Het geheugen van de vakbeweging

Johan van Rens (FNV)

“Europese integratie gaat langzaam en je wilt altijd meer”

 

Nog voor in oktober 1972 de vrije studierichting Rechten te hebben afgerond aan de Rijksuniversiteit Utrecht krijgt Johan van Rens het moeilijkste examen dat hij ooit heeft ondergaan. In een kennismakingsgesprek met Wim Reynaerts, wetenschappelijk adviseur van het NKV, wordt zijn kennis getest van de Macro Economische Verkennningen (MEV), een jaarlijks rapport van het Centraal Planbureau (CPB) ten behoeve van de Rijksbegroting. Hij mag door naar de volgende ronde, een gesprek met een sollicitatiecommissie. Daarna blijft het even stil, totdat hij definitief is afgestudeerd en wordt gebeld voor een gesprek over de arbeidsvoorwaarden. Van Rens blijkt tot zijn eigen verrassing te zijn aangenomen. Een week na zijn afstuderen neemt hij binnen het Wetenschappelijk Bureau van het NKV de plaats in van Jan van Greunsven, die zelf Co Alders is opgevolgd als bestuurder Internationale Zaken. Een vakbondsloopbaan die meer dan 20 jaar zal omvatten, neemt een aanvang. Aandacht voor ‘Europa’ is daarin een constante.

Johan van Rens:
Intensief trekken aan Europese integratie

Johan van Rens: “In mijn studie had ik al aandacht voor Europa en de sociale dimensie daarvan. Ik volgde de colleges Europees Recht van Pieter VerLoren van Themaat en Arbeidsrecht van Van der Ven. Joop van der Ven was de eerste voorzitter van de Sociale Verzekerings Raad (SVR) en was lang betrokken bij de voorbereiding van de jaarlijkse Internationale Arbeidsconferenties in Geneve. Ik keek tijdens mijn studie ook naar het Arbeiderszelfbestuur in Joegoslavië dat destijds erg in de belangstelling van de vakbeweging stond. Vanwege het studieproject inzake de de fusie van Hoogovens met het Duitse Hoesch kwam ik voor mijn deel van het project in contact met de Metaalbond van het NVV. De vraag die we bespraken was: welk recht moet op zo’n internationale fusie van toepassing zijn en hoe zou de medezeggenschap het best geregeld kunnen worden?”

“De eerste maanden trok ik met Co Alders op, een autoriteit binnen NKV, maar ook binnen de internationale vakbeweging. Die ging officieel pas op 1 januari 1973 weg. Hij introduceerde me onder meer bij de Europese commissie van het Wereldverbond van de Arbeid (WVA), de internationale organisatie waarbij het NKV was aangesloten. Daarna moest ik op eigen benen staan. Gelijktijdig met de Britten, Denen en de Ieren, die net lid van de Europese Gemeenschap waren geworden, kwam ik in het Europees Economische en Sociaal Comité (ECOSOC) terecht. Binnen het NKV werd ik betrokken bij de voorbereiding van het beleid met betrekking tot Europese onderwerpen en namens het NKV kwam ik in de SER-commissie voor Internationale Sociaal Economische Aangelegenheden (ISEA). Ook schreef ik mee aan de internationale paragrafen van Een visie ter visie, de beleidsvisie die binnen het NKV aan de vooravond van op federatiegerichte besprekingen met NVV en CNV werd opgesteld. Die visie paste geheel in de radicalisering die zich in vakbeweging en samenleving voordeed. Het was zeker geen zoetsappig stuk, maar herinner me niet dat de discussie daarover echt opwindend was.”

Met Wim Kok naar Italië en Frankrijk

“Tot aan 1975 vond veel voorbereiding van internationaal vakbondsbeleid plaats binnen de commissie Internationale Zaken van het Overlegorgaan van de vakcentrales. We werkten daarin mee aan de internationale onderdelen van onder meer SER-adviezen. Die dan later op bestuurlijk niveau werden afgetimmerd. Met de vorming van de FNV kwam daaraan een einde. Als later de wonden tussen FNV en CNV zijn geheeld, komt de samenwerking weer op gang met de MHP als derde partner. Van dat overleg word ik secretaris.”

Met Wim Kok op pad – FNV-delegatie bij EVV-bestuursvergadering 1979.
Vlnr Johan van Rens, Elske ter Veld, Wim Kok, Piet Damming, Wim Spit

“De totstandkoming van de FNV leidde ertoe dat ik samen met Wim Kok onder meer naar Italië en Frankrijk ben geweest om uit te leggen hoe de fusie tot stand was gekomen. Dat deden we ook binnen het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV), waarin inmiddels de meeste organisaties van de Europese organisatie van het WVA waren opgenomen. We merkten toen dat het wel wat uitmaakte of je namens 400.000 leden, zoals het NKV, 700.000 leden, zoals het NVV, of meer dan 1 miljoen leden sprak. Dat legde toch wat meer gewicht in de schaal.”

“De Europese integratie was het centrale deel van het internationale beleid van de FNV. In de statuten stond dat ‘Europa’ moest uitgroeien tot een federatie open  voor alle democratische Europse landen. Nu staat er, dat de FNV zich stelt achter een sociaal en democratisch Europa . Vraag me af welke SP-er dit erin gefietst heeft. Je vindt er nu geen enkel woord over federatievorming en integratie. In de 70-er en 80-er jaren – tot aan de Val van de Muur – hebben we daar intensief aangetrokken. Daarin onderscheidden we ons wel ten opzichte van sommige andere vakcentrales. Bij het eerste Europa-referendum in Groot-Brittannië in 1975 heeft Wim Kok geprobeerd de TUC General Council ervan te overtuigen dat ze vóór moesten stemmen. Binnen de FNV ging de discussie vooral over ‘verdieping’ van de Europese samenwerking. We wilden een democratischer en socialer Europa. Dat standpunt huldigden we ook toen de communistische regimes in Oost-Europa omvielen. Eerst verdiepen, dan pas ‘verbreden’. Met name de Engelse maar later ook de DGB en andere vakcentrales dachten er anders over. Kunnen die nieuwe democratieën wel zolang wachten, vroegen zij zich af. De uitkomst was dus ‘verbreding’ in de hoop dat echte ‘verdieping’ zou volgen.”

‘Sociaal protocol’ ondergewaardeerd

“Overigens, de verdieping die desondanks heeft plaatsgevonden wordt naar mijn mening ondergewaardeerd. Het Europees Parlement wordt sinds 1979 rechtstreeks gekozen. De rechten ervan zijn geleidelijk aan uitgebreid. Daarnaast is er een sociaal protocol gekomen waarvan de betekenis wordt gebagatelliseerd. De gelijke beloning van mannen en vrouwen, gelijke behandeling in de sociale zekerheid en op de arbeidsmarkt,uitgebreide regels op het terrein van veiligheid en gezondheid, het gemeenschappelijk landbouwbeleid, sociale maatregen in het vervoer, waaronder de invoering van de tachograaf ter bescherming van de arbeidstijden van vrachtwagenchauffeurs, bevordering van goedgeregelde deeltijdarbeid, de invoering van de Europese ondernemingsraad… Er is voortgang geboekt, al duurt het allemaal lang en wil je altijd meer.”

FNV-delegatie bij IVVV-congres in Stockholm.
Vlnr Madeleine van Laar, Jan van Greunsven, Wim Kok, Johan van Rens, Tom Etty, Henne Pauli, Henk Leemreize, Karin Adelmund, Tine Lochtenbergh en Freek Thomasson

“Wim Kok heeft zich ook in zijn hoedanigheid van EVV-voorzitter erg in gespannen voor versterking van het EVV. Aanvankelijk was het EVV een organisatie van min of meer sociaaldemocratische vakcentrales in West Europa (nadat bij de oprichting moeizaam was besloten dat het niet alleen de vakcentrales uit de E.G zou omvatten), in feite min of meer de regionale organisatie van het IVVV. Na uitbreiding met Europese organisaties van het WVA en de van oorsprong communistische Italiaanse CGIL waren er in de tweede helft van de jaren zeventig nog vele aanvragen voor lidmaatschap. Enkele communistische vakcentrales – uit Frankrijk en Portugal – bevonden zich daaronder. Daar stonden meerdere organisaties en ook de FNV aanvankelijk huiverig tegenover. Ook binnen de FNV was in de jaren zeventig de Koude Oorlog nog niet voorbij… Dat heeft ertoe geleid dat er criteria werden opgesteld, waaraan nieuwe toetreders moesten voldoen. Na daarop te zijn getoetst konden vele aanvragende organisaties toetreden, behalve de Franse CGT, die pas veel later uiteindelijk tot het EVV werd toegelaten. De ontwikkeling van het EVV  tot de enige werknemersvertegenwoordiger binnen Europa is een vrij lang en moeizaam proces geweest, dat zich later na de val van de Muur heeft voortgezet met organisaties uit Oost-Europa”

“Onder Johan Stekelenburg is de FNV verder gegaan om het EVV organisatorisch hechter te maken.  Het was ons een doorn in het oog dat de sectororganisaties, de vakbondscomités, niet echt in de structuur waren opgenomen, net als de interregionale vakbondsraden,  en dat de financiële basis erg wankel was. Het EVV was veel te afhankelijke van EU-middelen. Deze voorstellen waren geen gelopen race. De Scandinavische vakcentrales vreesden een uitholling van hun functie, die als nationale koepel erg sterk was. Verhoging van de contributie vormde weer een probleem voor de TUC, die van oudsher nogal armlastig is. Mijn betrokkenheid bij de doorvoering van het ‘plan-Stekelenburg’ is me persoonlijk kwalijk genomen door de Scandinavische organisaties en heeft bijgedragen aan het mislukken van mijn kandidatuur voor de functie van secretaris-generaal van het EVV in mei 1991. Zoals ook de stevige opvattingen van de FNV bijvoorbeeld over kernenergie en de boycot van Zuid-Afrika, waar de sterkste Europese bond IG Metall zich heftig tegen verzette, dat hebben gedaan.”

Te vroeg pleidooi voor samengaan IVVV en WVA

“Een teleurstelling voor mij was het late samengaan van IVVV en WVA. In mijn eerste toespraak voor de Gemertse studiedagen, de traditionele start van het werkseizoen binnen het NKV, had ik al een pleidooi gehouden voor een vergroting van de samenwerking. Het was wellicht wat ingewikkeld, in ieder geval viel het(buiten de FNV, die zich steeds voor grotere eenheid heeft ingezet) nog niet in vruchtbare aarde. Meer dan een kwart eeuw later – in 2006 – gingen IVVV en WVA op in het Internationaal Vakverbond (IVV). Dat heeft veel te lang geduurd. Je kunt je nu afvragen wat de meerwaarde er uiteindelijk van is geworden.”

“De organisatorische versterking van het EVV was een belangrijk aandachtspunt voor de FNV. Maar ook op inhoudelijk terrein hebben we ons laten gelden. Waarbij we nieuwe richtingen probeerden aan te geven. De 35-urige werkweek of 10% arbeidsduur verkorting in vier jaar was bijvoorbeeld een idee dat door ons in het EVV is ingebracht en dat in verschillende landen zijn doorwerking heeft gehad. ‘Vrede en ontwapening’, het heeft nogal wat voeten in de aarde gehad voordat het EVV daarover een standpunt had ingenomen. Ook binnen de Nederlandse vredesbeweging leidde dat ertoe dat we steeds voor tweezijdige ontwapening hebben gepleit, waar anderen een eenzijdige ontwapening voorstonden.”

“Jarenlang heb ik Wim Kok ondersteund bij zijn internationale activiteiten. Samen hebben we vele landen bereisd. Ik bereidde de bezoeken voor, schreef veel ontwerpen voor zijn toespraken. Een bijzondere ervaring betreft de ondersteuning van de Poolse vakcentrale Solidarnosc. Ook daarin namen we een eigen positie in vaak samen met de DGB. Na het laatste bezoek aan Polen, toen we op Schiphol arriveerden, kregen we het bericht dat de staat van beleg was uitgeroepen. De inzet voor Polen en Solidarnosc heeft ons beiden erkenning en veel later onderscheidingen opgeleverd voor onze betrokkenheid bij de strijd voor een vrije vakbeweging. Het was een enerverende tijd.”

“Mijn samenwerking met Kok ging nog even door toen hij in 1985 door de toenmalige Europese Commissie-voorzitter Jacques Delors werd uitgenodigd om een beleidsnota te schrijven over de sociale aspecten van de invoering van nieuwe technologieën. Binnen de FNV werd dat onderwerp opgepakt in een werkgroep Industrie- en Technologiebeleid. De opvattingen waren destijds nogal conservatief. Desondanks wisten we dat om te zetten in een vooruitstrevend actieprogramma.”

“Bij het aantreden van Hans Pont in 1986 verlegde ik mijn aandacht van versterking van het EVV naar versterking van de FNV-organisatie. Het streven werd gericht op een vergroting van de Doelmatigheid en de Doeltreffendheid. De FNV zat toen in zwaar weer, het ledental daalde, het ledenbestand was een afspiegeling van de arbeidsmarkt van de jaren vijftig. Onder Stekelenburg kreeg de vernieuwing van de FNV toch wel enig elan. We slaagden erin de aanhang onder vrouwen en nieuwe werknemers te versterken. Ook kwam met de vorming van Bondgenoten een zekere versterking tot stand. Maar de echte organisatorische doorbraak is pas recentelijk gekomen, met de fusie van de grootste bonden in Vakbond FNV.”

Cedefop

In 1994 ga ik na meer dan 20 jaar bij de FNV weg. Ik word dan directeur van Cedefop, het Europees Centrum voor de Ontwikkeling van het Beroepsonderwijs. Vanwege de komst van de Europese Centrale Bank (ECB) naar Frankfurt, wordt besloten dit instituut, dat in Berlijn was gevestigd, naar Thessaloniki te verplaatsen. Daar mocht ik direct mijn tanden inzetten. Tot mijn teleurstelling was de EVV-betrokkenheid bij Cedefop beperkt. De werkgevers, verenigd in UNICE, lieten zich evenmin gelden en verzetten zich tegen de ondersteuning van de sectorale sociale dialoog . Van onze kant probeerden we onze onderzoeksresultaten in te brengen in de Sociale dialoog, het structurele overleg van de Europese Commissie met de sociale partners.”

“Maatschappelijke ontwikkelingen kennen een golfbeweging. Thomas Piketty onderkende ‘gouden jaren’, van 1948 tot 1978, die voor werknemers veel goeds hebben gebracht. De welvaart is ongelijk  verdeeld en wordt schever. Het vervolg van die ontwikkeling heeft veel marktintegratie laten zien, maar niet de politieke controle die daarbij hoort. De vakbewegingis in die ontwikkeling te veel een papieren tijger geweest. Daar ligt nog steeds een mooie uitdaging voor de Europsese Unie en voor het EVV.”

Kees van Kortenhof
Jeroen Sprenger

Juni / juli 2016

Juni / juli 2016