Het geheugen van de vakbeweging

In vogelvlucht: 60 jaar Vrouwenbond NVV-FNV Vrouwenbond

De tekst uit dit artikel is overgenomen uit het boek ‘Zestig jaar handen uit de mouwen’ dat is uitgegeven ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van de FNV Vrouwenbond in 2008. Vilan van de Loo maakte een overzicht van wat er in deze 60 jaar is bereikt.

De jaren 50

‘Geluk van allen’, daarnaar streefde de Vrouwenbond volgens de eerste lidmaatschapskaarten. Een mooie gedachte, die mannen en vrouwen omvatte. De oprichting van de Vrouwenbond op 27 januari 1948 was dan ook aanvankelijk bedoeld om het NVV, het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (opgericht in 1906), te ondersteunen. Een Vrouwenbond kon goed ‘vrouwenwerk’ doen, zoals de organisatie van kinderfeesten en vrouwenvakantiekampen, steun aan NVV-acties en meewerken aan het tbc-fonds.

De jaren ’60

Vrouwenbondsvrouwen leefden in twee werelden. In de ene wereld waren ze de traditionele echtgenote-van, want je kon alleen lid van de Vrouwenbond worden als je echtgenoot lid was van ‘dé bond’. In de andere wereld bezaten dezelfde vrouwen bestuursfuncties in vrouwenorganisaties, dankzij de scholing van de bond. Daarmee ontstond in de eerste decennia van bestaan van de Vrouwenbond een eigen stem, die vooral vertolkte wat er leefde in de vrouwenbeweging.

De jaren ’70

In deze jaren ontstond de beweging die later bekend zou worden als de tweede feministische golf. Iedere vrouw kon een ‘Dolle Mina’ zijn, maar niet iedere vrouw voelde zich aangesproken door het vrijmoedige karakter van Mina. Dit gold zeker voor de Vrouwenbond. De conservatieve leden schrokken van acties die verder gingen dan ze gewend waren. Toch zagen ook zij in dat vrouwen meer erkenning en waardering verdienden, met of zonder echtgenoot.
In 1972 besloot de Vrouwenbond dat elke vrouw lid kon worden. De oude voorwaarde dat haar echtgenoot lid moest zijn van een vakbond werd geschrapt. Vrouwen waren meer dan echtgenote, ze werkten en hard ook, vond de bond: ‘Vrouwen verzetten bergen werk […] Dat werk maken wij zichtbaar. Door hun taken in het huis, betekent werk buitenshuis voor vrouwen altijd een dubbele taak.’

Op de barricades stond de Vrouwenbond niet, maar werken op haar eigen manier aan emancipatie deed ze zeker. Het project ‘Marie wordt wijzer’ stimuleerde meisjes een schoolopleiding te volgen. Veel leden dachten: ‘dit gaat om onze dochters’. Ook in ‘Wij Vrouwen Eisen, de strijdgroep voor abortuswetgeving, was de Vrouwenbond aanwezig, zij het voorzichtig en met respect voor het conservatieve deel van de leden. Door mee te gaan met de grote veranderingen en die een beetje te sturen, slaagde de Vrouwenbond erin zichzelf te vernieuwen.

De jaren ’80

“Mijn man ziet me al aankomen, als ik een dag ga staken… dat hij dan thuis komt en dat er geen eten op tafel staat.” Zoals dit anonieme vrouwenbondslid reageerde, voelden er meer tijdens de grote vrouwenstaking in 1981. Betrokkenheid bij de zaak van vrouwen? Ja. Radicale stappen zetten ten koste van de huiselijke sfeer? Liever niet.  De economische crisis met een tekort aan werkgelegenheid raakte alle vakbonden, en de Vrouwenbond op een eigen manier.
Het maatschappelijke verschil tussen de ‘have’s’ en de ‘have nots’ groeide, waarbij de laatste categorie steeds meer vrouwen telde: vrouwen met een kleine baan, vrouwen die onderbetaald werden, gescheiden vrouwen die van een bijstandsuitkering moesten leven. De Vrouwenbond trok zich hun lot aan. De aandacht richtte zich op de verschillen tussen betaalde en onbetaalde arbeid van vrouwen. Bondsleden spraken zich uit in de media, probeerden via het informele lobbycircuit de regering in Den Haag te beďnvloeden en bleven bij dit alles, trouw aan de traditionele achterban, het belang van huisvrouwenwerk benadrukken.
De toekenning van het stemrecht in de overkoepelende vakbondscentrale, nu de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), in 1981, gaf de Vrouwenbond nieuw elan. Eindelijk erkenning als eigen kracht, in plaats van welkom zijn als ondersteuning. Het was een bevestiging dat het werk van de Vrouwenbond waardevol werd gevonden, al betekende het niet dat de FNV dat wilde ondersteunen met extra geld of faciliteiten. Vastberaden bleef de Vrouwenbond doorwerken en met succes. In 1984 werd de eerste vrouwenvakschool geopend, de Alida de Jong-School, een beroepsopleiding voor herintredende vrouwen.

De jaren ’90

De Vrouwenbond verwelkomde elke vrouw die actief wilde zijn in het vakbondswerk, jong of oud, betaald buitenshuis werkend of onbetaald binnenshuis, met levenservaring of academische scholing. Dat had een voordeel: diversiteit maakt sterk. Het nadeel werd begin jaren ’90 duidelijk: de leden raakten verdeeld over wat de prioriteiten van de bond moesten zijn. Was betaald werk nu het belangrijkste of ging het huisvrouwenwerk voor?
In de vrouwenbeweging drong het besef door dat ‘wit’ een kleur was en dat ‘witte vrouwen’ te lang de norm waren geweest. Ook in de Vrouwenbond groeide het inzicht over diversiteit en kleur. In de jaren ’80 waren zwarte vrouwen nog ‘buurvrouwen van wie we zo weinig weten’, maar die toon verdween snel. Nu heette het dat de bond ernaar streefde om ‘de positie van álle vrouwen te willen verbeteren, jong en oud, zwart en wit, onbetaald en betaald werkend’.
Ondanks de bewezen successen werd het bestaansrecht van de Vrouwenbond begin jaren ’90 in twijfel getrokken. De FNV vroeg zich af waaruit de meerwaarde van de Vrouwenbond bestond. Een vraag die intern tot hevige discussies leidde over fatsoensnormen en de expertise van de Vrouwenbond. Wie anders dan de bond kon bogen op tientallen jaren kennis van vrijwel vergeten groepen? Wie anders kon spreken over huisvrouwenwerk, over zorgtaken en betaalde arbeid, over groeiende armoede van vrouwen met een uitkering? De vrouwen van het Vrouwen Advies Team (VAT), dat sinds 1995 actief is, konden hele boeken vol schrijven over de noodzaak van hun werk.

De 21ste eeuw

‘De FNV Vrouwenbond is een vakbond voor alle vrouwen en zet zich vooral in om de positie te verbeteren van vrouwen die elders nog wel eens over het hoofd worden gezien: vrouwen die hun betaalde werk met zorgtaken combineren, vrouwen met een uitkering, herintreedsters, weduwen, mantelzorgers en vrijwilligers.’ Zo profileert de Vrouwenbond zich in de nieuwe eeuw. Modern: via een website. De bond is er voor alle vrouwen en speciaal voor degenen die zwaarder belast zijn.
De FNV Vrouwenbond is een halve eeuw na de oprichting nog even vastberaden als altijd. Werk van vrouwen, betaald of onbetaald, buitenshuis of binnenshuis staat centraal, en daarmee de kwaliteit van leven van vrouwen. De toewijding aan de zaak is constant gebleven, een belangrijke pijler onder het voortbestaan. Terwijl veel organisaties ter ziele gingen door gebrek aan subsidie, vrouwkracht of een combinatie van beide, bleek de Vrouwenbond in staat zich steeds opnieuw aan te passen aan de veranderende tijden.
De vrouwen van het eerste uur waren echtgenotes, in de tijd van ‘Marie wordt wijzer’ traden ze ook op als moeders en nu is het sterke bindende gevoel ‘wij vrouwen’. Ondanks het grote aanpassingsvermogen, valt op dat de Vrouwenbond relatief bescheiden naar buiten treedt. De cultuur van zelf-felicitatie met bijbehorende persberichten en grote ego’s ligt de Vrouwenbond niet zo. Daardoor krijgt een groot deel van het werk niet de aandacht die het verdient, waardoor steeds minder vrouwen zich aansluiten. Hierin ligt tegelijkertijd een kans voor de bond. De combinatie van werk en vrouwen is actueler dan ooit, en juist op dat vlak heeft de Vrouwenbond een unieke expertise.
Vilan van de Loo (overgenomen uit Zestig jaar Handen uit de mouwen)
Vilan van de Loo maakte met ’60 jaar handen uit de mouwen’een overzicht van wat er in 60 jaar is bereikt door de FNV Vrouwenbond. Eva Prins interviewde 7 leden van de bond van verschillende generaties. Een aantal prominente leden  vertellen waarom ze FNV Vrouwenbond zo belangrijk vinden. De prachtige foto’s zijn van Suzanne van de Kerk.
Het boek inzien?
https://www.fnvvrouw.nl/documenten/boekje_fnv_vrouwenbond_60_jaar_handen_uit_de_mouwen_eva_prins.pdf