Het geheugen van de vakbeweging

Jan van Hoof: … vanaf het begin heb ik me thuis gevoeld binnen de FNV…

Van medewerker kleinvee-verzekering tot Algemeen Directeur

Jan van Hoof, een leven lang in de vakbeweging

“De vakbeweging heeft me gevormd, ‘de school van het leven’. Heb er zoveel kansen gekregen, wat ik ben geworden ben ik door de vakbeweging”. Het lijkt wat overdreven vriendelijk naar zijn oude werkgever, maar weinigen kunnen dat met zoveel recht zeggen als Jan van Hoof (1941). Zijn eerste baan was binnen de toenmalige Katholieke Arbeiders Beweging (KAB) en vanaf dat moment (1956) heeft hij de ontwikkelingen van KAB naar NKV en vervolgens naar FNV tot zijn afscheid in 1999 van nabij meegemaakt. Om vervolgens er nog 20 jaar activiteiten binnen de VHV aan toe te voegen. Nu, 78 jaar oud, vindt hij het wel welletjes…

Het gezin met drie kinderen, van wie Jan de oudste is, is een vakbondsgezin. Vader is voorzitter van de afdeling Ulvenhout van de bond voor fabrieksarbeiders St. Willibrordus. Zijn werk vindt hij in verschillende sectoren, een dakpannenfabriek, de bouw, bij een kabellegger, een suikerfabriek. Het emancipatorische ideaal van de KAB passen hij en zijn vrouw toe op zijn gezin. De kinderen moeten het beter krijgen dan zij. De zonen gaan naar de MULO, de dochter naar de huishoudschool. Maar na de driejarige opleiding moet er wel gewerkt worden.

Jan die ‘met lof’ de school heeft verlaten, solliciteert bij het Onderlinge Ziekenfonds (OZ) in Breda.  Hij kan daar beginnen, maar dan ziet hij een vacature bij de KAB. Jarenlang heeft hij thuis de gesprekken van het afdelingsbestuur met grote belangstelling gevolgd. “De liefde voor de vakbeweging is mij letterlijk met de paplepel ingegoten”. Deze kans om zijn hart te volgen laat hij dan ook niet lopen. Op 15 augustus 1956 stapt hij het kantoor van de KAB bisdom Breda binnen en begint daar als administratief medewerker.  Zijn vader had Jan al in februari 1956  in als lid ingeschreven van de Bond van Handels-, Kantoor en Winkelbedienden (HKW).

Zelfvoorzienend

… een doos vol herinneringen…

Hij vervult uiteenlopende werkzaamheden, die een beeld geven van de katholieke arbeidersbeweging in de jaren vijftig. “De diocesane bond deed geen vakbondswerk. De KAB was er voor maatschappelijke,  godsdienstige en ‘zedelijke’ belangen.  En steunde leden bij tal van dagelijkse zorgen. Het werkgebied van de Bredase bond strekte zich uit van West-Brabant tot in Zeeuws-Vlaanderen. Veel leden zijn in zekere zin zelfvoorzienend. Naast het werk hebben zij niet zelden een stukje grond voor het verbouwen van groenten of het houden van geiten of varkens voor de eigen consumptie. Mijn eerste “job” was de kleinvee-verzekering  bijvoorbeeld, waarvan ik administrateur was.   die verzorgde een tegemoetkoming als een varken geheel of gedeeltelijk afgekeurd werd na de slacht. Daarnaast was er een gezinszorgfonds waaruit dochters van leden die de opleiding voor gezinsverzorgster wilde doen een bijdrage in de studiekosten kregen . Dat gold ook voor gezinnen van leden; die gaven we financiële steun als zij gezinszorg nodig hadden”. Er was de Norbart Stichting voor het na de oorlog uitzenden van arbeiderskinderen (bleekneusjes) die het nodig hadden naar herstellingsoorden (financieel) mogelijk maakte.

Hij kan zich voorstellen dat men zich afvraagt, hé je werkte toch bij de vakbeweging, wat heeft dat nu van doen met  zaken zoals deze? Zijn antwoord: De KAB (Katholieke Arbeiders Beweging) was een exempel van de brede vakbeweging. De doelstellingen van de KAB richten zich niet alleen (via de aangesloten bonden) op arbeid en inkomen maar ook op de woon en leefomgeving, de sociale zekerheid, de gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening. Daar paste dus de “voorzieningen” als hierboven beschreven zeker in. Het emancipatorisch karakter van de KAB was gericht op de  sociaal culturele verheffing van de arbeider. Voor wie hier meer over wil weten verwijs ik graag naar de twee boeken die over de geschiedenis van de KAB en het NKV in resp. 1985 en 1993 zijn verschenen.

Ontwikkeling organisatorische talenten

Naast het dagelijkse werk is Jan vrijwilliger binnen de beweging van de Katholieke Arbeiders Jeugd (KAJ). Op zijn 13de is hij al ‘JongKajotter’, vanaf 15 jaar hoort hij er echt bij. Van zijn 17de tot zijn 21ste is hij districtsleider. Daarbij begint hij al zijn organisatorische talenten te ontwikkelen bij de organisatie van toneelvoorstellingen en allerlei culturele manifestaties. “We gingen naar de gemeente om subsidie en vergunningen te vragen, naar de plaatselijke middenstand voor sponsorbijdragen. Maar ondertussen volgde ik ook nog tal van cursussen. Aanvankelijk was het de bedoeling dat ik de avond-hbs zou doen, drie avonden per week. Maar dat heb ik maar 2 jaar volgehouden. Buiten de militairen, die daarvoor allerlei faciliteiten kregen, hield vrijwel niemand het vol. Met allerlei cursussen op bedrijfsorganisatorisch vlak en met de Gewestelijke Sociale School, die ik ook met lof heb afgerond, heb ik ‘de schade’ beperkt weten te houden.”

In 1964 ondergaat de katholieke vakbeweging een ingrijpende verandering; KAB wordt Nederlands Katholieke Vakverbond (NKV). Een belangrijk aspect ervan is dat de diocesane bonden worden opgeheven. Ook die van Breda. Activiteiten als de kleinveeverzekering verdwijnen. Jan en zijn vrouw Toos staan voor de vraag: naar Utrecht, naar het hoofdkantoor van het NKV in Het Huis van de Arbeid? Of iets in de omgeving van  Breda zoeken? Veel van zijn collega’s blijven in de regio. Jan solliciteert bij het bedrijf Internationale Gewapend-beton Bouw (IGB) in Tilburg, krijgt daar een mooie baan aangeboden met een fors salaris. “Maar ik was er niet gelukkig mee. Heb dus toch besloten naar Utrecht te verhuizen. Het NKV heeft voor ons een huisje gekocht in Transwijk, een buurt op Kanaleneiland dat in die tijd in ontwikkeling was. En ‘Rozeneiland’ werd genoemd.”

Binnen het NKV wordt Jan  eerst medewerker , later hoofd van het bureau Algemeen Werk, bestaande uit drie mensen. Later wordt hij ook hoofd van de Dienst Scholing en Vorming, die onder meer de Gewestelijke Sociale Scholen organiseert. Weer later wordt Jan naast deze functies ook adjunct Algemeen Secretaris van het NKV en van het Overlegorgaan NVV/NKV/CNV. Bij alle grote vakbondsorganisatorische ontwikkelingen staat hij vooraan. En zo ziet hij in 1975 het CNV afhaken bij de federatievorming, die uiteindelijk tot de FNV leidt. “Persoonlijk ben ik er altijd een grote voorstander van geweest. Maar het CNV lag binnen het Overlegorgaan – ondanks de collegiale sfeer – wel regelmatig dwars.”

“Vanaf het begin heb ik me thuis gevoeld binnen de FNV. En van de ontwikkeling er naartoe, die wat mij betreft is begonnen met ‘Een visie ter visie’, van Fons Arnolds. Een rapport dat roder was dan het NVV-programma. Heb in die tijd ook Wim Spit enorm leren waarderen. Die heeft zich ingespannen, ongelooflijk. De manier waarop hij tegen de dingen aankeek, waarop hij de neuzen dezelfde kant op wist te krijgen. Inspirerend! Bijzonder was ook de samenwerking van hem met Wim Kok. Die twee lagen elkaar.”

Na de start van de FNV per 1 januari 1976 neemt Jan in zekere zin dezelfde plaats in de organisatie als daarvoor in het NKV, die van hoofd / directeur Regionaal Werk. Hij brengt zijn ervaring met de regionale organisatie van het NKV binnen en wordt een onvermoeibare steunpilaar voor mensen die in de regio actief zijn. Of op enig moment landelijk actief worden. Herman Bode heeft over Jan’s schakelfunctie in een krant bij het afscheid van Jan in 1998 daarover een en ander gezegd. Herman Bode: “De bijkans onuitputtelijke kennis van alles wat in het land leefde is mij in mijn beginperiode als verbondsbestuurder bij het zelf vergaren van die kennis van onschatbare waarde geweest. Naar welke uithoek je ook ging, Jan kon je van tevoren vertellen welke problemen er speelden en wie de belangrijkste mensen daar waren. Anderzijds werd me snel duidelijk dat hij in het land zeer bekend was en dat zijn inzet en steun enorm werd gewaardeerd. De grote bekendheid heeft zich ook na de fusie bij de FNV voortgezet, zo heb ik ervaren.”

Met een vakbondswikkel gratis in de trein

Jan van Hoof, eenzaam op de Dam na weer een grote vakbondsdemonstratie

De FNV komt kort na de vorming al snel in conflict met de werkgevers over ‘de algemene prijscompensatie’. Grote acties in de eerste maanden van 1977 zijn het gevolg. Jan is daar nog niet intensief bij betrokken. Dat komt later, bij de grote acties begin jaren tachtig. Van ‘willen we naar de Dam, dan gaan we naar de Dam!’. Met trots en zelfspot zegt hij: “Ik heb minstens 3 grote landelijke   evenementen georganiseerd., waarbij ik een slimme deal met de NS heb gesloten. Met een wikkel van je vakbondskrant mocht je gratis met de trein naar de demonstratie.. Op een ander moment, toen de Vervoersbond op de actiedag een treinstaking uitriep, hebben we zowat alle bussen van Nederland gehuurd om de demonstranten te vervoeren. Ludiek was de actie waarbij we grote voorraden zoethout hebben ingekocht en die uitdeelden bij overheidskantoren onder het motto ‘Laat ons niet op een houtje bijten’. Mijn actie-archief heb ik na mijn afscheid overgedragen aan het IISG. In 2004 zijn de draaiboeken van de acties  nog een keer opgevraagd voor de ’grootste vakbondsdemonstratie ooit’ op het Museumplein.”

Een activiteit waar Jan met hart en ziel heeft gewerkt is de FNV belastingservice. Een groot aantal jaren, ook nog in de tijd dat hij al uit dienst was is hij voorzitter van de landelijke belastingwerkgroep van waaruit de belastingservice (inclusief de daartoe behorende scholing van instructeurs en invullers) werd gecoördineerd en georganiseerd. De belastingservice is in die tijd uitgegroeid tot het “paradepaardje” binnen de individuele dienstverlening aan leden.    Het aantal ingevulde biljetten groeide in die tijd  van aanvankelijk 10 duizend leden  naar meer dan 200 duizend.

Begin 1991 blijkt dat er voor de zoveelste keer financiële problemen zijn. Bonden willen niet  langer voor financiële tekorten opdraaien. De organisatie is ondoorzichtig met een verstrengeling van vakcentrale, Rechtskundige Dienst en Scholingsinstituut. De werkorganisatie is  verwaarloosd. Het  bestuur is niet competent voor de werkorganisatorische leiding van de organisatie. De aansturing verloopt via stafdiensten personeel en organisatie en financiën en administratie. Niemand en dus eigenlijk iedereen is de baas. Verkokering; gebrek aan samenwerking. Geen geld voor sociaal beleid,  automatisering, opleidingen, regionale huisvesting. Kortom grote problemen.”

Om het probleem op te lossen wordt een werkgroep Meerjarig Prioriteitskader ingesteld die op eigen kracht – dus zonder de inzet van organisatiedeskundigheid van buiten – een plan van aanpak ontwikkelt dat uiteindelijk o.a. leidt tot een scheiding tussen het politieke bestuur en de werkorganisatie.  Er komt een directie en Jan wordt in 1992 Algemeen Directeur. Hij blijft dat tot medio 1998 . Hij  wordt opgevolgd door Marianne Heeremans. Jan verlaat de dienst met de FNV per 1 januari 1999.

En dan volgt de VHV. De toenmalige voorzitter Jaap van der Linden en penningmeester Tom Simonis vragen Jan toe te treden tot het bestuur. Er is weinig voor nodig om hem over te halen. Bij het ontstaan van verschillende boeken over de geschiedenis van de katholieke vakbeweging heeft Jan met onder meer Jan Mertens in de begeleidingscommissie gezeten. Daarin kan hij zijn belangstelling daarvoor kwijt. Binnen de VHV kan hij dat voortzetten.

Er komt een directie en Jan wordt in 1992 Algemeen Directeur. Hij blijft dat tot medio 1998 . Hij  wordt opgevolgd door Marianne Heeremans. Jan verlaat de dienst met de FNV per 1 januari 1999.

En dan volgt de VHV. De toenmalige voorzitter Jaap van der Linden en penningmeester Tom Simonis vragen Jan toe te treden tot het bestuur. Er is weinig voor nodig om hem over te halen. Bij het ontstaan van verschillende boeken over de geschiedenis van de katholieke vakbeweging heeft Jan met onder meer Jan Mertens in de begeleidingscommissie gezeten. Daarin kan hij zijn belangstelling daarvoor kwijt. Binnen de VHV kan hij dat voortzetten.
Aanvankelijk is hij gewoon bestuurslid, vanaf 2006 is hij penningmeester. Zoals hij op de werkorganisatie van de FNV zijn stempel heeft gedrukt – de scheiding van bestuur en directie – zo doet hij dat binnen de VHV. Op zijn voorspraak wordt de Vakbondshistorische Vereniging de Stichting van Vrienden van de Historie van de Vakbeweging. “De VHV functioneerde niet als vereniging, het behartigde geen belangen van leden. Het verzamelen van speldjes en vaandels, het organiseren van lezingen, daar heb je geen vereniging voor nodig. Een stichting heeft een meer algemeen doel namelijk het bevorderen van (brede) kennis en belangstelling voor de geschiedenis van de vakbeweging en dat geven we invulling. Een voordeel is dat we een ANBI-status hebben, wat fiscaal voordelig is. Een beheersstichting van een vakbondsgebouw in de Alblasserwaard verkocht zijn eigendom en wilde zichzelf vervolgens opheffen. Ik was daarbij betrokken. Maar wat te doen met het overblijvende vermogen van ruim een ton euro? In gezamenlijk overleg is besloten het in 3-en te delen en te doneren aan FNV Belastingservice, FNV Mondiaal en de VHV. We hoefden daar geen successierechten over te betalen. We konden het mooi voor een deel investeren in de website. En ermee een stabiele vermogenspositie opbouwen.”

Jacques van Gerwen
Jeroen Sprenger

Mei 2019

Foto’s: Jacques van Gerwen

Bond van Bijzondere Leden

Jan van Hoof, lid van HKW, BVA, Voedingsbond sectie Theaterpersoneel, Dienstenbond, Bondgenoten, FNV Vakbond…

Van welke bond moeten vakbondsmedewerkers lid zijn? Jan van Hoof heeft dit aloude  ‘organisatievraagstuk’ aan den lijve ondervonden. Door zijn vader is hij lid gemaakt bij de HKW, de katholieke bond voor Handels-, Kantoorbedienden en Winkelpersoneel. Deze bond wordt in 1963 gesplitst in de Vereniging van Werknemers in Bank- en Verzekeringsbedrijf en Administratieve Kantoren (BVA) en de Unie van Beambten, Leidinggevend en Hoger Personeel (Unie BLHP). Jan stapt over naar de BVA. Maar als de BVA in 1975 het federatieproces van NKV en NVV kiest voor een voortbestaan binnen de Raad voor Middelbaar en Hoger Personeel (Raad MHP), die zich ontwikkelt tot een nieuwe vakcentrale, wordt hij een tijdje lid van de Voedingsbond. Daar wordt hij ingedeeld bij de sectie Theaterpersoneel. Na de vorming van de Dienstenbond wordt hij daarvan lid.
Begin jaren zevetig heeft hij het NKV-bestuur geadviseerd een bond voor bijzondere leden’ (BBL) op te richten. In deze bond worden mensen opgenomen, die werkzaam zijn in sociale werkplaatsen. Maar ook weduwen die bij de organisatie van hun overleden man willen blijven. Aanvankelijk weet het NKV geen goede raad met deze leden, enkele honderden in getal. Maar door ze binnen een aparte bond te organiseren tellen ze voor het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) mee bij het ledental. Het NKV probeert zo het streefgetal van 400.000 leden te behouden.

Zie hiervoor elders op deze website:

Geert Wagenaer, Van NKV naar MHP
Geert Wagenaer, Bijna 40 jaar MHP