Het geheugen van de vakbeweging

Kees Vendrik: “Pensioenvermogens groeien nog immer, toch wordt het stelsel ‘onhoudbaar’ genoemd, hoe kan dat”


Paradox: beste stelsel voortdurende bron van onzekerheid
en politieke spanning

Kees Vendrik: op weg naar een nieuw pensioenstelsel

 

Het Nederlandse pensioenstelsel is het kroonjuweel van de verzorgingsstaat. Internationaal befaamd, omdat weinig andere landen zo’n adequate afdekking van het ouderdomsrisico hebben weten te organiseren. Dat is bepaald geen geringe prestatie en dat betaalt zich uit: in het voorjaar van 2017 liet het CBS weten dat in de geschiedenis nog nooit een generatie ouderen het zo goed heeft gehad. Jazeker, de laatste jaren hadden de ouderen weliswaar ingeleverd, maar dat deed niets af aan de grote trend. Ouderdom en armoede zijn voor velen niet langer synoniem. Dat noemen we beschaving. Daar hebben de founding fathers van dit gebouw hard voor gestreden, en daar zijn ze behoorlijk ver mee gekomen.

En nu staat een ingrijpende hervorming op stapel: het nieuwe kabinet kiest voor het model van de persoonlijke pensioenrekeningen en wil daarover afspraken met sociale partners. Worden we hier wijzer van? Dat vraag ik me af. Ik vrees van niet.

Wonderlijke paradox

Het is een wonderlijke paradox dat een stelsel dat internationaal befaamd is, dat altijd in de top drie van beste stelsels staat, de laatste jaren zo’n grote bron van onzekerheid en politieke spanning is geworden. Terwijl de pensioenvermogens nog immer groeien, wordt het stelsel ‘onhoudbaar’ genoemd. Hoe kan dat?
Ik zie twee beleidskeuzes die veel verklaren van de onrust:

  • De verhoging – en de versnelling daarvan – van de pensioengerechtigde leeftijd sinds 2010 heeft de ongelijkheid tussen laag en hoog-opgeleiden versterkt. Een oplossing voor zware beroepen is niet gevonden, die belofte staat nog steeds open. Op dit moment stoppen laag-opgeleiden zelfs later met werken dan hoog-opgeleiden.
  • De tweede keuze betreft de risico-vrije-rentestructuur als maatstaf voor de rekenrente sinds 2007. Die keuze wordt verdedigd als marktconform, terwijl de werkelijk geboekte rendementen van de fondsen substantieel daarboven liggen. Daarmee worden de fondsen armer voorgesteld dan ze waarschijnlijk zijn. Als vervolgens sociale partners in 2011 afspreken de premies te stabiliseren, dan is het niet vreemd dat afgedwongen herstel-acties bij de fondsen leiden tot het achterwege blijven van indexatie of kortingen. Als dat vaker gebeurt verandert het aanvullend pensioen de facto van karakter. Van uitkeringsovereenkomst naar een premie-overeenkomst. Dat alles zou onvermijdelijk zijn omdat bij menig fonds de afgrond in zicht is. Griekse toestanden. Ik zie dat niet, maar belangrijker: er zijn velen die dat niet begrijpen. Een tweede bron van onrust.

Voorstanders van ingrijpen wijzen erop dat veel fondsen in de loop der jaren steeds ‘rijper’ zijn geworden, dat wil zeggen meer gepensioneerden zijn gaan tellen en relatief minder werkenden, waardoor gaten niet of minder eenvoudig konden worden gedicht door stijgende premies.  Zoals gezegd is dat in 2011 dat bekrachtigd met de afspraak om de premies te stabiliseren.

Doorgeslagen behoedzaamheid

Of daarmee het premie-instrument voor altijd bot is geworden, waag ik te betwijfelen. Het zal minder effectief zijn dan vroeger, maar om op voorhand uit te sluiten dat fondsen dit instrument kunnen inzetten, is weer het andere uiterste. Dit speelt ook bij de rekenrente. Hier is sprake van doorgeslagen behoedzaamheid. Daar was natuurlijk wel het nodige aan vooraf gegaan: eind jaren ’90 bulkte menig fonds van het geld. Premie-holidays en zelfs terugstortingen (denk aan de pensioenfondsen van Shell en Unilever) waren aan de orde van de dag, vooral door de hausse op de beurs. Het was ook de tijd dat de premiestelling niet alleen op de fondspositie werd gebaseerd – zo zou het moeten – maar ook werd gebruikt aan de cao-tafel om extra loonruimte te creëren – zo moet het niet. Na de dotcom-crisis van 2001 was het sprookje van stijgende rendementen ten einde en volgde substantiële premiestijgingen. En dat op een moment dat de economie dat het minst kon hebben en dat kwam het economisch herstel na 2002 bepaald niet ten goede. Ik snap goed dat de toezichthouder – inmiddels de De Nederlandsche Bank (DNB) – hier vervolgens de touwtjes heeft aangetrokken om te voorkomen dat fondsen zich rijk rekenen, onvoldoende vermogen opbouwen, de ouderen bevoordelen ten koste van de jongeren, onbetaalde rekeningen doorsturen naar de toekomst of onverhoeds met premiestijgingen als dat economisch het slechtste uitkomt. Allemaal terechte punten van zorg. Dat goed gekeken wordt naar de potentiële rendementen, dat daar met een flinke dosis behoedzaamheid en onzekerheidsmarges wordt geprognosticeerd, allemaal tot je dienst. En dat we uitgaan van een toekomst met minder hoge rendementen dan in het verleden, met en zonder Mario Draghi, de president van de Europese Centrale Bank (ECB) lijkt me terecht. Het mondiale spaaroverschot blijft nog wel even bij ons.

Marktconform?

Maar dan nog snap ik de keuze voor de risico-vrije marktrente niet. Dat zou suggereren dat fondsen alleen in risicoloos lang staatspapier zitten en dat doen ze niet, dat doet geen enkele belegger. De reële rendementen van 5-6% wijken ook fors af van de huidige rekenrente van 1,3%. Hoe ‘marktconform’ is deze keuze eigenlijk?  De gekozen structuur moet risico-vrij zijn omdat bij een uitkeringsovereenkomst – een financieel contract – maximale zekerheid over het pensioenresultaat dient te worden geboden. Ondertussen wordt er evenwel geen zekerheid geboden maar is onzekerheid uitkomst. En dat gaat nog wel even door met het vooruitzicht van extra kortingen in 2020/2021. De gevoeligheid van het stelsel voor de rente-keuze is zeer groot. Het maakt zelfs uit of we wel of niet van een onhoudbare situatie kunnen spreken. En of wel of niet drastisch moeten ingrijpen.

De consequentie is dat er nu door het kabinet een stelsel op tafel is gelegd dat transparant is over de eigen pensioenopbouw, maar op voorhand onzeker is in zijn uitkomst. De beleggingsrisico’s worden nu geheel bij de deelnemer gelegd. Hoe dat precies uitpakt weet niemand, maar het spoort niet vanzelf met de ambitie van het stelsel van een goed en zeker pensioen. Met name lager opgeleiden, zo liet het SCP onlangs zien, hechten aan een zekere uitkomst.

Een ander gevoelig punt bij het nieuwe stelsel betreft het feit dat de werkgever amper nog in beeld is. hoewel zij de medeverantwoordelijkheid dragen voor een goed functionerend stelsel.

Een stap naar verdere onevenwichtigheid in de verhouding tussen kapitaal en arbeid? Daar zei Thomas Piketty iets over. Maar ook Klaas Knot: als hij zich terecht zorgen maakt over gebrek aan loonstijgingen wegens onvoldoende power van de factor arbeid, dan mag DNB zich dit ook aantrekken.
Wat dan wel? Ik geloof niet dat sprake is van een onhoudbaar stelsel, wel veranderende tijden en een paar hardnekkige kwesties.

Over veranderende tijden: ja, fondsen zijn rijper en het premie-instrument is minder effectief dan vroeger, en ja, de uitkomst kan niet 100% worden gegarandeerd en zeg dat dan ook op tijd. Rendementen uit het verleden zijn inderdaad geen garantie voor de toekomst.

Hardnekkige kwesties

In de categorie hardnekkige kwesties zie ik er tenminste twee. De eerste is de ongelijkheid en de omgekeerde solidariteit tussen rijk en arm, tussen hoger en lager opgeleiden. In de achterliggende jaren zijn enkele bescheiden stappen gezet om daar iets aan te doen, zoals de beperking van het pensioengevend loon (lagere fiscale subsidie) en de overgang naar het middelloonstelsel. De hoofdoorzaak van de ongelijkheid blijft evenwel het verschil in levensverwachting; ruwweg een jaar of 7. Dit verschil is dermate fors, dat het niet vreemd zou zijn om tenminste te pogen hiervoor te corrigeren. Temeer daar het verschil in aantal gezonde jaren nog veel hoger is: 19 jaar (72/53). Dat moet consequenties hebben voor de wijze waarop we langer doorwerken en pensioen in dit land organiseren. Maar dat doen we niet.

Deze kwestie is nog urgenter geworden door de versnelde verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Terecht komt de vraag op tafel of alle groepen op de arbeidsmarkt dit nog wel mee kunnen maken. Die discussie speelde destijds ook al rond de afschaffing van fiscale facilitering van VUT en prepensioen. In de kern komt het erop neer dat we sinds Drees ongelijke gevallen gelijk behandelen. Achter een uniforme pensioenleeftijd van 65, inmiddels dus later, gaat een wereld van verschil tussen mensen schuil. Opleiding, kwaliteit van het werk en het genoten inkomen hebben een wezenlijke impact op ons bestaan en op onze gezondheid bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

GroenLinks kwam in 2005 met een pakket sociale hervormingsvoorstellen. Een voorstel betrof de AOW-opbouw afhankelijk te maken van de participatie. Omdat lager-opgeleiden eerder beginnen met werken zouden zij dan ook eerder met pensioen kunnen. Dat was een poging iets te doen aan de omgekeerde solidariteit. Dat kan nog steeds: met een gedifferentieerde pensioenleeftijd zou een gemiddelde verhoging van de pensioenleeftijd vanwege vergrijzing en toename van de levensverwachting waarschijnlijk makkelijker geaccepteerd worden.

Nu ongelijkheid mondiaal – zelfs door de kameraden van het IMF als een majeur issue is benoemd hoort dit bovenaan de agenda. Hierbij moet ook bedacht worden dat het nog maar de vraag is of de arbeidsmarkt wel gereed is om langer doorwerken voor allen mogelijk te maken. Afgaande op de afgelopen jaren is het beeld op zijn minst gemengd: waar hoewel al bijna 10 jaar terug regelingen voor vervroegde uittreding werden afgeschaft en nadien de pensioengerechtigde leeftijd alvast omhoog ging, zijn er nogal wat ouderen tussen wal en schip geraakt. De inclusief arbeidsmarkt is voor hen nog geen realiteit. Wellicht helpt de krapte die zich aandient. Of dat zo blijft wanneer de toepassing van AI en robotisering verder voet aan de krijgt, is nog maar de vraag.

Flexwerkers en zzp-ers

Tot nu toe beperkt de discussie zich tot het wel of niet treffen van een aparte regeling voor mensen in zware beroepen. Nog steeds is daar het ei van Columbus niet gevonden, een heldere definitie is niet voorhanden en vooralsnog wordt van deze groep verwacht dat ook zij de opgehoogde pensioengerechtigde leeftijd haalt. Ik vermoed dat de oploop van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen in de laatste jaren daar iets mee te maken heeft.

De tweede hardnekkige kwestie betreft de positie van flexwerkers en ZZP-ers. Ook hier is wel sprake geweest van een enkel stapje, maar het schiet niet op. Wat heet: de toename van flexibele arbeidsrelaties heeft de opbouw van het aanvullend pensioen bepaald geen goed gedaan en dat is strijdig met de ambitie van het stelsel: een goed pensioen voor velen. Het risico neemt toe dat mensen die vooral zijn aangewezen op het hyperflexibele deel van de arbeidsmarkt het straks zonder een betekenisvol pensioen moeten stellen. Dat is de ‘dekkingsgraad’ waar we ons echt zorgen over zouden moeten maken.

We zien dat het ontwijken van verplichte deelname aan een pensioenregeling lijkt steeds meer een business-model te zijn geworden. De chauffeurs van Uber hebben van pensioen nog niet gehoord. Erg innovatief is dit niet. Het is vooral irritant. Wonderlijk is ook dat de overheid hier ruimte biedt: denk hier bijvoorbeeld aan de MKB-winstvrijstelling uit 2006. Een ongewenste regeling die het vuur onder allerlei vormen van echte en onechte zelfstandigheid heeft aangewakkerd en de werknemersstatus heeft verzwakt. Moderne risico’s worden zo niet meer verzekerd maar genegeerd met de gang naar de bijstand als ultimum remedium. Hier zou een progressief tegenoffensief op zijn plaats zijn: de arbeidsmarkt zou uiteindelijk zo georganiseerd moeten zijn dat belastingen en sociale zekerheid een zo gering mogelijke invloed hebben op de wijze waarop werk is georganiseerd en mensen ongeacht de aard van hun arbeidsrelatie zich goed verzekerd weten van relevante risico’s. Dit vraagstuk wordt geadresseerd in de tweede variant van de pensioenvoorstellen van de SER, het Nationale Pensioenfonds. Daar ligt mijn sympathie als startpunt voor de discussie.

Samenvattend wil stellen

  • Ja, wees zuinig op je kroonjuweel.
  • Ja, altijd goed om met frisse blik naar bestaande stelsel en instituties te kijken.
  • Ja, er zijn oude en nieuwe redenen om het huidige stelsel te moderniseren.
  • Nee, het pensioenstelsel is niet onhoudbaar.
  • Ja, het is wel onvolmaakt en verscherpt ten dele ongelijkheid en in plaats dat het deze ongelijkheid bestrijdt. Dat zou de leidende agenda moeten zijn voor politiek en vakbeweging.
  • Een stelsel van persoonlijke pensioenvermogens zoals het kabinet nu verkiest lost vooral de problemen op van de gevestigde partijen:
    • De fondsbestuurders hoeven niet langer te communiceren hoe zij tegenvallers willen opvangen,
    • De werkgevers worden verlost van premiestijgingen
    • De toezichthouder hoeft zich niet langer te verantwoorden over de keuze van de rekenrente.
  • Maar het ultieme doel van het stelsel: een goed en zeker pensioen wordt verlaten. Dat is een hoge prijs.

Beleggingen

Tenslotte nog dit: de beleggingen. Van pensioenfondsen mag verwacht worden dat ze zich zullen opstellen als maatschappelijk belegger met een scherp oog voor de lange termijn en de maatschappelijke agenda. In de praktijk zie ik nog veel fondsen die investeren in hedgefunds en private equity van de verkeerde soort met negatieve impact op de reële economie. De maatschappelijke agenda zou leidend moeten zijn: de transitie van de mondiale economie naar een duurzame, inclusieve orde zoals deze is vastgelegd in de Sustainable Development Goals en het Akkoord van Parijs leggen een zware verantwoordelijkheid op de fondsbesturen bij het inrichten van hun beleggingsbeleid. Impact, rendement en risico vragen een nieuwe balans. Het meest zichtbaar wordt dat in de bestaande fossiele portefeuille van de fondsen. Dat is niet alleen een voorbeeld van verkeerde impact, maar levert ook een risico op, gelijk de discussie die nu speelt in het bankwezen en is aangezwengeld door Klaas Knot en zijn Britse collega Mark Carney. Fondsen zullen een fossiele desinvesteringsstrategie moeten ontwerpen. Een initiatief groep uit de financiële sector heeft inmiddels een methodiek voorgesteld om de carbon footprint vast te stellen. Want meten is weten, is handelen. En het wordt hoog tijd. Denk niet dat we tot 2050 de tijd hebben. Wie  de doelen van Parijs serieus neemt, komt niet veel verder dan 2035. Dan moet het karwei zo ongeveer wel geklaard zijn. Dat kan en het moet. Het is uiteindelijk de beste pensioenvoorzieningen die we kunnen achterlaten voor de komende generatie.

Kees Vendrik

Bijdrage uitgesproken tijdens het Symposium Pensioenen: op weg naar een nieuw stelsel? woensdag 6 december 2017, in De Burcht

Kees Vendrik is sinds april 2017 hoofdeconoom bij Triodos Bank. Daarvoor was hij lid van de Tweede Kamer voor GroenLinks (1998 tot 2010) en lid van de Algemene Rekenkamer (2011-2017).