Het geheugen van de vakbeweging

Kinderarbeid is nog steeds nabij

Leids Adres: vorm van maatschappelijk verantwoord ondernemen

Als Lodewijk de Waal aan kinderarbeid denkt, denkt hij niet meer in de eerste plaats aan Nederland; en dat ziet hij als vooruitgang hier te lande. Zijn gedachten verplaatsen zich naar werkbezoeken die hij ik als vakbondsbestuurder onder meer heeft gebracht aan Midden-Amerika, Pakistan, India en Bangla Desh. Hieronder zijn toespraak die hij heeft gehouden bij de herdenking van het Leids Adres op 17 maart 2013.

Lodewijk de Waal, voorzitter van de VHVLodewijk de Waal, voorzitter van de VHV

Sommige kinderen staan mij nog diep in het geheugen gegriefd, zoals een jongetje in Pakistan die vertelde dat hij in een steengroeve werkte. Hij vroeg zich af waarom; zijn karig loon was nauwelijks een bijdrage aan het gezinsinkomen. Geld om school te betalen had hij niet; scholen waren trouwens van een zodanig kwaliteit dat een vakbondscollega zei: ik zou er mijn hond nog niet naar toe sturen.
Ambitie had hij wel: dokter worden of soldaat, maar ja, zonder school… Toen ik hem vroeg wat hij het akeligst vond vertelde hij dat hij met gevaarlijke gereedschappen en zuren moest werken; hij was bang, zoals een vriendje, zijn hand te zullen verliezen bij een arbeidsongeval. Het ventje was misschien tien jaar, ongeveer zo oud als mijn zoontje toen. Zoets vergeet je nooit meer. Onze vakbondscollega’s daar probeerden, met onze hulp, tegen de stroom in schooltjes te organiseren, en handhaving van het bestaande wettelijk verbod op kinderarbeid af te dwingen. Valt niet mee in een feodale en corrupte omgeving, kan ik u verzekeren. Het gaat bij regels immers niet alleen om de regels zelf, maar vooral om de handhaving.
Wij moeten ons vandaag toch ook even realiseren, voor ik op de Nederlandse verhoudingen inga, dat er naar schatting 200 tot 250 miljoen kinderen (!) op deze wereld beneden de 12 jaar werken en niet naar school gaan. Dat is niet een, zoals een Nederlandse politicus ooit tegen mij beweerde, een fase in de economische ontwikkeling van achterblijvende landen. Buiten dat het op zich al verschrikkelijk is kinderen zo hun jeugd te ontnemen, ook een garantie voor het voortduren van de armoede. Het betekent dat een geweldig kennispotentieel zich niet kan ontwikkelen, en dat ouderen werk wordt onthouden, en daarmee inkomen.
Misschien denkt u: ver van mijn bed… ver terug in de tijd …. Maar kinderarbeid is, ook voor u niet ver weg. Op een paar uur vliegen werken kinderen in de hazelnootpluk of de leerbewerking in Turkije… denk daar eens aan als u hazelnootchocolade eet… Misschien zou de Turkse premier Erdohan zich daar wat drukker over moeten maken, die kind-onterende praktijken in zijn eigen land, voordat hij ons de les komt lezen over de behandeling van Turks Nederlandse kinderen in Nederlandse pleeggezinnen…
Terug naar het Leids Adres en de tijd waarin het opgesteld werd. Wat zien we? Verlichte werkgevers, maar toch ook werkdagen van 16 uur, bedrijfsongevallen bij de vleet, nare beroepsziekten, lage lonen én kinderarbeid natuurlijk. Rond 1860 werkten er een half miljoen kinderen (bij een veel kleinere bevolking!) in Nederland in fabrieken. Tot 1872 konden vakbonden daar weinig aan doen, illegaal gemaakt door het zogenaamde coalitieverbod. Daarna groeiden vakbond in macht en kracht, organiseerden demonstraties tegen kinderarbeid en voor een 8 urige werkdag, die het mogelijk maakte 8 uur te rusten, 8 uur te werken en 8 uur te ontspannen en aan culturele verheffing te doen. De strijd tegen kinderarbeid was een onderdeel van de strijd voor beschermende regels en wetten. Ook onderdeel van de verheffing van de arbeidersklasse in meer brede zin.
De georganiseerde arbeidersbeweging heeft zich altijd beijverd wetgeving zo in te richten, dat minimale randvoorwaarden voor de arbeid wettelijk worden vastgelegd. Loonvorming moet weliswaar vrij zijn, maar een bodem moet worden gelegd door een wettelijk minimumloon. Men is vrij om zich te organiseren, maar wettelijke bescherming moet geboden worden om te voorkomen dat georganiseerde arbeiders benadeeld worden. Collectieve arbeidsovereenkomsten moeten algemeen verbindend verklaard kunnen worden, werkomstandigheden moeten in een ARBO wet worden vastgelegd. Kinderarbeid moet worden verboden. Allemaal wetten die een gelijk speelveld voor werkgevers creëren, zodat er geen race naar de bodem kan ontstaan. Allemaal eisen die in de loop der tijden werden gesteld, en werden verwezenlijkt, en waar de vrije vakbeweging dus een gelijk en rechtvaardig speelveld probeerde te creëren voor werkgevers en werknemers, en minimale randvoorwaarden trachtte aan te brengen ter bescherming van zwakkeren op de arbeidsmarkt.
In die zin is er dus de afgelopen 140 jaar in ons land veel bereikt; soms samen met verlichte werkgevers, meestal ook door politieke druk, vaak door de actie van gewone werknemers.
Dat is niet allemaal geschiedenis trouwens. Want ondanks het kraken en piepen van de moderne vakbeweging verenigen zij nog altijd ruim 1,8 miljoen mensen die het belang inzien van het vakbondswerk. Leg dat eens naast het beperkte lidmaatschap van politieke partijen, en bedenk dan eens wat dat betekent voor beiden…
Kinderarbeid is in Nederland dus vrijwel uitgebannen door een combinatie van verlichte werkgevers die een level playing field wilden bij het uitbannen van iets wat zij als schadelijk en onwenselijk zagen, politieke besluitvorming en druk vanuit de bredere samenleving, de vakbeweging in het bijzonder. Handhaving van het Kinderwetje van Van Houten in samenhang met de leerplicht zijn daarbij effectieve instrumenten geworden… op termijn, dat wel.
Is dat nu een voorbeeld voor de wereld? Hoe staat het met internationale wetten en regels? Regelgeving is er wel; diverse ILO verdragen, vaak ook geratificeerd door landen waar kinderarbeid voorkomt, spreken duidelijke taal. Maar de combinatie van gebrekkige handhaving en onvoldoende betaalbare en kwalitatief goede scholen, maken een effectieve aanpak erg moeilijk. Ook daar blijft de noodzaak van politieke druk, ontwikkelingssamenwerking op het gebied van scholen/onderwijs en ondersteuning van vakbondswerk (denk aan de activiteiten van FNV Mondiaal, en sinds kort ook in PUM-verband) cruciaal.
Graag vraag ik ook uw aandacht voor een speciale regelgeving waar ik ook bij betrokken mag zijn. Er is een code van de OESO, die tussen regeringen van geďndustrialiseerde landen is afgesproken. Ze bevat, uiteraard ook ten aanzien van kinderarbeid, minimale regels waaraan multinationals zich moeten houden. Er is zelfs per land een instantie (NCP) voorhanden, waar inbreuken op die code gemeld kunnen worden. Het NCP treedt dan in contact met het betrokken bedrijf en de klagers, en probeert een oplossing te vinden. We hebben momenteel, naast onze voorlichtingstaak, een aantal van dat soort specifieke zaken in behandeling, overigens, gelukkig, geen klachten lopend over kinderarbeid in verband met Nederlandse multinationals. Dat zou overigens best eens kunnen voorkomen, want de hele productieketen valt onder verantwoordelijkheid van de multinationals, en die moeten dus goed due diligence toepassen op hun leveranciers; in de praktijk wil dat nog wel eens ingewikkeld zijn…
Naast de minimumregels die ILO en OESO zijn overeengekomen, is er in onze tijd ook het fenomeen van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO). Hierbij gaat men verder dan minimale eisen, maar houdt men ook rekening met de zogenaamde triple P, de belangen van People, Planet en Profit. Ik volg even de SER definitie, dus een voortbrengsel van het poldermodel:
“Het bewust richten van de ondernemingsactiviteiten op waarde creatie op langere termijn in de drie dimensies people, planet en profit, gecombineerd met de bereidheid de dialoog met de samenleving aan te gaan. MVO behoort tot de core business van ondernemingen”
Het zal duidelijk zijn dat handhaving van het verbod op kinderarbeid in, zeg Pakistan, ingewikkeld is. Wilden de Leidse werkgevers een level playing field via wetgeving als voorwaarde voor het zelf stoppen met kinderarbeid, op nationale en globale schaal speelt dit natuurlijk ook in ontwikkelingslanden en opkomende industrielanden. ILO verdragen OESO code zetten dus wel normen, maar handhaving blijft een probleem en daarom moeten we dus actief blijven als politiek en als werkgevers en werknemers om dit schrijnende probleem aan te pakken. Met hulp, als het kan in de traditie van het Leids adres, van verlichte werkgevers waarvan we er in Nederland toch wel een paar zouden moeten hebben…
Dat brengt me op de ontwikkeling van wat we het poldermodel zijn gaan noemen. Ik heb er vele voordrachten over gehouden, van Chili tot Korea. Met beperkt succes, omdat de arbeidsverhoudingen zoals wij die in Nederland kennen nogal typisch zijn. Door een recent boekwerk van Maarten Prak wordt de historie van het poldermodel teruggevoerd in de tijd; wel duizend jaar…
Zover kan ik niet terug kijken, maar laten we eens al begin van de moderne Nederlandse arbeidsverhoudingen de naoorlogse periode nemen. Begonnen werd met de oprichting van de bipartite Stichting van de Arbeid, later van de tripartite SER. Die institutionele vormgeving moet niet onderschat worden; het is een platform waar werkgevers en werknemers elkaar regelmatig treffen, en waar ze gedwongen worden het eigen gelijk ook te beargumenteren en compromissen te sluiten. In die instituties heeft men ook geleerd uit te gaan van gemeenschappelijke analyses, vaak voortgekomen uit bijdragen van het door allen aanvaarde gezag van het CPB. Dat maakt de discussies makkelijker dan in bv Duitsland, waar 6 CPB’s opereren met ieder eigen invalshoeken…
Verder is op decentraal niveau wetgeving op de collectieve arbeidsovereenkomst tot stand gebracht, en een wet op de Ondernemingsraden, die ook een belangrijke onderbouwing aan het overlegmodel leveren. Het poldermodel is dus niet alleen een zaak van het centraal overleg. Besluiten in STAR en SER verband worden dan ook gedragen door een brede achterban, wat de soms trage besluitvorming compenseert. Geen daadkracht zonder draagvlak en daar kan de politiek m.i. nog wat van leren!
In het huidige sociaal overleg , waarvan u afgelopen dagen de beelden van de buitenkant hebt kunnen zien, proberen, geheel in lijn met de traditie, werkgevers en werknemers het eerst samen eens te worden, om zo samen het kabinet met hun draagvlak te confronteren. Dat is al een element (werkgevers en werknemers aan één kant van de tafel, het kabinet aan de andere) dat ik aan weinig vakbondsleiders in de rest van de wereld heb kunnen verkopen… Daar kiest men de onderling confrontatie en het machtsspel éérst tussen werkgevers en werknemers, later ieder voor zich met de regering. Of start men met groot machtsvertoon: demonstraties en stakingen, die bij ons eerder soms tot het eindspel behoren.
Gaat dit bij ons altijd goed: nee, uiteraard niet. In de driehoek wg-wn-regering kunnen verschuivingen plaatsvinden waardoor, zoals recent gebeurd is, werkgevers liever het pad bewandelen van overleg met het kabinet dat meer naar hun voorkeur is. Dat heeft de vakbeweging de afgelopen jaren van hen vervreemdt, en dat zit nu het sociaal overleg dwars doordat het de meer activistische delen van de vakbeweging in de driver seat bij een aantal grote bonden heeft gezet.
En, iets minder recent en nog altijd relevant, de grootste vakbondsdemonstratie werd gehouden in 2004, toen werkgevers meer zagen in de voorstellen van het kabinet rond vervroegde uittreding, dan in overleg met de door toenmalig voorzitter van  VNO/NCW tot irrelevant verklaarde vakbeweging. Toen moesten er even wat zaken worden rechtgezet… met overigens het oogmerk de normale Nederlandse verhoudingen te herstellen.
Maar door de geschiedenis van het naoorlogse overleg heen moet het overlegmodel toch als superieur worden gekenmerkt; het vermindert de transactiekosten bij verandering van sociale regelingen, en geeft draagvlak aan het beleid dat de driehoek wg-wn-regering kan produceren.
In die zin hoop ook op een sociaal akkoord in de beste naoorlogse  tradities. Daarvoor is het nodig dat het kabinet ruimte biedt aan werkgevers en vakbonden tot een betekenisvol sociaal akkoord te komen. Daarin zouden nieuwe evenwichten tussen flexibele arbeid en meer vaste contracten de sleutel vormen, terwijl inbreuken op ontslagrecht en de WW tot een minimum beperkt zouden moeten worden. Het kabinet maakte trouwens een slechte start door onmiddellijk een nullijn te willen forceren voor bijvoorbeeld de zorg: laat dat nou maar eens aan werkgevers en werknemers over, het is hun cao-overleg! Het moet een sociaal akkoord zijn met winstpunten voor alle partijen, want inleveren kunnen mensen ook zonder vakbond…
Ik vat samen. Verlichte werkgevers als die van het Leids adres, zijn wellicht de moderne ondernemers die MVO hoog in het vaandel hebben staan. Ook zij hebben nog altijd behoefte aan een gelijk speelveld, zodat concurrentie niet leidt tot onaanvaardbare toestanden. Een sterke vakbeweging, naast goede georganiseerde werkgeversorganisaties, vormt de basis van het poldermodel, dat meer is dan alleen een succesvol centraal overleg. Vereist is dat sociale partners eerst elkaar in de ogen kijken en hun onderlinge band stevig houden. Dat maakt ook economisch gezien de transactiekosten van veranderingen lager. Dat kan ons, ik gebruik nu grote woorden, uit de crisis halen, en het vertrouwen herstellen.
Lodewijk de Waal
17 maart 2013