichting Arbouw, eind jaren tachtig, als opvolger van Bureau Veilig en BG Bouw (bedrijfsgezondheidszorg). Arbouw was het eerste arbo-instituut zoals bedoeld in de concept-Arbowet van 1980. De stichting was naast kennisinstituut (onderzoek, advies en informatie aan de bedrijfstak) ook verantwoordelijk voor bedrijfsgezondheidszorg in de bedrijfstak. De grootste prestatie van Arbouw is de coördinatie en kwaliteitsborging van de bedrijfsgezondheidszorg. Dat heeft ervoor gezorgd dat werknemers in een uiterst flexibele en mobiele bedrijfstak al ruim dertig jaar kwalitatief goed medisch onderzoek kunnen krijgen. Het gebruik van de bedrijfsgezondheidszorg kan trouwens wel beter: in 2014 maakten ruim 23 duizend van de 127 duizend werknemers gebruik van de voorziening.

Arbouw heeft ontegenzeggelijk bijgedragen aan vergroting van kennis over arbeidsomstandigheden in de bouw. De hoeveelheid onderzoeken, adviezen en normen die Arbouw heeft geproduceerd is imponerend. Toch is Arbouw niet het instrument geweest om ervoor te zorgen dat werknemers zelf ook daadwerkelijk betere arbeidsomstandigheden realiseren. Dat was aanvankelijk wel de bedoeling van de Bouw- en Houtbond FNV, maar werkgevers zijn daar altijd tegenstander van geweest. Zij wisten er zelfs in de jaren negentig voor te zorgen dat de functie van de Arbouw-adviseur verdween. Op dat moment had FNV Bouw afstand moeten en kunnen nemen van Arbouw en zelf een eigen netwerk van kaderleden moeten opbouwen om meer invloed uit te oefenen op de arbeidsomstandigheden in bedrijven en op bouwplaatsen.

ARBOCONVENANTEN

Onder druk van de campagnes voelden bouwwerkgevers en overheid zich gedwongen aan de wensen van de bond tegemoet te komen. Dit resulteerde in het Convenant Arbeidsomstandigheden Bouwnijverheid (1989), het allereerste arboconvenant van Nederland. Het convenant had een looptijd van vijf jaar en bevatte verschillende inspanningsverplichtingen: voorbeeldprojecten, voorlichting (‘Een bouwvakker is niet van steen’), onderzoek naar gevaarlijke en ongezonde materialen. Daarnaast maakte men afspraken over de rol van de opdrachtgever bij de arbozorg in de bouw. Ook kwam men overeen de naleving van bepalingen in wet en cao te verbeteren. De conclusie uit het evaluatierapport over dit convenant, dat ‘de effecten zeer bescheiden zijn geweest’, lijkt – ondanks alle beleidsinspanningen – niettemin terecht. Het convenant kende wel een aantal positieve resultaten: door de nadruk op naleving kregen de busploegen van de bond iets meer status in de bedrijfstak en de opvatting van opdrachtgevers over hun rol in de arbozorg verbeterde, waardoor ze een relatief positieve houding hadden ten opzichte van het latere (wettelijke) Arbobesluit bouwplaatsen. Het belangrijkste nadeel was echter dat het convenant de slagkracht van de bond sterk verminderde. Kaderleden, medewerkers en bestuurders van de bond zaten aan de vele overlegtafels die het convenant rijk was. Ze bouwden macht op aan de overlegtafel en niet op de bouwplaats of in de onderneming. Dit convenant leidde dus eerder tot verkleining dan vergroting van de zeggenschap van werknemers. Ondanks dit negatieve effect besloot de bond, samen met andere FNV-bonden, om in 2004 toch weer deel te nemen aan arboconvenanten ‘nieuwe stijl’. Die moesten de fysieke belasting, de werkdruk en de blootstelling aan gevaarlijke stoffen met 10 procent verminderen. In 2007 kwam men in een evaluatie tot de conclusie dat deze doelstelling niet was gehaald, wat in het licht van de resultaten van het convenant uit 1989 geen verrassing mocht heten.

ARBOCATALOGI

Vanaf midden jaren negentig zette het kabinet in op deregulering van de arbeidsomstandighedenzorg. Ondanks verzet van de FNV werden wettelijke normen globaler geformuleerd in doelvoorschriften, werd de Arbeidsinspectie ingekrompen en werden verantwoordelijkheden voor arbozorg steeds meer neergelegd bij werkgevers en verzekeraars.  Als compensatie voor deze beleidswijziging introduceerde de overheid vlak na de eeuwwisseling de arbocatalogus. Daarin staan de door werkgevers en werknemers gemaakte afspraken over de sectorale invulling van door de overheid gestelde doelvoorschriften. Het is een handleiding voor arbozorg in de sector. Een door de Arbeidsinspectie positief getoetste catalogus vormt het uitgangspunt voor het toezicht en de handhaving in de bedrijven. In totaal zijn er 157 goedgekeurde arbocatalogi, waarvan tien voor de bouwnijverheid. De FNV heeft veel tijd en energie besteed aan de totstandkoming van deze catalogi. Deze catalogi worden echter maar relatief weinig gebruikt en zijn weinig bekend. Ze zijn onbekend in bijna 80 procent van de ondernemingen met minder dan tien werknemers, in 43 procent van de ondernemingen met tien tot 49  werknemers en in 23 procent van de ondernemingen met meer dan 250 werknemers.

SLOTBESCHOUWING

Eind jaren zeventig wilde de bond verbetering van de kwaliteit van de arbeid koppelen aan vergroting van zeggenschap van werknemers. Vanaf eind jaren tachtig koos hij ervoor om te proberen via ‘arbopolderen’ (cao-afspraken, convenanten, arbocatalogi en bedrijfstakinstituties) verbeteringen te realiseren. De bond heeft geen werk gemaakt van vergroting van zeggenschap van werknemers over hun eigen werkomstandigheden. De bond bleek keer op keer meer een ‘bedrijfstakbond’ te zijn dan een ‘bedrijvenbond’. Dit ‘arbopolderen’ heeft een beperkt aantal resultaten opgeleverd, zoals behoorlijke bedrijfsgezondheidszorg, verboden op asbest en oplosmiddelen en minder zware verpakkingen. Overigens moet daarbij worden aangetekend dat deze resultaten pas echt effect bleken te hebben toen ze werden omgezet in wet- en regelgeving. Dat we de resultaten van veertig jaar arbobeleid niet mogen overdrijven blijkt ook uit de huidige cijfers. Naar verhouding vinden de meeste ernstige ongevallen plaats in de sector bouw: 23 procent van de ernstige ongevallen gebeurt in de traditionele onderdelen van de bouw, terwijl slechts 5 procent van betaalde banen in deze sector te vinden is. Het risico op een ernstig ongeval in de bouw is 4,6 keer hoger dan het gemiddelde in alle sectoren.

Ook de gezondheid van de bouwwerknemer staat nog steeds onder druk. In de bouw worden jaarlijks rond vierduizend beroepsziekten gemeld, met name lawaaidoofheid en houdings- en bewegingsklachten. Die beroepsziekten zijn te verklaren uit het feit dat 61 procent van de werknemers lichamelijk inspannend werk heeft en 36 procent lawaaioverlast ervaart. En bijna 50 procent van de werknemers ondergaat psychosociale arbeidsbelasting, een belangrijke voorbode van werkstress. Verbetering van de arbeidsomstandigheden in de bouw is dus nog steeds van groot belang. De FNV kan daarin een belangrijke rol vervullen. Niet door te gaan ‘arbopolderen’, maar door afspraken over verbetering van arbeidsomstandigheden te koppelen aan zeggenschap van werknemers. Dit vergroot de kans op betere arbeidsomstandigheden, en op een sterkere positie van werknemers in het bedrijf.

 

Wim Eshuis (Borne, 1955) heeft Andragologie gestudeerd aan de Rijksuniversiteit Groningen. Van 1990 tot 1999 werkte hij bij de Bouw- en Houtbond FNV als beleidsmedewerker Arbeidsomstandigheden en Milieu. Vanaf 1999 was hij namens de Bouw- en Houtbond FNV nauw betrokken bij de oprichting van Bureau Beroepsziekten van de FNV waar hij in 2004 directeur van werd. Sinds 2006 doet Eshuis onderzoek naar de situatie van slachtoffers van arbeidsongevallen en beroepsziekten. In 2013 promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam met het proefschrift ‘Werknemerscompensatie in de steigers’. Sinds 2013 is hij verbonden aan het Wetenschappelijk Bureau voor de vakbeweging, De Burcht. Hij is bestuurslid van de Stichting OPS en van het Instituut voor Asbestslachtoffers.