Het geheugen van de vakbeweging

Kitty Jong: ‘Zowel werkgevers als overheid betoonden zich in het verleden onwelwillend en soms zelf onbetrouwbaar, waardoor animo nu voor een veelomvattend centraal akkoord te verwaarlozen is.’

Kitty Jong – Heden en verleden van ons centrale overleg

Laten we er geen doekjes om winden. Voorlopig willen we nog best praten met werkgevers. Ze zijn nog niet verdwenen en dus een realiteit. We willen ook best praten met de overheid. Die is ook een realiteit. Wat we niet willen is een soort van schijnzeggenschap waaraan verantwoordelijkheid is gekoppeld. De vakbeweging is verantwoordelijk voor de belangen van de werknemers en dient dat als uitgangspunt voor zijn beleid te nemen. Niet om onze verantwoordelijkheid te ontlopen, maar om duidelijk te maken waar die (verantwoordelijkheid) ligt.

Dit was een citaat uit Fijn is Anders, een brochure uit 1971 van de Industriebond NVV. Om precies te zijn uit hoofdstuk 9: de handen vrij.  Helaas is Arie Groenevelt, voorzitter van de Industriebond vlak na mijn aantreden als FNV-vice-voorzitter overleden. Ik had hierover graag nader persoonlijk met hem gesproken.
Ik ga door met een ander citaat en ditmaal uit het vorige week van de hand van het Internationale Instituut voor de Sociale Geschiedenis verschenen rapport ‘de precaire polder’.

Sjaak van der Velden concludeerde onlangs dat de uitruil die de kern was van het Akkoord van Wassenaar – het matigen van de lonen en verkorting van arbeidstijd om meer banen te creëren – niet het gewenste resultaat opleverde. De arbeidstijd gemeten naar het aantal te werken uren in een voltijdsbaan daalde van 1829 in 1982 naar 1770 drie jaar later. Het werkloosheidspercentage bleef echter ongewijzigd hoog. Daarnaast greep de overheid in met gedwongen kortingen op de ambtenarensalarissen en uitkeringen. Onder Balkenende werd loonmatiging teruggebracht tot bevriezing van lonen en werd vervolgens de hele sociale zekerheid inzet voor de onderhandelingen met sociale partners. Bovendien kreeg de vakbeweging te maken met kabinetten die de afspraken uit de akkoorden niet nakwamen. Het pensioenakkoord van 2010-2011 werd maar deels nageleefd. Het werd steeds onduidelijker wat de vakbeweging terugkreeg in ruil voor het sluiten van een sociaal akkoord omdat de werkgevers niet tegemoet wilden komen aan concessies van de FNV.

Verwaarloosbare animo

Deze twee citaten geven de kaders aan waartoe de FNV zich in het huidige tijdsgewricht nadrukkelijker dan ooit heeft te verhouden. Terugkijkend op de akkoorden van 1982, 1993, 1996, 2003, 2010 en 2013 en de constatering van het IISG dat zowel werkgevers als overheid zich in het verleden onwelwillend en soms zelf onbetrouwbaar hebben betoond, maakt dat het animo om tot een veelomvattend centraal akkoord te verwaarlozen is. We dienen te leren van het verleden en dat doen we ook. Dat er volgens Bernard Wientjes in crisistijd altijd een akkoord dient te komen bestrijd ik dan ook hartgrondig. Of liever gezegd: daar neem ik de verantwoordelijkheid niet voor.

Oud-CNV-voorzitter Doekle Terpstra: Vakbeweging zit vast in gestolde belangen

Oud-CNV-voorzitter Doekle Terpstra suggereert dat de vakbeweging vast zit in gestolde belangen omdat we een lage organisatiegraad hebben. Dat zou ons verhinderen om de toekomst te pakken en hij maant ons het algemeen belang ter vertegenwoordigen in plaats van groepsbelangen. Als we een organisatiegraad van 80% zouden hebben zijn we daartoe pas in staat, zo versta ik hem. Ik deel de wens om tot een dergelijke organisatiegraad te komen vanzelfsprekend, maar dat lijkt me voor de komende periode een ietwat ambitieuze doelstelling. Een organisatiegraad is in mijn optiek echter alleen of voornamelijk van belang om eisen die de vakbeweging stelt aan werkgevers en politiek fysiek kracht te kunnen bijzetten. Daarbij wordt het collectief ingezet om de belangen van het individu te behartigen. Om de belangen van het collectief als zodanig te behartigen is een organisatiegraad van 20% nog steeds zeer relevant. Met meer dan anderhalf miljoen leden die een dwarsdoorsnede van de samenleving vormen, kan de vakbeweging niet worden genegeerd of worden gereduceerd tot groepsbelangenbehartiger. En is de vakbeweging zich aan de andere kant ook zeer bewust van haar verantwoordelijk, ook als het gaat om toekomstige doelen en belangen.

Pijlen op oorzaken flexibilisering

De congresresolutie van de FNV die in mei 2017 is vastgesteld, geeft een doorkijkje naar de toekomst zoals de leden van de FNV die voor zich zien: duurzaam, menswaardig, sociaal, met een 32-urige werkweek en met wellicht een basisinkomen als er in de periode na de transities van energie en robotisering onverhoopt veel minder banen voor handen zijn. Een toekomst die niet tot stand gaat komen met de voortdurende flexibilisering van de arbeidsmarkt, waarin werknemers worden teruggebracht tot kostenposten. Anders dan in het verleden richt de FNV haar pijlen nu op de oorzaken van de flexibilisering en speurt naar onderliggende tendensen. Niet om de gestolde belangen van een kleine groep te behartigen, maar met het oog op een menswaardige maatschappij die ook nog duurzaam zal zijn voor generaties na ons. Sociale innovatie is namelijk misschien nog wel belangrijker dan de technologische innovatie waar iedereen nu de mond van vol heeft als het om de toekomst gaat.

Werkgevers zijn onwelwillend, de overheid is onbetrouwbaar. Los van het feit of dat een passende appreciatie is, ik doe dat hier for the sake of the argument. Want wat is dan de hand in eigen boezem die wij daar tegenover kunnen stellen? Ik zou hier de naïviteit van de vakbeweging willen introduceren. Volgens het woordenboek is naïviteit een geesteshouding die gekenmerkt wordt door onbevangenheid, eenvoud, ongekunsteldheid en openhartigheid. Einde citaat.

De FNV vertegenwoordigt de ruim miljoen werkenden en niet-werkenden in haar achterban. Een collectief van leden opererend vanuit ambitieuze doelstellingen, ik heb ze zojuist geschetst. De belangen die het betreft raken aan de bestaanszekerheid van de leden: baanzekerheid, inkomenszekerheid, gezondheid, voorkomen van armoede, onderwijs. Kortom een menswaardige maatschappij. Belangen die behartigd worden vanuit het collectief, maar waarvan de gevolgen individueel worden gevoeld. Diep worden gevoeld. Die belangen worden op de werkvloer behartigd door kundige en betrokken FNV-bestuurders met verstand van zaken. En op landelijk niveau door andersoortige FNV-bestuurders die dezelfde betrokkenheid voelen voor de goede zaak en die vanuit die betrokkenheid toch weer steeds het gesprek aangaan, op zoek naar het beste voor hun leden. Maar die in de polder geconfronteerd worden met bewindspersonen en werkgeversorganisaties die op een ander niveau opereren. Een abstracter niveau, en een heel stuk verder verwijderd van een achterban, als die er überhaupt al is. Een ongelijk speelveld dus om het in termen van de FNV te duiden. Dat ongelijke speelveld van onwelwillende werkgevers, een onbetrouwbare overheid en een naieve vakbeweging is daarmee in potentie een recept voor een maatschappelijke catastrofe.

Arie Groenevelt

Arie Groenevelt: Principiële kaders, kritisch-constructief meepraten, maar de verantwoordelijkheid laten waar hij hoort, de politiek

En dat brengt ons terug bij de principiële kaders van Arie Groenevelt. Wat moet de houding van de vakbeweging dan zijn in het overleg? Misschien hebben we daarvoor een nieuwe standaard nodig: een kritisch constructieve houding innemen, meepraten, ideeën aandragen maar de uiteindelijke verantwoordelijkheid laten waar hij hoort: bij de democratisch gekozen partijen, zeker als het gaat om korte en iets langere termijnplannen. Daar behoort de politiek ten volle de verantwoordelijkheid voor te nemen. En die behoort ze niet af te wentelen op de sociale partners.

Dat is ook voor de vakbond een lastige positie. We zien tal van beleidsmaatregelen langskomen waarvan je handen gaan jeuken. Waarvan we zeker weten dat een bepaalde groep vanuit onze achterban ermee gebaat zou zijn als we verslechteringen kunnen tegengaan. Maar het sociaal akkoord van 2013 heeft ons geleerd dat die houding een valkuil is. Zo zou akkoord de doorgeschoten flexibilisering van de arbeidsmarkt aanpakken: niets van terechtgekomen, het is alleen maar erger geworden. Zelfs de afspraak dat de Wet werk en zekerheid zou worden geëvalueerd alvorens er met aanvullend beleid zou worden gekomen is geschonden. Nieuwe wetsvoorstellen hebben echter hun weg naar de kamer al gevonden: wetsvoorstellen die haaks staan op het sociaal akkoord 2013.

Abject

Sociaal Akkoord Rutte II en Stichting van de Arbeid, april 2013

Een van de meest abjecte nieuwe maatregelen van het huidige kabinet is de zogenoemde loondispensatiemaatregel. Ik noem hier even de letterlijke tekst uit het sociaal akkoord 2013: Er komen 35 werkbedrijven waarin gemeenten en werkgevers samen meer mensen met een beperking aan het werk gaan helpen. Van hieruit kunnen mensen ook worden gedetacheerd naar beschut werk met behulp van een jobcoach van het werkbedrijf en een loonkostensubsidie. Hiermee verdienen ze ten minste het minimumloon en kunnen ze doorgroeien naar 120% van het minimum loon. Einde citaat.

De banenafspraak voor arbeidsbeperkten lijkt echter niet gehaald te worden, vooral niet door de overheid, en zeker niet in de vorm die men destijds voor ogen had. En nu geeft de overheid haar eigen interpretatie aan die banenafspraak uit het sociaal akkoord: als we mensen maar onder het wettelijk minimum loon betalen, dan gaan werkgevers zich wel aan de afspraak houden. Een gotspe, waarbij de overheid zich op zijn alleronbetrouwbaarst toont en zich kan verschuilen achter een akkoord dat met sociale partners is gesloten.

Dergelijke veelomvattende kortetermijnakkoorden met een hoge politieke lading waarin zaken tegen elkaar worden uitgeruild en waar een volgend kabinet met gemak weer onderuit kan, daar gaan we ons als FNV verre van houden. Dat geef ik u op een briefje.

Maar is de polder dan helemaal dood, zoals in een grote krant een jaar geleden suggereerde? Nee, wat mij betreft niet. Op decentraal niveau, in bedrijven en binnen organisaties, is en blijft overleg om te komen tot overeenstemming cruciaal. De regionale arbeidsmarkt is in opmars en aan de tafels van de arbeidsmarktregio’s en in de werkbedrijven vindt constructief overleg plaats van werknemers en werkgevers die dicht op de werkvloer weten waarover ze praten.

Er zijn ook onderwerpen waar het cruciaal is dat daarover wel centraal overleg plaatsvindt. En dat dat overleg vanuit de sociale partners wordt geïnitieerd. Onderwerpen waarbij het goed zou zijn als de politiek daarin een ondergeschikte rol zou spelen, vanwege het belang voor veel komende generaties bijvoorbeeld. Ik noem bijvoorbeeld het klimaat. In 2013 hebben milieuorganisaties, vakbonden, decentrale overheden en andere partijen een energieakkoord gesloten, Niek Jan van Kesteren noemde hem ook al in zijn nieuwjaarstoespraak op deze plaats. De politiek hield zich afzijdig: het akkoord werd gedragen door de werkgevers, werknemers en maatschappelijke organisaties. Mijn voorganger op dit dossier heeft dat akkoord van harte ondertekend. En ik zou dat op dezelfde manier hebben gedaan.

Allianties op gebied van energie en duurzaamheid

Dat akkoord is er mede de oorzaak van dat in de congresresolutie van de FNV is opgenomen dat we als FNV allianties gaan sluiten op het gebied van energie en duurzaamheid. Dat biedt weer hele andere kansen voor de polderakkoorden. Voor het huidige klimaat- en energieakkoord heeft de overheid voor een ander model gekozen: partijen wordt gevraagd te zorgen voor input omdat zij werkzaam zijn in diverse sectoren. Anderen wordt verplicht te zorgen voor maatschappelijk draagvlak vanuit een van bovenaf opgelegd stramien. Het is nog early days, maar namens de FNV zal ik het proces met een kritisch constructief perspectief volgen, het gesprek aangaan en ideeën aandragen, kortom mijn eigen nieuwe standaard volgen. Het is echter nog maar de vraag of er uiteindelijk een handtekening van de FNV onder het akkoord komt.

De vakbeweging heeft weliswaar te maken met een teruglopend ledenaantal, maar dat ledenaantal is nog altijd vele malen groter dan het ledental uit de achterban van de werkgeversorganisaties. Maar belangrijker: alleen al de FNV is in haar eentje vele malen groter dan alle politieke partijen bij elkaar. Die bovendien opereren in een zeer versnipperd politiek landschap dat te kampen heeft met teruglopende opkomstcijfers bij verkiezingen. Dat kampt met de vraag of referenda wellicht een antwoord kan zijn op het steeds maar dalende vertrouwen van de Nederlandse bevolking in de politiek. Met een kabinet dat de allerkleinste parlementaire meerderheid heeft. Wientjes trok daaruit de conclusie dat een dergelijk kabinet met weinig zetels een akkoord nodig heeft. Dat geloof ik graag: dat dit kabinet een akkoord zou willen, maar die vraag ligt niet voor. De cruciale vraag is of dit kabinet de sociale partners de rol doet toekomen die hen toekomt. De rol van serieuze overlegpartner met verstand van zaken en met een vanzelfsprekend draagvlak. Tot overleg zijn wij altijd bereid. En dat overleg voeren wij zelf natuurlijk in de SER en de stichting van de arbeid. Voor sommige onderwerpen is het lastig om tot onderlinge overeenstemming te komen over hoe de politiek te adviseren, en voor sommige onderwerpen lukt dat ook niet. Vorig jaar waren de partijen in de SER het echter roerend eens over de bestrijding van kinderarmoede in Nederland. De SER heeft daar toen een indringend advies over uitgebracht. Het antwoord van het kabinet liet een jaar op zich wachten en omvatte 24 kantjes met vrijwel nietszeggende beleefdheden en borstklopperij over de eigen beleidsvoornemens. Misschien overdrijf ik, maar laat ik het dan zo stellen dat het urgentiebesef van dit nijpende probleem van honderdduizenden kinderen die met hun ouders onder de armoedegrens leven niet van het papier afspatte.

Terugkomend op het huidige klimaatakkoord: als er geen handtekening van de FNV onder het klimaatakkoord komt, zal dat dus niet zijn om mijn verantwoordelijkheid te ontlopen, maar om de verantwoordelijkheid te leggen waar die hoort. En dan is het aan de politiek om zich een waarlijk betrouwbare partner te tonen, en een besluit te nemen dat duurzaam is en niet bij de eerste de beste electorale tegenwind weer onder druk staat. Er staat namelijk meer op het spel dan de toekomst van het centrale overleg: onze democratie is in het geding.


Kitty Jong

Toespraak uitgesproken op de VHV-SBI-vriendenbijeenkomst van 21 april 2018