Het geheugen van de vakbeweging

´Godlof, wij zijn Katholiek!’

Katholieke vakbeweging tussen ‘roode koorts’ en ‘bibberbourgeosie’

Een geschenk uit de hemel

In weerwil van de gezamenlijke tegenwerking van de katholieke geestelijkheid, burgerij, fabrikanten en pers en ondanks de gespletenheid binnen de katholieke arbeidersbeweging tussen stands- en vakorganisatie  -´het kruis van de katholieke arbeidersbeweging´ (zoals Roes p. 40 het noemde; alsof het lijden het gevolg was van een natuurramp en niet van het ingrijpen van het episcopaat)- was de katholieke vakbeweging, verenigd in het in 1909 eindelijk tot stand gekomen ´Bureau voor de R.K. Vakorganisatie´ – om de bisschoppen niet kopschuw te maken moest de term ´vakcentrale´ vermeden worden –  aan de vooravond van 1918 uitgegroeid tot een sociale en politieke machtsfactor van belang. Voor de katholieke vakbeweging was ´de revolutie die niet doorging´ waarlijk een geschenk uit de hemel.

De katholieke vakbeweging en de sociaaldemocratie

Het R.K. Vakbureau zette zich in voor de versterking van de katholieke vakorganisatie en de behartiging van de stoffelijke belangen van de katholieke arbeiders. In 1914 bestonden zowat in alle takken van nijverheid landelijke katholieke vakbonden. Bij zijn oprichting telde het Vakbureau 11.650 leden tegen het NVV 36.685. Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog was de verhouding 29.048 om 84.261, vier jaar later 69.139 om 159.449. Tussen 1918 en 1921 verdubbelde het ledental van het Vakbureau ruim tot 146.030 (plus 76.891), terwijl het NVV groeide naar 247.748 (plus 88.299) leden in 1920. Als gevolg van de economische neergang daarna verloren zowel het NVV als het Vakbureau veel leden. In 1926 telde het Vakbureau nog maar 90.475 leden tegen het NVV, dat toen net weer in de lift zat, 190.179 (Harmsen en Reinalda, p. 430-431).

Het viel de sociaaldemocraten bitter tegen dat de katholieke vakorganisatie, die huns inziens afbreuk deed aan de belangenstrijd van de arbeiders, vaste voet aan de grond kreeg. Zij konden zich eenvoudigweg niet voorstellen dat de katholieke arbeiders tegen hun belangen in organisaties bleven steunen die het werkersbelang schaadden. ´De godsdienst, de aanvaarding van het gezag, de traditie, het erbij willen horen, de sociale pressie bleken meer gewicht in de schaal te leggen (bij de katholieke arbeiders) dan de socialisten verondersteld hadden´ (Harmsen, Perry en Van Gelder, p. 80). In de meest vriendelijke terminologie was er sprake van ´misleiding´. Vaker werden de katholieke arbeiders en hun leiders bestempeld als ´onderkruipersgebroed´ dat zich uitputte in ´eerloos verraderswerk´.

Voor de katholieke clerus vormde het socialisme, in casu de sociaaldemocratie, het allergrootste gevaar voor kerk en geloof. Samenwerking met de socialisten moest de katholieke arbeiders en hun voormannen derhalve liefst verboden maar tenminste doorlopend ernstig ontraden worden, zoals de Limburgse hoofdalmoezenier van de arbeid  Henri Poels schreef aan zijn baas de bisschop van Roermond d.d. 15 oktober 1917: `Wij moeten met angstvallige zorg blijven waken tegen het volstrekt niet denkbeeldige gevaar, dat onze katholieke arbeiders een enigszins vertrouwelijken omgang met socialisten … als iets natuurlijks gaan beschouwen. Wanneer wij willen dat, zij in de socialisten de gevaarlijkste vijanden blijven zien voor hun kostbaarsten schat, het heilige geloof, alsook voor hun waarachtig welzijn hier op aarde, dan moeten wij de socialisten ook steeds en overal als zoodanig behandelen. Als we de ene dag met de socialisten vriendschappelijk omgaan, is het moeilijk ze de andere dag weer als onze grootste vijanden te behandelen. De katholieke arbeiders zullen dit niet begrijpen (…)´ (Harmsen, Perry en Van Gelder, p. 82).

Roomsche leiders over elkaar…

‘Mgr’ Antoine van Wijnbergen, midden, voorzitter van de Algemene Bond van R.K. Kiesverenigingen

Jan van Rijzewijk, voorzitter RK Vakbureau (1909-1925)

`Van heel je geleuter nemen wij geen notitie meer`

Jan van Rijzewijk, voorzitter van het R.K. Vakbureau over Antoine baron van Wijnbergen, voorzitter van de Algemene Bond van R.K. Kiesverenigingen in Nederland

Piet Haazevoet (secretaris RK Vakbureau)

´Een ezel met blauw bloed in de aderen, blijft een ezel´

Piet Haazevoet, secretaris van het R.K. Vakbureau over Antoine baron van Wijnbergen

´Wij willen van harte hopen, dat het nog niet te laat is om een grote opruiming te houden onder het demagogengebroed, dat het Roomse volk regelrecht naar het socialisme voert´

L.G. Kortenhorst, secretaris van het Algemeen R.K. Werkgeversverbond over katholieke vakbondsvoormannen

Voor de katholieke vakbondsvoormannen was samenwerking met de socialistische vakbeweging vooral een kwestie van opportuniteit of tactiek, zoals voorzitter Jan van Rijzewijk het op 2 oktober 1912 noemde tijdens de bestuursvergadering van het Vakbureau. Als zonder samenwerking niets te bereiken viel, was zij noodzakelijk. Samenwerking was uit den boze als het niets opleverde, als de vakbondsleden onvoldoende (ideologisch) onderlegd waren en, eventueel, als de geestelijk adviseur het verbood. In het laatste geval was beroep mogelijk bij het kerkelijk gezag. (R.K. Vakbeweging, september 1913).

In de praktijk bleek samenwerking onontkoombaar. Met name In de jaren rond de eerste wereldoorlog begonnen katholieke en sociaaldemocratische vakorganisaties elkaar ´luidkeels scheldend´ steeds meer te vinden bij het afsluiten van landelijke cao´s, zoals Perry schreef. Het aantal arbeiders dat onder een cao viel steeg van 23.000 in 1911 via 80.000 in 1917 tot 270.000 in 1920, op een beroepsbevolking van 2 miljoen nog steeds slechts een fractie (Perry, p. 262-264).

De Eerste Wereldoorlog

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd nauwere samenwerking bevorderd doordat de vakorganisaties betrokken werden bij de uitvoering van de noodzakelijke crisismaatregelen. Maar tegen het einde van de oorlog deed oplopende sociale en politieke onrust afbreuk aan de nationale eensgezindheid. Oorlogswinsten en export van voedingsmiddelen en industriële producten stonden in schril contrast tot massale werkloosheid, nijpende voedseltekorten en snel stijgende prijzen. Er braken voedselrellen uit in de grote steden in het westen van het land. Er kwam een golf van stakingen. Ook de katholieke arbeidersklasse bleef niet onberoerd. Ook in de katholieke vakbondsbladen werd het asociale gedrag van de (katholieke) ondernemers aan de kaak gesteld. Het plunderen van broodkarren door hongerende arbeiders werd weliswaar niet goedgekeurd maar kon wel rekenen op begrip. In de loop van 1917 gingen ook de Tilburgse textielarbeiders en Limburgse mijnwerkers in staking. Het episcopaat voelde zich geroepen om op 25 september 1917 het katholieke volk op het hart te drukken om de maatregelen van de overheid inzake de voedselcrisis te respecteren en ´verbitterde kritiek´ achterwege te laten.

Kanunnik Johannes Gerardus van Schaik, geestelijk adviseur van het RK Vakbureau

De geestelijk adviseur van het Vakbureau, J.G. van Schaik, waarschuwde de aartsbisschop op 7 maart 1918 voor de ´heersende neiging bij meerdere arbeidersvoormannen´ tot samenwerking met de sociaaldemocraten. Het Vakbureau werd het met NVV, NAS en CNV eens over een gemeenschappelijk pakket van eisen ter leniging van de voedselnood. De samenwerking ketste ten slotte af omdat het Vakbureau zich niet vast wilde leggen op deelname aan een gezamenlijke demonstratie of een algemene, politieke, staking als de eisen niet werden ingewilligd.

De Tweede Kamerverkiezingen van 1918

De invoering van het algemeen mannenkiesrecht in 1917 bracht 400.000 nieuwe kiezers waarvan een kwart katholieke arbeiders. Er was gerede twijfel aan hun loyaliteit aan de katholieke politieke eenheid. Het Vakbureau wierp zich op als de politiek hoeder van de katholieke arbeiders. De kiesverenigingen waren immers niet berekend op de zogenaamde ´kiezerskweek´, de politieke opvoeding van de katholieke arbeiders. Als die aan de kiesverenigingen werd over gelaten dreigde een electorale ramp, waarschuwde Kees Kuiper in de R.K. Vakbeweging. In ruil voor hun politiek ontwikkelingswerk moest de katholieke arbeidersbeweging wel ruimhartig tegemoetgekomen worden zowel wat betreft het katholiek verkiezingsprogramma als op het punt van de kandidaatstelling voor de Tweede Kamer. Met één arbeiderskandidatuur zoals bij de vorige verkiezingen in 1913 waren de katholieke arbeiders niet meer te paaien schreef Jos Serrarens in de R.K. Vakbeweging (6 september 1917): `En als dan in 1918 onze politieke organisatie, onze Staatspartij ook enige, niet één maar minstens eenige Roomsche arbeiders in de Kamer brengt, dan zal de soc. dem. Vakbeweging de hoop op kunnen geven (…), dat onze arbeiders het verwaarlozen hunner belangen door de Katholieke politici beu, in de rode rijen terechtkomen´. Voor de katholieke vakbondsmannen had ´die ene katholieke lijst´ wel de voorkeur maar ´heilig´ was die niet, voegde Kuiper er dreigend aan toe (Van Meeuwen, p. 136-138).

De katholieke kandidaatstelling van 1918

In 1916 werd het Vakbureau publiekelijk terechtgewezen door het episcopaat vanwege het ´heimelijk drijven´ in strijd met het bisschoppelijk verbod op de vermenging van sociale en politieke actie. De akte van berouw die het Vakbureau op 22 januari 1918 moest publiceren was opgesteld door de ´loopjongen van de bisschoppen´, de voorzitter van de Algemene Bond van R.K. Kiesverenigingen in Nederland, ´Mgr.´Antoine baron van Wijnbergen. Desondanks bleven de katholieke vakbondsvoormannen lobbyen voor arbeiderskandidaturen voor de Tweede Kamer. Met als resultaat dat er zes arbeidersvoormannen op verkiesbare plaatsen prijkten op de katholieke kandidatenlijst voor de Tweede Kamer bij de eerste verkiezingen onder algemeen mannenkiesrecht en evenredige vertegenwoordiging: Piet Haazevoet, Kees Kuiper, Hendrik Engels en G. Bulten (van de niet bij het Vakbureau aangesloten onderwijzersbond) werden op 3 juli 1918 rechtstreeks gekozen net als Henri Hermans en Charles van de Bilt van de standsorganisatie. Van Rijzewijk kwam als eerste plaatsvervangend kamerlid in december 1918 in de Tweede Kamer. `De Roomsche arbeidersbeweging is een der machtigste steunpilaren geworden van Katholiek Nederland´, triomfeerde de R.K. Vakbeweging (18 juli 1918).

Het katholieke verkiezingsprogramma was gebaseerd op de wensen van de katholieke sociale organisaties. Het overtrof de wensen van het Vakbureau waar het sprak over de wettelijke regeling van de arbeidsbemiddeling, de werkloosheidsverzekering en ´de eerste voorzichtige stap naar de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie´ door het betrekken van de belanghebbenden bij de uitvoering van de sociale zekerheid (Van Meeuwen, p. 148). Terwijl het Vakbureau gevraagd had om de tienurige arbeidsdag, beloofde het katholiek verkiezingsprogramma de achturendag. Triomfantelijk stak het de sociaaldemocraten de ogen uit: `Nu nog streven naar de tienurendag, zoals de SDAP deed in haar verkiezingsprogramma, was achterhaald. Wij leven thans inderdaad in een tijdperk van snelle evolutie, een evolutie, die door de R.K. Staatspartij is begrepen, doch welks tempo voor de S.D.A.P. kennelijk te snel is` (R.K. Vakbeweging, 4 april 1918).

De Algemene Bond won bij de verkiezingen vijf Kamerzetels en werd met dertig van de honderd zetels de grootste partij in de Tweede Kamer, gevolgd door de SDAP die van 15 naar 22 zetels ging. Ook in het katholieke zuiden boekten de sociaaldemocraten verontrustende stemmenwinst.

De protestant-christelijke partijen ARP (+ 2 zetels) en CHU (- 3 zetels) moesten berusten in een door de eerste katholieke formateur, priester-politicus Willem ‘Wiel’ Nolens, gevormde christelijke coalitieregering onder de eerste katholieke minister-president jhr. Mr. Charles Ruijs de Beerenbrouck. Het nieuwe kabinet, dat werd geïnstalleerd op 9 september, beloofde ´een krachtig maar gematigd beleid´.

Katholiek verweer tegen revolutionair gedrijf

Nog voordat Troelstra op 12 november in de Tweede Kamer de politieke macht opeiste uit naam van de Nederlandse arbeidersklasse, gingen de katholieken over tot tegenactie. De katholieke Kamerleden verenigd in de Katholieke Kamerclub beraadde zich al op 6 november over het ´revolutionair gedrijf in den lande, waaraan de S.D.A.P. niet vreemd schijnt te zijn´. Twee dagen later installeerde de fractie een commissie, waarin Haazevoet en Engels zitting hadden, die moest onderzoeken hoe ernstig de situatie was en welke middelen ter verweer de Kamerclub ter beschikking stonden. Enig besluit werd er niet genomen (Notulen van de Katholieke Kamerclub, 6 en 8 november 1918). Aan de orde kwam ook de vraag of de katholieke arbeiders trouw zouden blijven aan het wettig gezag: ´Men dacht van wel, maar achtte het raadzaam een oogje in het zeil te houden´ (Bas Kromhout, Handen af van onze koningin in: Historisch Nieuwsblad, oktober 2013).

De katholieke Kamerclub na de verkiezingen van 1918

De katholieke arbeidersvoormannen waren evenmin zeker van de volgzaamheid van hun achterban. Daarom werd In de arbeiderspers slechts mondjesmaat aandacht besteed aan de revolutiedreiging. Te veel ruchtbaarheid kon de katholieke arbeiders alleen maar op slechte ideeën brengen. De eerste voorzichtige waarschuwing tegen ´mogelijke oproepen tot revolutie´ verscheen pas op 14 november in de R.K. Vakbeweging. Rustig afwachten was de boodschap: ´Wij, onze Katholieke Vakbeweging, zijn een factor van maatschappelijke opbouw (…). Mannen, waakt dus, en doet vooral niets zonder het advies van Uw Vakbond´. Het Katholieke Volk opende de volgende dag met de kop: ´Wanorde betekent hongersnood´. Lang niet alle katholieke arbeiders vonden het vanzelfsprekend dat zij de katholieke kastanjes uit het revolutionaire vuur zouden halen. Bij de bespreking van de ´revolutionaire stromingen´ in de Katholieke Kamerclub, zei boerenvertegenwoordiger L.N. Deckers dat een deel van de katholieke arbeiders het helemaal niet erg zou vinden ´als er wat herrie kwam´ (Notulen van de Katholieke Kamerclub, 8 november 1918).

Ook de socialistische ´revolutiedrijvers hoopten en verwachten dat de katholieke arbeiders zich in ieder geval niet zouden laten spannen voor het karretje van de contrarevolutie. Troelstra rekende erop dat de katholieke spoorwegarbeiders in het geval van een algemene werkstaking mee zouden werken aan het stilleggen van het treinverkeer.  (Scheffer, p. 148)

Omdat de katholiek sociale organisaties, de arbeidersbeweging voorop, veel beter dan de politieke organisatie in staat bleken het katholieke volk te mobiliseren tegen het revolutiegevaar, moest de Kamercommissie het tegeninitiatief uit handen geven aan het Hoofdcomité van de Katholieke Sociale Actie, dat door het episcopaat werd erkend als ´Enig Algemeen Comité van Actie voor de Katholieken van Nederland ´. Zo wist de KSA, die nauw verbonden was met het Vakbureau, zich vlak voor zijn opheffing in 1925 wegens geldgebrek voor een keer de centrale rol toe-eigenen die zij vanaf haar oprichting in 1904 had nagestreefd, terwijl haar initiatiefnemer Piet Aalberse als minister van Arbeid de sleutelfiguur was in de sociale hervormingspolitiek die voortvloeide uit 1918.

Het cruciaal aandeel van de katholieke vakbeweging in het afweren van de revolutie bleek uit de samenstelling van het Hoofdcomité. Van Rijzewijk was voorzitter, Engels was penningmeester terwijl ook Johannes Antonius Schutte, Jan Hellemonds (voorzitter van de katholieke spoorwegarbeidersbond), Leo Guit (voorzitter van het katholiek georganiseerd overheidspersoneel en J. Zwaga (voorzitter van de katholieke transportarbeidersbond) deel uitmaakten van het comité.

De katholieken verdedigden de bestaande maatschappelijke orde ook met wapens in de hand. Terwijl Henri Poels betrouwbare, bewapende Limburgers naar de Randstad stuurde om het leger bij te staan bij de handhaving van de openbare orde, namen in het zuiden de burgerwachten en de vrijwillige Landstorm die taak op zich. Volgens Perry bood Maastricht op 13 november het aanzicht van een militaire vesting: `Niet alleen het station en alle openbare gebouwen werden bewaakt, maar ook de voornaamste kerken (!), fabrieken, banken en magazijnen`. Geloof en kerk, monarchie en vaderland, bezit en gezin, vrouwen en kinderen werden tot inzet gemaakt van de katholieke contrarevolutionaire acties´ (Perry, p. 249-257).

De dag na Troelstra´s rede in de Tweede Kamer kwamen de katholieke sociale organisaties bijeen in het Haagse restaurant Riche in aanwezigheid van Poels en kapitein Munnikrede van de generale staf, die officieuze medewerking van de legerleiding aan het katholiek verweer toezegde. Na de bijeenkomst riepen de katholieke stands- en vakorganisaties het katholieke volk in een gemeenschappelijk manifest op om massaal trouw te betuigen aan koningin, regering en vaderland.

Aanhankelijkheidsdemonstratie van katholieke arbeidersbeweging na de mislukte revolutie op het Haagse Malieveld

De landelijke apotheose van het katholiek verweer vond plaats op zondag 17 november op de Haagse Houtrust in Den Haag waar 40.000 katholieken met oranje strikjes hun aanhankelijkheid aan het koninklijk huis demonstreerden. De dag na het afblazen van de revolutie door het gezamenlijk congres van SDAP en NVV op 16 en 17 november trokken nog een keer duizenden katholieke demonstranten van het gebouw van de Haagse R.K. Volksbond naar het Malieveld waar koningin Wilhelmina de geregisseerde trouwbetuigingen van het volk persoonlijk in ontvangst kwam nemen. Daarnaast waren er katholieke oranjemanifestaties in Amsterdam, Rotterdam, Haarlem, Rijswijk, Delft, Utrecht, Nijmegen en Den Bosch. Op 2 december betoonden de gezamenlijke katholieke en protestants-christelijke sociale organisaties in het Haagse Gebouw van Kunsten en Wetenschappen nog eens hun trouw aan het koningshuis.

Volgens Treub werd de koningin door de katholieken misbruikt ´als onwillekeurige propagandiste voor de R.K. Staatspartij en de r.k. vakorganisatie´. Het viel de liberale politicus kennelijk moeilijk de versterking van de machtspositie van de katholieke burgerij tegenover de liberale ´bibberbourgeoisie´ te accepteren. Die had zich voor een deel al bij voorbaat bereid verklaard zich neer te leggen bij de nieuwe situatie. H. Scheffer, de historicus van de ´novemberrevolutie´, betwijfelde of de regering wel zo resoluut tegen Troelstra´s revolutionaire voornemens zou zijn opgetreden en of het leger de situatie het hoofd had kunnen bieden als onder het volk geen tegenbeweging was op gang was gekomen: `Het meest spectaculair was de katholieke actie. Men reageerde als het ware bij voorbaat en toen de vermoedens over de revolutie bewaarheid leken te worden, pareerde men onmiddellijk met effectieve maatregelen´ (Scheffer, p. 277-278).

Het katholiek aandeel in de verdediging van de bestaande orde werd indertijd volmondig erkend. `Schitterend is de actie geweest welke door de Katholieke vereenigingen, speciaal de arbeidersvakvereenigingen, werd gevoerd. Aan hen heeft Nederland zijn behoud te danken. Dit werd zelfs openlijk door de liberalen erkend. Op een dag werd op de Rotterdamsche beurs, voor ondersteuning van de katholieke vereenigingen, een ton bijeengebracht´, noteerde Aalberse in zijn dagboek. Tijdens het hoogtepunt van de beroering schreef inlichtingenofficier Hodenpijl: ´Overal vergaderingen, overal strooibiljetten tot opwekking der orde. De katholieken weren zich geducht, een katholieke minister is nu veel waard … ´ (Scheffer, p. 148).

Volgens Maas (p. 233) waren de katholieken zich voortaan ´duidelijker dan voorheen bewust van hun toegenomen macht en invloed´. Zij werden in ieder geval niet moe zichzelf op de borst te kloppen. In de terugblik van Kamerlid Jan Bomans, vader van Godfried, op 1918 spatte het katholiek triomfalisme van elke pagina: ´Wij, Katholieken, hebben zonder twijfel het grootste aandeel gehad aan de afweer der Revolutie (…). Maar, nu niet onze loftrompet te hoog gestoken en gesnoefd. Dat hebben WIJ, Katholieken, dat hebben WIJ gedaan, alsof WIJ het alleen deden´, citeerde hij het Eerste Kamerlid professor Alphons Steger. Volgens Bomans werden de scheidslijnen tussen de katholieke standen in het zuiden in het katholieke verweer gewist: ´Wanneer men u vraagt: Wie zijt gij? Zult gij dan antwoorden: Arbeiders? Of gij anderen, zult gij zeggen: Middenstanders te zijn of Landbouwers of Ambtenaren? Wanneer men ons vraagt wie wij zijn, dan zal ons gezamenlijk antwoord wezen de grote getuigenis van de volheid van ons leven: Godlof, wij zijn Katholiek! ´ (J.B. Bomans, Scheuring in de R.K. Staatspartij of een afgeperst verweer. Haarlem, z.j. p. 29 en 47)

Met Troelstra´s terugtocht was de revolutiedreiging niet meteen van de baan. Begin 1919 deden hardnekkige geruchten de ronde over een op handen zijnde spoorwegstaking met politieke implicaties vanwege het uit 1903 daterende stakingsverbod. Kuiper noemde de intrekking van de worgwetten in de R.K. Vakbeweging ´gewettigd en verstandig´ omdat zij getuigden van wantrouwen in de vakorganisatie. In de Kamerclub werd hij terecht gewezen. Zijn medevakbondsvoorman Haazevoet verwoordde het fractiestandpunt: de stakingswetten waren principieel juist, georganiseerd overleg was geboden. Op grond van de informatie die zij kreeg van de diocesane geestelijk adviseurs liet de inlichtingendienst Aalberse weten dat het bestuur van de katholieke bond van overheidspersoneel in het geval van de staking de kant van de regering zou kiezen maar dat het verwachtte dat 80% van de leden het stakingsparool op zou volgen. Volgens de inlichtingendienst stonden juist de spoorwegarbeiders in het zuiden ´vrij positief´ tegenover een staking.

De revolutiedreiging versterkte de positie van de katholieke arbeidersbeweging binnen de katholieke zuil in wording. Terwijl De Maasbode naar aanleiding van Kuiper´s maidenspeech in de Tweede kamer op 15 oktober 2018 nog smalend schreef over de ´veel- en mooipraterij´ van de ´parlementaire novitii´, die het ´beter meer in het denken dan in de hoeveelheid woorden´ zochten (R.K. Vakbeweging, 24 oktober 1918), werden de arbeidersvoormannen een maand later de hemel in geprezen.

Naar den nieuwen tijd

Piet Aalberse, minister van Arbeid (1918-1925) in het kabinet-Ruijs de Beerenbroek

De steun van de katholieke vakbeweging aan de verdediging van de bestaande orde was niet onvoorwaardelijk. In een adres aan de regering onder de titel Naar den nieuwen tijd verlangde de katholieke arbeidersbeweging een aantal crisismaatregelen en sociale hervormingen als tegenprestatie. Al op 13 november hadden de leiders van het Vakbureau een ´royaal overleg´ met Aalberse dat volgens de R.K. Vakbeweging een ´ruime bevrediging van de arbeiderswensen´ opleverde. Een dag later werden de regeringsfracties bij elkaar geroepen om hun fiat te geven aan de toegezegde sociale hervormingen. Aalberse bond de confessionele Kamerleden aan de toezegging dat zij niet terug zouden krabbelen zodra de toestand weer rustig zou zijn (Gribling, p. 325). De nota inzake de arbeiderswetgeving, waarin Aalberse de voorgenomen sociale maatregelen op een rijtje zette, werd op 29 november goedgekeurd door de Kamerclub (Notulen van de Katholieke Kamerclub, 29 november 1918).

De Arbeidswet van 1919 bracht de invoering van de achturige werkdag en de 45-urige werkweek in fabrieken, zij het met ruime uitzonderingsbepalingen en een overgangstijd van twee jaar met een maximale werkweek van 48 uur. Voor het winkelpersoneel werd de maximale werkweek bepaald op 55 uur. Nachtarbeid werd gebonden aan een drieploegenstelsel en verboden voor vrouwen. Werken op zondag werd beperkt tot het strikt noodzakelijke (H.L. Bakens en L. Opheikens, Schets van het arbeidsrecht, p. 36-43). Ook introduceerde de wet de instelling van de Hoge Raad van Arbeid, de voorloper van de SER via welke de vakbeweging en de werkgeversorganisaties werden betrokken bij het sociaaleconomisch beleid. De eerste vergadering vond plaats op 20 februari 1920.

Ook lokaal stelde de katholieke arbeidersorganisaties met succes eisen aan de gemeentelijke sociale politiek in ruil voor steun aan het contrarevolutionair verweer, vooral gericht op de verbetering van de rechtspositie van het gemeentepersoneel (Van Meeuwen, p. 159, 162).

Verraad aan de arbeiderszaak?

De verdediging van de bestaande maatschappelijke orde in ruil voor sociale hervormingen was geen ´verraad aan de arbeiderszaak´, zoals de sociaaldemocraten de katholieke arbeidersvoormannen graag in de schoenen schoven. Volgens Harmsen en Reinalda (p. 128, 132) waren ook de SDAP en het NVV er eerst en vooral op uit om de revolutie-angst onder de burgerij om te zetten in klinkende sociale munt. Het program van eisen vastgesteld op het gecombineerde congres van partij en vakbeweging kwam na de inwilliging van de wensen van de katholieke vakbeweging door de regering op 13 november als mosterd na de maaltijd. Voor zover de eisen verder gingen dan de sociale hervormingen van het kabinet-Ruijs, zoals de staatspensionering op zestigjarige leeftijd in plaats van 65, werden ze door de regering van de hand gewezen. De sociale voorstellen die Ruijs aankondigde in de Tweede Kamer werden door de SDAP instemmend begroet.

De katholieke vakbondsleiders konden de door de regering-Ruijs toegezegde sociale hervormingen ´met recht mede toeschrijven aan het werk van hun organisaties´, zoals Maas schreef (Maas, p. 229-230). Dat de sociale dankbaarheid en welwillendheid van de (katholieke) burgerij slechts van korte duur was en met de achteruitgang van de economische toestand in het begin van de jaren twintig de roep om het terugdraaien van de sociale verworvenheden van 1918 steeds sterker werd, deed daar niets aan af. De katholieke arbeidersvoormannen begrepen maar al te goed dat het sociale gezicht van de katholieke burgerij in 1918 te danken was aan de angst voor de revolutie en de twijfel aan de loyaliteit van de katholieke arbeiders. Daarom hielden zij het revolutiespook graag zo lang mogelijk levend. Slechts voor zover de juichkreten over de tot de katholieke sociale beginselen bekeerde katholieke werkgevers gemeend waren, kon gesproken van verwijtbare naïviteit.

Binnen de sociaaldemocratie streden revolutionair socialisme en reformisme om voorrang. In de eenheidsresolutie die werd aangenomen op het partijcongres van 1919 werd weliswaar in beginsel gekozen voor de legale parlementaire weg, maar de revolutionaire optie werd niet helemaal afgezworen. Het handhaven van Troelstra als politiek leider vormde misschien een roerend blijk van aanhankelijkheid, maar scheepte de SDAP op met de erfenis van zijn dramatische vergissing. De ambivalentie van de sociaaldemocratie stelde de burgerlijk politieke partijen in staat te blijven hameren op haar revolutionair karakter. De katholieke burgerij en geestelijkheid hadden daarmee een effectief wapen in handen om samenwerking tussen de katholieke vakbondsvoormannen en de sociaaldemocraten te blokkeren.

De katholieke vakbeweging stond daar indertijd niet zonder meer afwijzend tegenover. Zo opperde Kuiper bij de intrede van de katholieke arbeidersvoormannen in de Tweede Kamer na de verkiezingen van 1918 de mogelijkheid van samenwerking met de SDAP in het belang van de sociale verzekeringswetgeving. Een maand voor Troelstra´s vergissing vond Nolens het nog nodig de leden van de Kamerclub te waarschuwen ´dat te grote vertrouwelijkheid met leden uit de andere fracties, vooral met de socialisten, niets anders dan onaangename gevolgen kan hebben´.

De novembergebeurtenissen vormden voor de katholieke vakbeweging ook niet direct een reden om met de sociaaldemocraten te breken. De katholieke vakbondsmannen hoopten oprecht dat de reformisten het pleit binnen de SDAP zouden winnen. Zij bleven voorlopig incidenteel bereid tot samenwerking. In maart 1920 stemden Van Rijzewijk, Haazevoet en Kuiper voor een motie van de SDAP waarin gevraagd werd om de invoering van een zevenurige werkdag in het mijnbedrijf. Een half jaar later wist Nolens de vakbondsmannen amper te weerhouden van steun aan een motie van SDAP-er Jan van den Tempel inzake werkloosheidsuitkeringen. `Onze houding zal uiteraard moeten zijn de regering te steunen`, hield hij hen voor.

De kentering in de verhouding tussen de katholieke vakbeweging en de sociaaldemocratie kwam, toen de SDAP eind 1919 een propagandaoffensief begon in het katholieke zuiden. De katholieke arbeidersbeweging verzette zich met hand en tand tegen deze ´socialistische overval´. Het inzetten van de economische recessie en de sociale reactie die volgde, maakte de katholieke arbeidersbeweging extra kwetsbaar voor sociaaldemocratische kritiek op haar ´verantwoorde opstelling´ tegenover de afbraak van de sociale verworvenheden van 1918 en steun aan de christelijke coalitieregering. Van verbroedering, vriendschappelijke samenwerking en mogelijke politieke toenadering was absoluut geen sprake meer.

Jos van Meeuwen

November 2018

Geraadpleegde literatuur

J.P. Gribling, P.J.M. Aalberse 1871-1948. Utrecht, 1961

G. Harmsen en B. Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid. Beknopte geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging. Nijmegen, 1975

G. Harmsen, J. Perry en F. van Gelder, Mensenwerk. Industriële vakbonden op weg naar eenheid. Baarn, 1980

A.F. Maas, Sociaal-democratische gemeentepolitiek in katholiek Nijmegen 1894-1927. Nijmegen, 1974

J. van Meeuwen, Lijden aan eenheid. Katholieke arbeiders op zoek naar hun politiek recht (1897-1929). Hilversum, 1998

J. Perry, Roomsche kinine tegen roode koorts. Arbeidersbeweging en katholieke kerk in Maastricht, 1880-1920. Amsterdam, 1983

J. Roes, Katholieke arbeidersbeweging in historische banen. Inleidende beschouwingen oer achtergronden, fasen en aspecten, in: J. Roes (red.), Katholieke arbeidersbeweging. Studies over KAB en NKV in de economische en politieke ontwikkeling van Nederland na 1945. Baarn, 1985 (p. 15-75)

H.J. Scheffer, November 1918. Journaal van een revolutie die niet doorging. Amsterdam, 1986