Het geheugen van de vakbeweging

Jo de Groot

Aan streven naar groter samenwerkingsverband heb ik met overtuiging meegewerkt

Kort nadat wij – dat zijn Toon Keetelaars, Dirk van der Pouw en ik – als propagandist bij de R.K. Houtbewerkersbond St. Antonius van Padua in dienst waren getreden, werden we naar Limburg gestuurd, waar de organisatiegraad bijzonder laag was. We hadden nog acht gemeenteklassen, maar geen enkele Limburgse gemeente – zelfs Maastricht niet – zat in de hoogste klasse. Daar moest wat aan gedaan worden.

Van maandagmorgen tot en met vrijdagmiddag waren we met ons drieën op propagandapad. We gingen heel brutaal een houthandel, een klompenmaker of een meubelbedrijf binnen en dan vroegen we of de mensen een uur eerder mochten ophouden en of we daar een propagandapraatje mochten behouden. Dat lukte in die tijd wonderwel. In vlammende speeches zetten we dan de Limburgse situatie af tegen het zogenaamde ‘verlichte Noorden’. Daar hadden we erg veel succes mee. ’s Avonds gingen we met een club van afdelingsbestuurders op huisbezoek. Ook dat had erg veel succes. Het resultaat was ernaar. In pakweg acht maanden schreven we 1.000 nieuwe leden in. Doordat de leden van het toenmalige dagelijks bestuur -Van der Post, Van Hees en De Groot sr. – tegen de zestig liepen, maakten wij vrij vlot promotie. Bijna 25 jaar vormden Keetelaars, Van der Pouw en ik daarna de kern van het bestuur van St. Antonius. In 1948 werd ik tweede man achter mijn vader. Dat ging vrij goed. Hij was een vrij harde kerel, die geen onderscheid maakte tussen mijn persoontje en anderen. Hij gooide je echt in de vijver. Als je goed kon zwemmen kwam je aan de kant, anders verzoop je.

Jong broekje
Tot mijn opperste verbazing werd ik in 1953 tot voorzitter gebombardeerd – met 8.000 stemmen voor en 18 tegen. Als jong broekje werd ik daarmee gepoot tussen Klaas van der Berg, de voorzitter van de Algemene Bond en Piet Westdijk, de voorzitter van de Christelijke Bond. De drie bonden werkten samen in de bedrijfsunie, waarvan ik ongevraagd voorzitter werd. Ik voelde me zelf eigenlijk nog te jong voor dat spul. Maar ja, omdat de Christelijke Bond de kleinste was, kwam zij niet in aanmerking voor het voorzitterschap. De Algemene Bond en wij waren even groot; de Algemene Bond was zeer gecharmeerd van het secretariaat en daarom bleef er niets anders over dan dat de man van de Katholieke Bond het voorzitterschap van de bedrijfsunie op zich nam. De samenwerking in de bedrijfsunie was altijd voortreffelijk, zonder meer. Dat lag natuurlijk ook aan de personen. In 1954 werd deze samenwerking opgebroken. Nadat de bisschoppen in hun mandement hadden gesteld dat het lidmaatschap van het NVV voor katholieken was verboden, trad het NVV uit de Raad van Vakcentrales en traden de NVV-bonden uit de bedrijfsunie. Wij kregen een briefje van de Algemene Bond, waarin stond: Mijne heren – niet Waarde vrienden, maar Mijne heren – bij deze is, gelet op het mandement, de samenwerking volledig verboden. Punt uit. Voor het bondsblad heb ik toen een hoofdartikel geschreven, waarin ik dat mandement heb verdedigd. Dat zieleheil, die gevaren van het kijken buiten de deur, daar geloofde ik in. Dat leefde zo in heel de katholieke vakbeweging. Weliswaar werd er aan de borreltafel wat kritiek geuit over de toonzetting. Ik vroeg me ook af: “moet het nou zo?” Maar daar bleef het bij.

Onvoorstelbaar
Het gezag van het episcopaat in de katholieke vakbeweging was erg groot. Ik heb mijn vader – en die was rood; die stemde in de gemeenteraad tegen de zin van Romme, die toen KVP­-fractievoorzitter was, gewoon met de communisten mee -wel eens horen zeggen: “Als de bisschop spreekt, gehoorzaam ik”. Ja, en die houding heb ik een beetje meegekregen. Maar als ik dat artikel nu nog bekijk, dan verbaast het me gewoon, dat ik zoiets heb kunnen schrijven. Daar kom ik eerlijk voor uit. Dat zou nu onvoorstelbaar zijn. Wat zijn we sindsdien toch geëmancipeerd, wat zijn we toch meer onszelf geworden. Toch had ik, wat niemand wist, wel gesprekken met Klaas van der Berg, hoewel de samenwerking formeel was opgezegd. Ik kwam ook wel bij hem thuis. Je kan rustig stellen, dat we informeel een aantal zaken doorspraken, voordat we gingen onderhandelen over een nieuwe cao. Na enige maanden ontstond er enig begrip voor onze situatie, het werd duidelijk dat wij het mandement ook graag anders geschreven hadden gezien. En natuurlijk waren er de belangen van de mensen, die noodzaakten met elkaar te praten. In 1958 hebben we een contactorgaan Hout- en Meubelbedrijven opgericht. Daar ben ik ook weer voorzitter van geworden. Dat contactorgaan was ook vrij pittig; de bonden schreven geen brief naar de werkgeversorganisaties, dat deed het contactorgaan namens ons drieën.

Doorstoten
In de jaren zestig gingen we in ons eigen NKV denken over het samenwerken in grotere verbanden. We waren tot de conclusie gekomen, dat we met 24 bonden niet voldoende kracht konden ontwikkelen. We wisten toen al, dat die concentraties niet zouden ophouden bij de NKV-grens, dat we zouden moeten doorstoten naar het NVV en het CNV. Ik heb aan dit streven naar grotere samenwerkingsverbanden met overtuiging meegewerkt. Maar ik ben een tegenstander geweest van het bij elkaar vegen van mensen. In de verbondsraad van het NKV heb ik altijd – als die zaak ter sprake kwam – gezegd: “Ik doe daaraan mee, maar ik ben niet van plan de houtbewerkersbond in drie delen te splitsen – een stuk naar de bouw, een stuk naar de industrie en een stuk naar de detailhandel. Ik wil de garantie hebben dat die groep bijeen blijft”. Voor dit standpunt had ik de volledige steun van mijn bondsraad gekregen. Vervolgens ging de kwestie spelen: waarheen? We stonden voor de keuze naar de industrie of naar de bouw te gaan. Ik heb daar een paar maanden over moeten nadenken. Met mijn collega’s kon ik daar nauwelijks over praten. Uiteindelijk heb ik binnen onze club gezegd: ‘Wij horen bij de bouw”. Dat was heel wat. We waren namelijk van jongs af ingeënt met de gedachte, dat het woord ‘fusie’ al zonde was, laat staan dat je een voorstander zou zijn van een fusie met de bouwarbeidersbond, waarmee een eeuwige strijd werd gevoerd om de timmerfabrieken, waarmee altijd fel werd gevochten…

Uitgangspunt
Maar wat was mijn uitgangspunt? Er was sprake van dat de Algemene Bond ook zou kiezen voor de bouw. De Christelijke Bond had al in 1955 gekozen voor de bouw. Dan zou het waanzinnig zijn dat wij in NKV-kring naar de industrie zouden gaan. Daarnaast – en dat was niet het onbelangrijkste – leerde ik Brouwer, de voorzitter van de bouwarbeidersbond, in die tijd goed kennen. Hoe typisch het ook mag klinken, we konden elkaar goed vinden in onze opvattingen over maatschappij~ inrichting, over grotere eenheid in de vakbeweging. Ook gaf hij mij de indruk dat wij als kleine groep houtbewerkers binnen die grote groep bouwarbeiders ons eigen beleid mochten voeren. Ik heb eerst mijn dagelijks bestuur moeten overtuigen, daarna mijn hoofdbestuur, mijn bondsraad en vervolgens een zevental districtsvergaderingen. Daar heb ik persoonlijk de keuze voor de bouw verdedigd. Met wat emoties, dat is duidelijk. Je voelde dat we naar liquidatie gingen, maar ik klaarde het.

Eigen beleid
Ik moet zeggen dat Brouwer zijn beloften volledig heeft waargemaakt. Op ons liquidatiecongres in december 1971 heeft hij gezegd: “Jullie kunnen, mogen en moeten in dat grote bouwgebeuren een eigen beleid voeren. Die ruimte zal geschapen worden. En vanaf nu staan er geen achtduizend mannen meer achter jullie maar 80 ŕ 85 duizend”. We hebben een eigen beleid kunnen voeren, hoewel we natuurlijk geen bond in de bond zijn. Ook op districtsniveau speelt de hout goed mee. Bij de afdelingen ligt dat wat anders. Op verschillende plaatsen blazen de houtjongens hun partijtje goed mee. Als je het zo bekijkt, ben ik niet ontevreden. Maar doordat de activiteiten van de afdelingen grotendeels op de bouw zijn gericht, hebben we wat kaderleden verloren. We zijn er niet volledig in geslaagd aan de mensen over te brengen dat hun belangen binnen de bouw- en houtbonden goed worden behartigd. We hebben een goed functionerende landelijke vakgroepsraad, maar de leden daarvan worstelen ook met het probleem: hoe bereik ik de werkers in het land om te laten zien dat de houtgroep niet verzopen is, dat die groep een eigen beleid voert en dat over hun belangen zeer uitvoerig wordt gepraat.

Gerust gemoed
Het heeft me verbaasd, dat er mensen zijn die denken dat ik geen propagandist ben van de federatievorming tussen de bouw- en houtbonden en tussen de bouw- en houtbonden en tussen de vakcentrales. Dat is gewoon in strijd met mijn hele loopbaan in de vakbeweging. Ik vind alleen dat die samenwerking geleidelijk aan gestalte moet krijgen. En als ik nu in ons federatiekantoor kijk, dat geldt ook voor de FNV, dan geloof ik dat we met een gerust gemoed naar 1981 kunnen stevenen. We zijn naar elkaar toegegroeid, we weten wat we aan elkaar hebben en we weten ook dat we niet over elkaar heen kunnen lopen. Daarbij moet ik wel opmerken dat ik mijn teleurstelling over het afhaken van het CNV moeilijk heb kunnen verwerken. Misschien hadden we ze toch een paar jaar de mogelijkheid moeten geven om zaken aan principiële uitgangspunten te toetsen. Dan hadden ze gemerkt dat dat nauwelijks nodig zou zijn. Maar ja, dat is nakaarten…. De vakbeweging heeft heel wat bereikt, dat is gewoon waar. Het is niet niets wat tot stand is gebracht. Maar we zijn niet goed in staat dat duidelijk te maken aan de ongeorganiseerden. ‘Ons product verkopen’, in de goede zin van het woord, dat kunnen we niet. Toen aan de WAO-uitkering een vakantietoeslag werd toegevoegd kregen niet de bonden de dankbetuigingen, neen, die gingen naar het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK). Die betaalde immers uit.

Eigen hand
In het kader van de sociale verzekering hebben we geen greep op onze mensen. De bouwbonden hebben een stukje van de uitvoering van de sociale verzekering in eigen hand gehouden, zodat de mensen kunnen zien dat het van hen komt. Ik heb wel eens gezegd, dat als ik nu opnieuw voor de keuze zou staan de administratie van de bedrijfsvereniging voor de meubel en hout door het GAK te laten verzorgen óf het op de manier van de bouw te doen, ik voor het laatste zou kiezen. Wat de kwaliteit betreft valt er niets op het GAK aan te merken. Maar de kwaliteit van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid is niet minder en daarnaast zien de mensen – door de plaatselijke vertegenwoordigers – veel beter dat de bond wat doet. Het is ook goed voor de organisatiegraad.
Er wordt op verschillende plaatsen gedacht over een centralisatie en een concentratie van de uitvoering van de sociale verzekeringswetten. Binnen de FNV hebben we een plan opgesteld om tot vijfhonderd regionale sociale verzekerings­kantoren te komen. In die vestigingen wil men een apart plaatsje scheppen voor de bouw. Als wij dan bij de bouw zouden kunnen worden ingedeeld, dan zou dat een goede zaak zijn. Het probleem is echter, dat als je dit wilt bewerkstelligen je de medewerking nodig hebt van de werkgevers in de meubel­en houtbedrijven. En ik ben bang dat dat op hevig verzet zal stuiten. Dat is ook wel begrijpelijk als je kijkt naar verschillende premielasten, die voor de bouw hoger zijn dan in de houtnijverheid.

Jaloers
Problemen van werkgeverszijde ondervinden we ook bij onze pogingen om tot een kleiner aantal cao’s te komen. Dat is een zaak die ons zeker tien ŕ vijftien jaar bezighoudt. Wij zijn wat dat betreft een beetje jaloers op de bouw. Want laten we eerlijk zijn: als je de bouw uitsplitst kom je misschien aan wel meer groepen dan bij ons. Toch hebben ze kans gezien één grote cao te maken. Wij zitten nog steeds met 7 landelijke en 20 bedrijfscao’s en met vier pensioenfondsen voor 60.000 werknemers. Dat is voor ons een handicap, die ons niet voor niets in de federatie de naam van een uiterst bewerkelijke groep heeft gegeven.
Ik heb er geen verklaring voor, waarom het ons niet lukt. We zouden er dolgraag een einde aan willen maken, bijvoorbeeld door een raam-cao met aparte bepalingen voor de afzonderlijke groepen, als meubel, houthandel emballage etcetera. Maar de werkgevers hebben geen volledig begrip voor de positie van de werknemers. Onlangs hebben we nog een poging gewaagd om in eerste aanleg wat kleinere groepjes bij elkaar te brengen. Zelfs dat is niet gelukt. De werkgevers voelen er niets voor om met elkaar aan één cao te werken. Het zal de taak zijn van de nieuwe ploeg in Woerden om een vermindering van het aantal cao’s tot stand te brengen.

Noot: Jo de Groot is in 1989 overleden.

(Eerder verschenen in Profiel nummer 15, 1978)