Het geheugen van de vakbeweging

Joodse arbeiders en hun voorliefde voor de Oranjes

ANDB en SDAP zorgen voor verandering

Er bestaat een clichébeeld: wie in de tweede helft van de 19e eeuw een arme arbeider was, werd vanzelf socialist en wie socialist was, was tegen het Oranjehuis. Niet alle arbeiders voldeden aan dat beeld, joodse arbeiders tot de jaren ’80 van de 19e eeuw zeker niet. Karin Hofmeester schetste de achtergronden hiervan tijdens de bijeenkomst Oh, oh, Oranje, Arbeiders en het Koningshuis, op 17 oktober 2013.

(vlnr) Dolf de Levita, Henri Polak en Jos Loopuit, diamantbewerkers die Joden proberen te winnen voor het socialisme(vlnr) Dolf de Levita, Henri Polak en Jos Loopuit, diamantbewerkers die Joden proberen te winnen voor het socialisme

Waarom waren joodse arbeiders niet socialistisch en anti-vostenhuist? Hoe kwam dat ? Zat daar ontwikkeling in? Om antwoorden te geven op deze vragen wil dit artikel een historisch overzicht geven van de band tussen joodse arbeiders en het vorstenhuis, te beginnen in februari 1887. Die maand bezoekt koning  Willem III Amsterdam. Ontevreden Amsterdammers (het is crisis, er heerst werkloosheid, een half jaar eerder was al het Palingoproer geweest) richtten hun woede op ‘de socialisten’. Deze rellen tussen Oranje- aanhangers en socialisten gaat ‘Oranjefurie’ heten.   Tijdens een van deze rellen werd het café De Leeuw van Waterloo op het Waterlooplein bestormd door een groep van honderd inwoners uit de jodenbuurt en een flink aantal inwoners uit de Jordaan die het café van de SDB’er Paulus Jacobus Penning kort en klein sloegen en plunderden.

Plunderbende

In anonieme ingezonden brief in Recht voor Allen (het blad van de SDB) 5 maart 1887 werd gesteld: ‘de plunderbende was samengesteld uit twee hoofdelementen: ten eerste stedelijke politiemanen in uniformen en burgerkleedij (…) en ten tweede uit Joden’. De joden waren volgens de briefschrijver door de rabbijnen opgestookt om de socialisten te lijf te gaan. (…) Het zoo algemeen vijandig optreden der niet-denkende Joden rechtvaardigt volkomen het vermoeden dat in de Synagogen, al is het niet met dezelfde woorden, opruiende taal is gebezigd.’ Joden konden dit maar beter niet doen: ‘laten de Joden een blik op het overige Europa werpen voor ze de verdeeldheid nog vermeerderen en daarmede hun eigen vrijheid op ’t spel zetten’, aldus de briefschrijver, die vervolgens een dreigend betoog over het antisemitisme in Duitsland begon.

Liefde voor het koningshuis

Hoe kwam het dat joodse arbeiders, of liever, minderbedeelden uit joodse buurt want het waren niet alleen loonarbeiders maar ook kleine zelfstandigen, zo dol waren op het koningshuis? Deze voorliefde was deels abstract en deels pragmatisch, maar niet heel erg persoonsgebonden zoals tegenwoordig vaak het geval is. Die abstracte voorliefde is terug te voeren op een regel uit de Talmoed (de rabbijnse commentaren op de wetten vastgelegd in de Tora) voor joden in diaspora: respecteer de overheid van het land waar je woont, oftewel ‘dina de-malchoeta dina’ het recht van het land is het (geldende) recht. Dat houdt niet alleen in dat het Nederlandse wetboek in de meeste gevallen voorgaat op de Halacha (de joodse wet) maar ook dat er trouw aan het centrale gezag wordt verwacht.  De vorst van land heeft een van god gegeven macht.

Symboolpolitiek

Deze trouw aan de centrale macht heeft een lange geschiedenis in Nederland en begon bij Willem van Oranje die ‘ons land bevrijd heeft van de Spanjaarden’ die verantwoordelijk waren geweest voor de Inquisitie die veel joden de dood in had gedreven en nog veel meer joden tot vluchtelingen hadden gemaakt. Die vluchtelingen vonden  juist in de Republiek een veilig heenkomen. De zoon van Willem van Oranje, Willem Frederik,  bezocht in 1642 de toenmalige Portugese synagoge en zette daarmee de toon voor latere stadhouders en Oranje vorsten en vorstinnen. Het gaat hier vooral om symboolpolitiek, maar wel een symboolpolitiek die in de meeste van de ons omringende landen volstrekt ondenkbaar was. Die traditie van synagogebezoek zet zich voort tot de dag van vandaag.
De meer pragmatische oorzaak van de Oranjeliefde van veel joodse Nederlanders is hierboven al even kort aangestipt. Joden werden in 16e en 17e eeuw toegelaten tot Republiek en er nooit meer uitgegooid, dat gold zowel voor de  meer welgestelde joden uit Spanje en Portugal, als voor de armere joden uit Midden- en Oost-Europa. Er was – zeker ten aanzien van joden en zeker in vergelijkende zin – een behoorlijke mate van religieuze tolerantie in de republiek. Maar: per stad kon het stadsbestuur  besluiten joden al dan niet toe te laten.

Hoogste gezag

Juist het boven de locale partijen staan van het ‘hoogste gezag’ van de stadhouder  was gunstig in de ogen van joden: stadsbesturen konden je toegang  en poorterschap weigeren, het stadsbestuur leunde op het bestuur van gildes en schutterijen en die konden op hun beurt joden als lid weigeren. Op lokaal niveau hoefden joden van bestuurders vaak niet veel te verwachten, maar stadhouders en later vorsten benadrukten op nationaal niveau graag inclusiviteit en eenheid. Dit werd door een groot deel van de joodse bevolking geďnterpreteerd als: de vrijheid en de bescherming die we in de Republiek genieten, komt van ‘de Oranjes’. Uiteraard kregen joden pas in de Bataafs-Franse tijd (1795-1813), toen de Oranje Nasssau’s in Engeland zaten, echt gelijke burgerrechten kregen. Meer dan eens wezen latere socialistische leiders erop dat de echte gelijkheid niet van de Oranjes afkomstig was, maar van de revolutionairen…

Afkeer van het socialisme

Hoe stond het er eind 19e eeuw nu precies voor met de verhouding tussen vorst en joodse arbeiders? Als we ons beperken tot Amsterdam: hier woonde meer dan de helft van alle Nederlandse joden, in totaal zo’n totaal 55.000. Daarvan was een flink deel onbemiddeld. Door de economische concentratie in de handel en een  beperkt aantal ambachten waarvan de  diamant-, sigaren-, en confectie-industrie de belangrijkste waren, was de groep kwetsbaar. En het cliché beeld ‘als je arm bent kom je in opstand en word je socialist’. Gold dat dan niet voor joodse arbeiders? Waarom waren zij in eerste instantie zo afkering van socialisme? Als joodse arbeiders al mochten stemmen (de meesten waren tot 1887 door het census kiesrecht te arm om voor kiesrecht in aanmerking te komen), stemden ze liberaal, want de liberale politicus Bram Wertheim was ‘een van hen’. Daarnaast was er ook een rationeel motief voor een stem op de liberalen: het  liberalisme was de ‘drager’ van de idealen van Franse revolutie: de vrijheid en gelijkheid die ook voor joden tot hun gelijke rechten had geleid. Voor veel joodse armen was de materiele steun van de joodse religieuze gemeente waartoe ze behoorden belangrijk en bovendien waren velen van hen ook nog echt gelovig. Zo bestond er een combinatie van trouw aan het geloof en aan wereldlijke het gezag (dat wil zeggen de Oranjes) die lastig te verbreken was en die er bovendien door de  preken van de rabbijnen steeds opnieuw werd gevoed.

Antisemitisme

Het grootste deel van de minder bedeelde joden woonde in de jaren ’80 van de 19e eeuw nog in de jodenbuurt, er waren weinig buurt- en geloofsgenoten of familieleden in de actief in de socialistische beweging en de paar die er waren werden met de nek aangekeken. Bovendien werd de enkele jood die lid was van de SDB door de partij zelf ook beschimpt want er bestond behoorlijk wat antisemitisme binnen de partij. Om maar een zin uit Recht voor Allen te citeren: “dat wij den jood beschouwen als vleeschwording van het kapitalisme dat wij haten”. Dat alles bij elkaar maakte dat er meer enthousiasme voor het koningshuis, dan voor het socialisme bestond in de Jodenbuurt.

Joden en het socialisme

Rond 1890 raakten drie jonge joodse diamantbewerkers, Jos Loopuit, Henri Polak en Dolf De Levita desondanks begeesterd door socialisme van Franc van der Goes. Ze traden toe tot de SDB en probeerden joodse arbeiders over te halen hetzelfde te doen, onder andere door het geven van lezingen en het uitgeven van brochures. Zo hield De Levita op 29 februari 1892 in lokaal Amicitia op het Waterlooplein een toespraak met de titel ‘Joden en Socialisten’. Hij probeerde tijdens zijn toespraak te achterhalen waarom de meeste joden zo’n afkeer van het socialisme hadden en droeg hun Oranjegezindheid als voornaamste reden aan. Willem Speelman, een joodse, socialistische koopman, gaf ter gelegenheid van het prinsessenfeest voor de verjaardag van kroonprinses Wilhelmina in1890 de brochure Het beloofde land Kanaän of de komst der Messias uit, met daarin de volgende strenge vermaning:

Israëlieten. Uw feestroes is voorbij. Welnu, zegt mij eens wat hebt gij gewonnen. Is H.H.K. Wilhelmina gekomen om U, werkeloze proletariërs brood te verschaffen en uw kinderen, U neringdoende Joden, aan voedsel en kleederen te helpen en bekommert zij zich ook wel daarom? Neen! Niet waar? Hadt gij uwe gelden, arme geloofsgenoten, die hij voor feestviering en flikflooierij verspild hebt niet tot verzachting uwer ellende en die van uw dierbaar kroost kunnen besteden…

Het Centrum

In oktober 1892 richtte Willem Speelman samen met de diamantklover Bram Reens  Het Centrum op, een politieke club die zich specifiek richtte op propaganda voor het socialisme onder joden. Vanaf februari 1893 ging Het Centrum Ons Blad. Socialistisch Orgaan voor Israelieten uitgeven, waarin vaak werd gerefereerd aan ‘joodse thema’s’: de bevrijding van joodse arbeiders uit hun armoede werd vergeleken met de bevrijding van het joodse volk uit de slavernij in Egypte, maar ook waren er veelvuldige aanvallen op religieuze leiders, op religieus onderwijs en op het vorstenhuis te vinden in Ons Blad
Niet alleen serieuze lezingen en artikelen werden ingezet om joodse arbeiders te overtuigen hun liefde voor het vorstenhuis in te ruilen voor een voorkeur voor het socialisme, ook ludieke acties werden ingezet. Tijdens het officiële bezoek van koningin-regentes Emma en haar dochter koningin Wilhelmina aan de jodenbuurt voorzag Reens enkele honderden Centrumleden van speelgoedfluitjes, waarmee men de vorstinnen op een oorverdovend kabaal trakteerde.
Tegen deze specifiek op joodse arbeiders gerichte anti-Oranje acties kwam uiteraard protest uit kringen van joodse religieuze leiders. Tijdens zijn Pesach rede van 1893 stelde opperrabbijn Dünner: ‘ reeds nu hoort men de vraag opperen: wat toch heeft Oranje voor Israel gedaan? Deze vraag kon volgens Dünner alleen gesteld  worden door mensen die zich in niets onderscheiden dan ‘door onwetendheid, ruwheid en woestheid, die niets te verliezen hebben omdat zij nooit iets bezaten’
Wat joden te danken hadden aan Oranje waren volgens Dünner geloofsvrijheid en tolerantie. Als joden zouden ophouden met dankbaar zijn zou het slecht kunnen aflopen, hij hoefde alleen maar te verwijzen naar het oprukkende antisemitisme in de omringende landen. Het is een interessant gegeven dat zowel kritische SDB leden als boze opperrabbijnen dreigden met het gevaar van het opkomende antisemitisme, de een om joden op te roepen lid te worden van het socialisme, de ander om zich dar juist van af te keren…

ANDB

Aan het eind van de 19e eeuw ontwikkelde zich – als gevolg van verschillende economische en politieke ontwikkelingen– een sterke vakbeweging, waarbij in Amsterdam vooral de positie van de diamantbewerkersbond ANDB opviel. Zowel de ANDB als de SDAP wonnen na 1894 terrein onder de joodse arbeiders, vooral onder dat deel dat begin 20e eeuw verhuisde vanuit de traditionele jodenbuurt naar de nieuwe wijken in Amsterdam Oost,  zoals de  Transvaalbuurt en de Oosterparkbuurt. De rol van ‘ons’ joods socialistische trio Polak, Loopuit en de Levita  bij het werven van de joodse arbeiders voor de ANDB en de SDAP was groot.
Wat was het uiteindelijke effect van deze overstap? Veel joodse arbeiders werden losgeweekt van hun trouw aan ‘de vorst’ en ‘de rabbijn’, in plaats daarvan kwam de identificatie met vakbondspolitiek en politiek op lokaal niveau.Maar dat ging niet zonder slag of stoot en soms sloten beide loyaliteiten elkaar ook niet uit. Nog in 1898 ontstond er een conflict tussen de SDAP en Handwerkers Vriendenkring, een in 1869 opgerichte vereniging ter  ‘verbetering van de zedelijke en stoffelijke toestand’ van joden . Handwerkers Vriendenkring zorgde voor (vak)onderwijs, maar ook voor ziekenzorg en leningen en veel geschoolde joodse arbeiders waren lid van de Vereniging. Beide organisaties zaten samen in een comité dat de festiviteiten rond 1 mei organiseerde, maar het bestuur van Handwerkers Vriendenkring liet tijdens een vergadering weten ook mee te willen doen aan de kroningsfeesten. Prompt wilde de SDAP niet meer samenwerken met de Handwerkers Vriendenkring, waarvan in elk geval het bestuur en wellicht ook de leden nog steeds pro Oranje waren maar tegelijkertijd ook in waren voor een 1 mei viering. Deze combinatie van loyaliteiten kwam zeker niet alleen bij leden van Handwerkers Vriendenkring voor…
Karin Hofmeester
17 november 2013