Het geheugen van de vakbeweging

Jacques Teuwen, voorzitter

In 2008 interviewde Bert Breij op verzoek van de VHV alle voorzitters van de bonden die bij FNV, CNV en MHP zijn aangesloten. Hij vroeg hen naar hun visie op de toekomst en de betekenis van de historie. Hier het interview met voorzitter Jacques Teuwen van de Unie.

Jacques Teuwen, oud-voorzitter De UnieJacques Teuwen, oud-voorzitter De Unie

Karaktertrekken

‘Met het verleden voel ik mij nadrukkelijk verbonden. Ik denk daarbij aan mijn overgrootvader, grootvader en vader. Dat zijn drie generaties die leefden in Herten, een klein dorp vlakbij Roermond. Als ik nadenk over de vraag waar ik nou bepaalde karaktertrekken van heb, of voorkeuren of hoe ik in het leven sta, dan ontdek ik bij alle drie wel sporen en fundamenten waarvan ik zeg: ‘die horen bij mij’. Die bepalen mijn dagelijks patroon. Die bepalen mede hoe ik als mens in het leven sta en daarmee ook hoe ik me bezig houd met het vakbondswerk.’

Living apart together

 ‘Er is in Nederland nooit een echte arbeidersbeweging geweest zoals in Frankrijk of in Engeland. Nederland is te typeren als een cultuur van living apart together. En vanuit die cultuur zie je dat er aan de basis allerlei partijen naast of buiten elkaar acteerden. Verschillen bijvoorbeeld op confessionele gronden, om aan de top te kunnen wheelen en dealen. Dat zag je niet alleen binnen de vakbeweging, maar dat zag je ook bij tal van maatschappelijke organisaties. Dat die zuilen er niet meer zijn, heeft grote gevolgen voor zelfbewuste mensen. Niet langer bepalen de politiek leider, de dominee, de pastoor of de vakbond wat goed is voor mensen. De maakbare verzorgingsstaat behoort definitief tot het verleden. Willen we de wereld van verschillen in Nederland kunnen managen dan is ruimte bieden aan maatwerk en eigen verantwoordelijkheid en verdere decentralisatie onontkoombaar.’

Mesoniveau institutionaliseren

‘Het proces van decentralisatie heeft een sterke impuls gekregen in 1982, met het Akkoord van Wassenaar waarbij de overheid meer ruimte bood aan sociale partners om afspraken te maken. Een tweede fase van decentralisatie zie je in het begin van de jaren negentig: een nieuwe koers en alles wat daarbij hoort, waarbij de centrales van werkgevers en werknemers meer ruimte overlieten aan de onderliggende bonden om te differentiëren in branches en sectoren. Ik zie een drietal scharnierpunten van arbeidsverhoudingen. Het centrale niveau, dat aan betekenis verliest of op zijn minst van betekenis verandert. Het mesoniveau en het lokale niveau. Het lokale niveau gezien per bedrijf of mogelijk per afdeling of misschien zelfs in de één-op-één relatie tussen chef en leidinggevende. Wat we nu gemist hebben, en ons nu opbreekt, is dat er op mesoniveau niet een formeel en geďnstitutionaliseerd overleg is ontstaan tussen wat onze werkterreinen betreft: AWVN, FNV Bondgenoten, CNV Bedrijvenbond en De Unie. Als die op dat niveau met elkaar geformaliseerde afspraken hadden gemaakt over tal van zaken, zoals over bijvoorbeeld employability, een leven lang leren, gezond werken, dan was dat beter geweest voor de bedrijven en ook voor de vakbeweging zelf. Actueel geldt dit voor een onderwerp als mantelzorg.’

Sociale innovatie

‘Binnen de Nederlandse arbeidsverhoudingen hebben de Vakcentrale MHP en vakbond De Unie altijd al een bijzondere plaats ingenomen. Neem als voorbeeld de ‘cao ŕ la carte’, of het onderwerp ‘sociale innovatie’. Anders organiseren en anders managen van organisaties kan alleen als de leidinggevenden, de karakteristieke achterban van De Unie daar een betekenisvolle rol in kunnen spelen. Als vakbond ondersteunen we dit met leergangen gericht op eigentijds leiderschap.’

Maatwerk voor kenniswerkers

‘In onze speerpuntennota staat hoe De Unie tegen de toekomst aankijkt. We hebben daarbij een drietal majeure deelgebieden benoemd. Het eerste is gericht op het organiseren van de strategische belangen van de leden. Voor een deel worden die belangen via de Vakcentrale MHP op het Haagse niveau behartigd. Maar ook op decentraal niveau bijvoorbeeld in de Wmo-raden. Daarnaast is er het terrein van het collectief organiseren, bijvoorbeeld cao-zaken en pensioenen. En daarnaast staat het individuele profiteren. Ik signaleer in toenemende mate een verschuiving waarin de vraag – ‘Wat schiet ik op met een lidmaatschap van De Unie?’ – steeds dominanter begint te worden. Ik zie dat terug in de afwegingen om wel of niet lid van onze vereniging te worden of te blijven. Dat biedt veel kansen, maar dan moeten we niet bang zijn om het anders aan te pakken. Daar zijn we dan ook hard mee bezig. We volgen een meersporenbeleid. Aan de ene kant ontwikkelen we een klantgerichte serviceorganisatie en daarnaast werken we samen met De Unie-kaderleden aan een eigentijdse vereniging. Meer en meer is de vereniging een uitvalsbasis voor mensen om maatschappelijk actief te zijn. Leden voor leden. Zo is er een netwerk van kaderleden die invulling geven aan onze belastingservice. Recent hebben we een netwerk van goed opgeleide Wmo–consulenten geďntroduceerd. De Unie omarmt de toekomst door te kiezen voor de markt van kenniswerkers. Daarbij willen we nadrukkelijk midden in de belevingswereld staan van jongeren. Onze Internetvakbond heeft daarom een internationaal stagebemiddelingsnetwerk opgezet.’

Eén vakorganisatie voor heel Nederland?

‘De Unie moet haar onafhankelijkheid naar de toekomst toe bewaren. De kaderleden en de leden staan in het erfgoed van De Unie centraal. De Unie is een onafhankelijke vereniging waarin mensen samenwerken aan een toekomst, gebaseerd op wederzijds respect, vertrouwen en ambitie. Wat ooit is ontstaan als een vakbondsfilosofie wordt nu gerealiseerd in een netwerk van professionals en leidinggevenden. Kenniswerkers horen niet bij de traditionele vakbonden. Zij hebben andere belangen. Persoonlijk kijk ik met veel respect naar de FNV. Dat heeft te maken met hoe zij zaken doen, hoe krachtdadig zij zijn. Ik denk dat we als bonden van werkend Nederland intensiever moeten gaan samenwerken. Werkgeversorganisaties als AWVN, VNO-NCW en MKB Nederland hebben niet alleen internationaal veel hechtere samenwerkingsverbanden, ze zijn in de laatste jaren ook binnen de Nederlandse grenzen heel dicht bij elkaar komen te staan. Daarbij hebben ze heel knap de eigen identiteiten weten te behouden. Hier ligt voor de Nederlandse vakbeweging een grote uitdaging.’

Scherpere toonzetting

‘De Unie kiest de laatste jaren voor een scherpere toonzetting in het debat en dat heeft alles te maken met het sociaaleconomische (politieke) klimaat van Nederland. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de ontwikkeling van het vrij netto besteedbaar inkomen dan zijn de middengroepen er de laatste jaren bekaaid van af gekomen. Daarbij maakt het niet uit of er een centrumlinkse of een centrumrechtse regering aan de macht is geweest. Ook de bonden van FNV en CNV leveren hun bijdragen aan deze tendens van verdere nivellering. Voor De Unie en de MHP ligt er een geweldige uitdaging om ervoor te zorgen dat talenten in Nederland blijven en dat het ook financieel aantrekkelijk is voor mensen met ambitie om hier carričre te maken.’
Bert Breij
Het interview met FNV-voorzitter Agnes Jongerius is opgenomen in Twee miljoen leden, 25 voorzitters, 2009