Het geheugen van de vakbeweging

Jan van Otterlo

De combinatie met het politieke werk heeft mijn vakbondswerk verlicht

Met groot enthousiasme spreken bestuurders en kaderleden nu nog over Jan van Otterlo. Voor velen was hij de grote inspirator tot het zetten van de eerste stappen in de bond. Aanvankelijk als plaatselijk bestuurder in Arnhem, later als districtsbestuurder in Gelderland en Utrecht, daaropvolgend als landelijk bestuurder en ten slotte – van 1964 tot zijn afscheid in 1973 – als bondsbestuurder. In het scholingswerk zijn nog steeds elementen terug te vinden, die op zijn werk zijn terug te voeren.

Van Otterlo werd in 1913 te Arnhem geboren, kwam in 1941 als plaatselijk bestuurder te Arnhem in dienst van de Algemene Nederlandse Bouwarbeidersbond (ANB) en ging in 1973 als bondsbestuurder van de Bouwbond NVV met pensioen. Thans woont Van Otterlo op het hoogste punt van Arnhem, op de Waterberg. Daar bewaart hij vele aantekeningen, boeken, brochures en andere herinneringen aan een actief leven. Aan de hand daarvan heeft hij in 1975 het herdenkingsboek ’75 jaar Moderne vakbeweging in Arnhem’ geschreven. Ook nadien werd hij door plaatselijke afdelingen – Arnhem, Veenendaal – benaderd om ter gelegenheid van jubileumvieringen uit zijn geheugen te putten.

De combinatie met het politieke werk heeft mijn vakbondswerk verlicht
“Het oprichten van nieuwe afdelingen was niet zo moeilijk. Ik had overal contacten. Maar ik had geen kader. Ik wist niet wat ik met die mensen aan moest, die maandstaten moesten opstellen waarin de contributie en de inkomsten en uitgaven voor wat de vakantiebonnen betreft moesten worden bijgehouden. Vanuit deze achtergrond ben ik begonnen met het scholingswerk in het district. Later werd dat de basis van de aanbevelingen, die in 1955 door de commissie ‘Leiding en leden’ zijn gedaan. Zelf was ik niet direct bij de opstelling daarvan betrokken. Maar bij de uitvoering des te meer. Op mijn achtste was ik al actief voor de ANB. Voor mijn vader, die secretaris van de afdeling Arnhem was, bracht ik convocaties rond. Ook ging ik met hem naar de contributie-afdrachten, de avonden waarop leden hun contributie kwamen betalen. Zo kwam ik met Eliza Verschoor in aanraking, mijn voorganger als plaatselijk bestuurder. Als Eimert Sinoo met zijn bekende lichtbeelden kwam, dan mocht ik de plaatjes in de toverlantaarn schuiven. Toen ik nog op de ambachtsschool zat, mocht ik al aan de jeugddagen van de bond deelnemen. Ik groeide dus al snel naar de bond toe.”

Jeugdgroep
“Dankzij de afdeling kwam ik in 1930 na de ambachtsschool bij een aannemer terecht, bij Van der Meijden en Zn. Tijdens dit dienstverband werd eerst de vervolg-opleiding timmerman gevolgd aan de avondschool. Daarna volgde ik privélessen om toelating te krijgen tot de zaterdag-MTS. En vervolgens behaalde ik het diploma Bouwkundig opzichter tekenaar. De kosten van deze opleidingen waren grotendeels voor Van der Meijden. Bij mijn werkgever, een redelijk groot aannemingsbedrijf, mocht ik al heel snel zelfstandig werken. De grote ‘Brusselse huizen’, die door hun omvang niet meer in hun geheel konden worden verhuurd, zijn onder mijn leiding tot twee, drie gezinswoningen verbouwd. Ik maakte de tekeningen, stelde de bouwplannen op, bestelde het materiaal en stelde de ploeg werknemers samen.
Ondanks de avondstudie en het drukke werk was ik ook secretaris van de jeugdgroep van de afdeling. Dat was mijn eerste functie binnen de bond. Met deze jeugdgroep organiseerden we lessen voor oudere vaklieden. Dat kwam zo. In de crisistijd was mijn vader vaak zonder werk. Om toch nog een beetje werk te krijgen mocht ik hem van mijn werkgever af en toe helpen. Eén van die klussen betrof het plaatsen van dakkapellen en het maken van kamertjes op de zolders van huizen in de Jufferstraat, in de wijk Klarendal. Op een gegeven moment moesten er in die huizen ook trappen worden vervangen. Ik zag mijn vader ronddwalen met een lat om de verdiepingshoogte te meten. Hij kwam er niet uit. En dat was eigenlijk de aanleiding om met de boeken ‘Metselen’ en Timmeren’ in de hand, ’s zondagsmorgens, twee zalen in ‘De Opbouw’ vol, theorieles te geven.

Op 10 mei 1940 stond ik ’s morgens om een uur of zes in de dakgoot van het huis van mijn ouders in de Creutzbergstraat. Van daaruit zag ik dat de Westervoortsebrug werd opgeblazen. Met die gebeurtenis begon voor mij de Tweede Wereldoorlog. Het werk bij de aannemer werd minder, waardoor op grond van de Duitse ontslagverordening, ontslag voor mij – de enige ongehuwde – dreigde. Halsoverkop trouwde ik toen. Enkele maanden later werd ik benoemd tot plaatselijk bestuurder. In mijn vrije tijd nam ik toen al het werk van Verschoor waar, die wegens ziekte daartoe niet meer in staat was. De zaak moest draaiende worden gehouden. Werklozen kregen hun uitkeringen via de bond. Ook gemeentelijke uitkeringen werden via de bond verzorgd. Dat moest doorgaan, ook voor mensen van de confessionele organisaties. Op 1 mei 1942 kwam daaraan een einde, toen de bezetter het NVV omvormde tot het Nationaal Arbeidsfront (NAF). Daarna volgde er een periode van werkloosheid zonder inkomen. Regelmatig moest ik de boer op om voor eten voor het gezin te zorgen, totdat ik in september 1942 in dienst kon komen van de Provinciale Voedselcommissaris.”

Districtsbestuurder
“Door de evacuatie van Arnhem, in september 1944, kwam ik na veel omzwervingen uiteindelijk in Zutphen terecht. Achter de Canadezen aan ging ik naar Arnhem terug. Daar kon ik me al heel snel weer installeren, omdat ik nog steeds beschikte over het volledige archief, het ledenregister en mijn schrijfmachine. Vanaf juni was ik weer voor de bond aan de slag. Dat kwam goed uit, want ook de bouwvakarbeiders keerden, vanwege het noodzakelijke herstel van Arnhem, weer snel terug. Persoonlijk kreeg ik in die periode een keuze uit vier betrekkingen. Nog steeds was ik in dienst van de voedselcommissaris. Voor het architectenbureau Feenstra werkte ik enige tijd als opnemer van de oorlogsschade in de wijk Paasberg. De weduwe van mijn oude werkgever, die op tragische wijze overleed, vroeg me de leiding van het bedrijf over te nemen. Maar ik besloot desondanks voor de bond te kiezen.
In 1951 werd ik districtsbestuurder als opvolger van Henk van Weeren. Al eerder was aan mij gevraagd hem, vanwege zijn ziekte, te vervangen. Toen er geen schijn van kans was dat hij terug zou keren, werd ik districtsbestuurder. Daardoor was ik staat overal afdelingen op te richten. Ga de Betuwe maar door. Zo was het ook op de Noordwest-Veluwe en op de Veluwe zelf. Daar had je veel mensen, die op boerderijen werkten, maar die later op militaire objecten kwamen te werken. Hun CAO werd door ons afgesloten. En dus werden er onder hen leden geworven. Het werven van geschikt kader bleek echter problemen op te leveren. Waren ze gevonden dan moesten ze worden geďnstrueerd en geďntroduceerd. Dit noodzaakte tot het op eigen houtje schrijven van handleidingen voor de verschillende functies in de afdelingen. Daarbij speelden mijn ervaringen en inzichten een grote rol. Naar aanleiding daarvan kwam op initiatief van de afdeling Arnhem de commissie ‘Leiding en leden’ tot stand. Zelf nam ik hieraan niet deel. Gelijktijdig volgde ik namelijk met zes andere vakbondsmensen – onder wie Jaap Gelens, die toen bij de Algemene Bond voor de Meubel en Hout werkte – een scholing voor scholingsleiders, die zo’n zes maanden duurde. Die opleiding was op indirecte mogelijk gemaakt door de Marshall­hulp. Toen Nederland na de oorlog Marshall-hulp kreeg verplichtte zij zich dat geld te zijner tijd terug te betalen. Uiteindelijk hoefde niet al dat geld naar de Verenigde Staten terug. Het mocht hier worden besteed. En een deel werd aan de drie vakcentrales ter beschikking gesteld voor scholings­activiteiten.
Het slot van deze cursus betrof de opleiding van gespreksleiders. Toen ik in 1958 werd benoemd tot bestuurder algemene dienst met als opdracht het scholingswerk, lag het accent de eerste drie jaar op het opleiden van gespreksleiders. Iedereen nam daaraan deel, kaderleden, beleidsmedewerkers, districtsbestuurders en bondsbestuurders. Van de nu nog actieve bestuurders, die afkomstig zijn uit het NVV, is iedereen bij mij op cursus geweest. In het huidige scholingswerk vind je nog steeds de wezenlijke dingen van het gespreksgroepenwerk terug.”

Het timmerkistje
“Voor het gespreksgroepenwerk reisde ik het hele land door. Leerde zo iedereen kennen. In Zeeuws-Vlaanderen had ik in een groep van vijftien cursisten wel vijf wethouders zitten. Aan die groepsgrootte heb ik me altijd gehouden. Ze waren nooit groter dan vijftien. Had ik er meer dan richtte ik gewoon nog een groep op. Anders werd het te moeilijk. Op de eerste cursusdag kwam ik al achter de achtergronden van mijn cursisten, namelijk bij de inventarisatie. Ik ben geen enkele cursus begonnen zonder aan alle cursisten te vragen: waar kom je vandaan, wie heeft je gestuurd, wat kom je doen, wat verwacht je ervan, wil je bezoldigd bestuurder worden? Ik schreef dan het linkerkant van het bord met de antwoorden vol. En rechts maakte ik dan aantekeningen over hoe ik daar tegenaan keek. Hoe ik bepaalde zaken thuis kon brengen. En noemde dan ook dingen die ze niet hadden genoemd. Zoals Banning, de grote man van de Woodbrookers, die tijdens de opleiding tot scholingsleider mijn mentor was, mij eens heeft gewezen op mijn calvinistische achtergrond. Hij had mij gevraagd wat ik zou gaan doen als ik niet meer bij de bond terecht kon. Toen heb ik hem verteld dat ik van huis uit timmerman was, net als mijn vader en mijn grootvader. En dat thuis mijn timmerkistje nog altijd klaar stond. `Je bent een echte calvinist’, zei hij, ‘want je houdt een mogelijkheid achter de hand om terug te kunnen vallen op je oude beroep’. Later heeft Banning vaak dit voorval in voorkomende gelegenheden aangehaald.
Op die manier kwam ik veel te weten. Hetgeen nogal eens tot emoties leidde. Ik heb wel eens ’s avonds aan het bed gezeten bij een grote zware kerel, die het allemaal teveel was geworden. Naast mijn bondswerk heb ik kans gezien in de gemeentepolitiek of in de provinciale politiek actief te zijn. Daarnaast heb ik menig uur gestopt in de woningbouwvereniging ‘Arnhem’. Op een gegeven moment werd ik benaderd voor een burgemeesterschap in het Land van Maas en Waal. In 1964 ging Cor Brandsma, die toen bondsvoorzitter was, net voor mij de Tweede Kamer in. Er waren momenten dat het allemaal moeilijk te combineren was. Maar toch denk ik dat het mijn werk heeft verlicht. Al die relaties waren behulpzaam bij het vakbondswerk. Ook in het scholingswerk.”

(Eerder verschenen in Stuwing ‘Levend verleden’- 2, juli 1992)