Het geheugen van de vakbeweging

Dick Bruna, affiche voor de FNV-actie tegen kinderarbeid

Totstandkoming ILO-verdrag 182

De strijd tegen de ergste vormen van kinderarbeid

In de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw ontstond een toenemende verontwaardiging over het enorme probleem van kinderarbeid en kinderslavernij wereldwijd. Vakbonden waaronder de FNV, NGO’s (Niet-Gouvernementele Organisaties) en overheden begonnen hiervoor aandacht te vragen en eisten maatregelen om dit probleem aan te pakken. De ILO speelde hierbij een centrale rol. Een van de uitkomsten was de totstandkoming van een nieuw ILO verdrag (182) tegen de ergste vormen van kinderarbeid in 1999. Astrid Kaag en Willy Wagenmans[1] waren namens de FNV destijds bij de opstelling van dit verdrag betrokken. Ze gaan in op de voorgeschiedenis, totstandkoming en impact van dit nieuwe verdrag.

Toenemende verontwaardiging over kinderarbeid

Door de internationalisering van handel en kapitaal was er eind vorige eeuw sprake van een toenemend bewustzijn van en verontwaardiging over het gigantische probleem van kinderarbeid en kinderuitbuiting in vooral ontwikkelingslanden. Begin jaren ’90 waren meer dan 200 miljoen kinderen van 4 jaar en ouder gedwongen om te werken onder vaak erbarmelijke omstandigheden[1]. Hiernaast was er nog veel ‘onzichtbare’ kinderslavernij en kinderuitbuiting. Dat westerse bedrijven hierbij betrokken waren en hiervan profiteerden was voor steeds meer mensen onaanvaardbaar.

Diverse organisaties waaronder de vakbeweging, voerden dan ook actie tegen deze betrokkenheid van westerse bedrijven bij kinderarbeid. Zo werd actie gevoerd tegen kinderarbeid in de tapijtindustrie (“Rugmark”), in de kledingindustrie (“Schone Klerencampagne” en “Eerlijk Handels Handvest”) en in steenfabrieken, werd campagne gevoerd tegen met kinderhanden gemaakte voetballen bij het Europees Kampioenschap in 1996, werd een FIFA gedragscode voor sportproducten afgedwongen, werd gepleit voor een “Sociale Clausule” in handelsverdragen etc. Ook in ontwikkelingslanden was er sprake van een toenemend verzet tegen kinderuitbuiting en kinderslavernij.



Brand in speelgoedfabriek in Thailand

De wereld was geschokt toen in juni 1993 174 vrouwen en kinderen en 14 mannen omkwamen bij een enorme brand in de Kader Industrial Toy Company in Bangkok. 469 werknemers raakten, vaak zwaar, gewond. Een groot deel van de vrouwen waren jonge meisjes van 12 à 13 jaar. Bij het bedrijf werkten meer dan 3000 mensen opeengepakt in gebouwen van 5 verdiepingen. De Chinese eigenaar werkte in opdracht van grote Amerikaanse en Europese merken als Hasbro, Toys-R-Us, Fisher-Price en Tyco. (ICFTU rapport, From the Ashes; a toy factory fire in Thailand, Brussel 1994.)

 


Willy Wagenmans: “Ik was aanwezig bij de binnenkomst van de kinderen met hun spandoeken in de Algemene Vergadering van de ILO in 1998. Volgens mij was zoiets nooit eerder bij de ILO vertoond en je merkte dat iedereen in de zaal onder de indruk was. “

NGO’s in India, Nepal en Pakistan namen daarbij het recht in eigen hand, haalden kindslaven uit werkplaatsen en brachten hen naar veilige plekken. Kailash Satyarthi, een Indiase mensenrechtenactivist die in 1992 SACCS (Zuid Aziatische Coalitie tegen Kinderslavernij) oprichtte, was een van de voortrekkers hierin en kreeg daarvoor in 2014 de Nobelprijs voor de Vrede. Het toenemende verzet resulteerde in een “Global March against Child Labour” in 1998, die alle continenten van de wereld aandeed en veel publiciteit wist te trekken. De Global March eindigde bij de ILO in Genève om extra aandacht te vragen voor een nieuw verdrag tegen kinderarbeid. Willy Wagenmans: “Ik was aanwezig bij de binnenkomst van de kinderen met hun spandoeken in de Algemene Vergadering van de ILO. Volgens mij was zoiets nooit eerder bij de ILO vertoond en je merkte dat iedereen in de zaal onder de indruk was. Het heeft zeker meegespeeld bij de totstandbrenging van het verdrag.  Het staat bij mij in ieder geval blijvend in mijn herinnering”.

Inzet ILO tegen kinderarbeid

De ILO vervult een voorhoederol in de bestrijding van kinderarbeid. Al in haar oprichtingsjaar 1919 kwam de ILO met een verdrag voor een minimumleeftijd in industriële bedrijven (ILO verdrag 5). Sindsdien zijn er nog diverse gevolgd voor andere sectoren, waarna in 1976 de verschillende conventies over minimumleeftijd zijn samen gebracht in verdrag 138.
Hoewel de ILO voortdurend op het probleem van kinderarbeid heeft gewezen, heeft ze lange tijd geen aparte activiteiten ten aanzien van kinderarbeid ontwikkeld. De inzet was vooral gericht op het doen ratificeren van de verdragen door overheden en op het opzetten van algemene werkgelegenheidsprogramma’s via het World Employment Programme (WEP). In 1991 is hierin verandering gekomen met de introductie van het International Programme for the Elimination of Child Labour (IPEC). Dit programma is van de grond gekomen met hulp van met name de Duitse regering en kreeg later ook steun van onder meer Nederland en België[1]. Het is erop gericht om overheden te ondersteunen bij het ontwikkelen en uitvoeren van programma’s tegen kinderarbeid en op de bewustmaking van regeringen en de internationale gemeenschap ten aanzien van kinderarbeid.

De activiteiten van IPEC hebben de inzet en het profiel van de ILO met betrekking tot kinderarbeid een belangrijke impuls gegeven. De ILO was daarbij niet alleen op nationaal en internationaal niveau actief, maar ontwikkelde ook veel programma’s op lokaal niveau, waarbij intensief met vakbonden en NGO’s werd samengewerkt. De samenwerking met NGO’s was voor de ILO  betrekkelijk nieuw en heeft bijgedragen aan een meer activistische opstelling binnen de ILO.  De betekenis van de IPEC programma’s reikte hierbij verder dan alleen kinderarbeid, doordat kinderarbeid nadrukkelijk werd verbonden met de andere fundamentele rechten van de ILO zoals het recht op organisatie en collectief onderhandelen, verbod op dwangarbeid, non-discriminatie en veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats.Dit heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de in 1998 aangenomen Verklaring omtrent de “General Principles” van de ILO, waarin regeringen en ook bedrijven werden opgeroepen de kernverdragen van de ILO als fundamentele principes van hun beleid over te nemen, ook al is er geen sprake van ratificatie[1].  De ILO werkte ook nauw samen met andere VN-organisaties (met name UNICEF, UNESCO en WHO) en NGO’s op het terrein van onderwijs en gezondheid.

Door de samenwerking met vakbonden en NGO’s op lokaal niveau en door diverse studies die IPEC uitvoerde ontstond binnen de ILO meer aandacht voor ‘onzichtbare’ vormen van kinderarbeid en kinderslavernij, zoals ‘bonded labour’ (lijfeigenschap), huishoudelijk werk en kinderprostitutie. In diverse studies werd gewezen op de schadelijke gevolgen hiervan. Niet alleen de ernstige fysieke en mentale gevolgen voor de kinderen zelf, maar ook de gevolgen voor de instandhouding van armoede doordat kinderen geen onderwijs kregen.


 

Iqbal Masih, ‘kindslaaf’ in Pakistan

Iqbal Masih (4 april 1983 – 16 april 1995)

Was een Pakistaanse jongen die als 4-jarige als kindslaaf werd verkocht voor 12 dollar en tot 10 jaar gedwongen kinderarbeid uitvoerde in een tapijtfabriek. Hij kon ontsnappen en werd als snel wereldwijd bekend om zijn strijd tegen kinderarbeid. Hij hielp mee met de bevrijding van ruim 3000 Pakistaanse kinderen, maar werd hiervoor op 12-jarige leeftijd neergeschoten. In 2000 ontving hij postuum de Wereldkinderprijs voor de Rechten van het Kind. In het FNV kantoor in Utrecht is een vergaderzaal vernoemd naar Iqbal Masih.


Voortrekkersrol Internationale vakbeweging

Vanaf het ontstaan van de vakbeweging heeft de bestrijding van kinderarbeid en het verbeteren van onderwijsvoorzieningen altijd hoog op de agenda gestaan. Binnen de ILO heeft de internationale vakbeweging steeds aangedrongen op meer aandacht voor kinderarbeid. Zo is bijvoorbeeld door de inspanningen van de internationale vakbeweging in 1976 ILO verdrag 138 met betrekking tot minimumleeftijd tot stand gekomen. Ook daarna is met name het IVVV (Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen[1]) erg actief geweest op het gebied van kinderarbeid. Zo wist het IVVV in 1983 veel publiciteit te trekken met het rapport “Breaking the wall of silence”, waarin omvang en gevolgen van kinderarbeid aan de kaak werden gesteld. In zowel 1988 als 1992 werd door het IVVV congres een resolutie tegen kinderarbeid aangenomen. In vervolg hierop werd in juni 1994 de campagne “Stop Child Labour” gestart. Op basis hiervan zijn diverse nationale vakcentrales met campagnes tegen kinderarbeid begonnen. Ook diverse internationale vakbondsfederaties, zoals de ITGLWF (Textiel-, Kleding- en Lederwerkers), de IFPAAW (Landarbeiders), IUF (Voedingsbonden), FIET (Dienstenbonden), IBBH (Bouwbonden) en EI (Onderwijsbonden) begonnen met campagnes tegen kinderarbeid.

FNV- Afrekenen met kinderarbeid

FNV-voorzitter Lodewijk de Waal neemt deel aan de Mars tegen Kinderarbeid (1998)

Door de IVVV campagne Stop Child Labour, de eigen contacten met organisaties als SACCS, SEWA (Self Employed Women’s Association) onder leiding van de Indiase vakbondsleidster Ela Bhatt[2] en MV Foundation (Mamidipudi Venkatarangaiya Foundation[3]) in India en de bewustwordingsacties over internationale handel en multinationale ondernemingen, werd de FNV steeds actiever op het terrein van kinderarbeid. In 1995 resulteerde dit in de nota “Afrekenen met kinderarbeid” en een FNV-actieplan tegen kinderarbeid. Naast verbetering van de ratificatie en implementatie van ILO verdrag 138 over minimumleeftijd was het plan vooral gericht op “onmiddellijke uitbanning van kinderarbeid die plaatsvindt onder gevaarlijke of voor kinderen zeer belastende omstandigheden of die wordt verricht door zeer jonge kinderen.”[4] Tevens werd gepleit voor verhoging van de investeringen in meer, beter en vooral betaalbaar onderwijs en invoering van de leerplicht. In het plan werd opgeroepen tot intensivering van de acties van de ILO, versterking van het VN-verdrag voor de rechten van het kind en opname van een sociale clausule in handelsverdragen. Verder werd de ondersteuning versterkt van projecten gericht op bestrijding van kinderarbeid en werd ingezet op voorlichting en acties.

In de daarop volgende jaren was de FNV actief betrokken bij diverse acties, internationaal en ook landelijk. In het boek van Roeland Muskens “Collega’s Wereldwijd” waarin 40 jaar FNV internationale vakbondssolidariteit wordt beschreven, komen diverse acties aan bod.[1] Ze variëren van een “Race tegen kinderarbeid” in 1976 tot acties voor kinderarbeidvrije zones van de MV Foundation in India, projecten tegen kinderarbeid in steenfabrieken van de internationale bouwbonden, een “rode kaart voor foute ballen” bij het Europees Kampioenschap in 1996 en de campagne “Stop kinderarbeid, school de beste werkplaats” van de AOb en de FNV. Massaal was de aandacht voor het Nederlandse deel van de Wereldmars tegen Kinderarbeid in mei 1998, die FNV Mondiaal organiseerde samen met Oxfam Novib, de Landelijke India Werkgroep en de centra voor Ontwikkelingssamenwerking.

Acties tegen producten gemaakt met kinderhanden vormden ook een speerpunt. Bijvoorbeeld de campagne voor het Rugmark-label voor tapijten zonder kinderarbeid dat samen met Oxfam-Novib werd uitgevoerd. Samen met de Schone Kleren Campagne werd het initiatief genomen voor de oprichting van een Eerlijk Handelshandvest voor kleding. Dit is later als Fair Wear Foundation (FWF) voortgezet en is nu een belangrijke speler voor bedrijven die zich richten op eerlijke kleding.

Op weg naar een nieuw ILO verdrag

Door de activiteiten van IPEC was binnen de ILO de nadruk wat betreft kinderarbeid meer komen te liggen op de bestrijding van de ergste vormen van kinderarbeid en op kinderslavernij, dan op een verbod op kinderarbeid. Bovendien bleek het moeilijk om verdrag 138 over de minimumleeftijd breed geratificeerd en nageleefd te krijgen.



Kritiek op aanpak kinderarbeid

Overigens was er ook kritiek op de aanpak van de FNV en de NGO’s om te streven naar de afschaffing van kinderarbeid. Een van de woordvoerders hiervan was Ben White, hoogleraar Rurale Sociologie aan het Institute of Sociale Studies (ISS) in Den Haag, die in juni 1994 zijn inaugurale rede hieraan had gewijd.  Volgens hem was een verbod op kinderarbeid het kind met het badwater weggooien. Het zou ook in strijd zijn met de wens van kinderen zelf om te kunnen werken. Hij zag meer in de zelforganisatie van kinderen. Tijdens een debat bij Amnesty in september 1994 zijn we vanuit de FNV de strijd hierover met hem aangegaan. Ook in de media kreeg deze discussie ruim aandacht. De kritiek van Ben White c.s. verdween naar de achtergrond, vooral door de aandacht die pleitbezorgers in ontwikkelingslanden, zoals MV Foundation en SACCS, op zich wisten te vestigen.


   

Begin jaren ’90 hadden nog maar zo’n 40 landen dit verdrag geratificeerd. Veel landen vonden de eisen in verdrag 138 te zwaar om tot ratificatie over te gaan of stuitten op bezwaren in eigen land. Er werd daarom meer en meer de behoefte gevoeld aan een aanvullend verdrag dat zou moeten helpen om in ieder geval de ergste problemen van kinderarbeid en kinderslavernij te kunnen aanpakken. In maart 1996 nam de Governing Body (Algemeen Bestuur) van de ILO het besluit om een dergelijk nieuw verdrag te gaan opstellen.

Om de kans van slagen van dit nieuwe verdrag te vergroten werkte de ILO bij de voorbereiding hiervan nauw samen met landen die het IPEC programma ondersteunden en met vakbonden en NGO’s. Drie activiteiten hadden hierbij grote impact; de voorbereidingsconferenties in Amsterdam en Oslo in respectievelijk februari en oktober 1997 en vooral de Global March against Child Labour begin 1998.

Amsterdam Conference against Intolerable forms of Child Labour

In februari 1997 organiseerde Minister van Sociale Zaken Ad Melkert in samenwerking met de ILO  in Amsterdam een grote internationale conferentie over “Intolerable Forms of Child Labour”. Om het belang ervan te onderstrepen werd de opening bijgewoond door Koningin Beatrix.  Er waren meer dan 250 deelnemers uit 30 landen, waaronder de ministers van arbeid uit landen als India, Bangla Desh, Pakistan, Nepal, Senegal, Brazilie etc. Er was ook een ruime vertegenwoordiging van werkgevers en vakbeweging, waaronder FNV en CNV. Ter voorbereiding op deze conferentie had Melkert samen met de ILO een rapport laten opstellen waarin het probleem van kinderarbeid en kinderslavernij nog eens werd onderstreept[1].

Samen met het IVVV was de FNV nauw bij de voorbereiding van de conferentie betrokken. Om te zorgen dat de conferentie een adequaat vervolg zou krijgen binnen de ILO, had Melkert het IVVV als secretaris van de werknemersgroep binnen de ILO, al vroeg uitgenodigd mee te denken over de opzet van de conferentie. Het IVVV zorgde ervoor dat in Amsterdam een brede vakbondsdelegatie aanwezig was. Aan de vooravond van de conferentie vond in het FNV kantoor een voorbereidende vergadering van de IVVV-delegatie plaats.

Namens Nederland werd het woord gevoerd door Minister voor Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk. Hij had in 1994 voor het eerst geprobeerd om een coherent beleid met betrekking tot kinderen op te zetten met de nota “Beleid in de kinderschoenen; beleidsnotitie over kinderen in ontwikkelingslanden”. Deze nota bevatte beleidsvoorstellen op verschillende terreinen zoals onderwijs, gezondheid, voeding en bescherming tegen uitbuiting en seksueel geweld. Afschaffing van en verbod van kinderarbeid werd als een stap te ver gezien, maar de nota pleit wel voor directe aanpak van gevaarlijke omstandigheden, slavernij en kinderprostitutie.

Naast Pronk had Ad Melkert een grote betrokkenheid bij de bestrijding van kinderarbeid en hij was erg gedreven om te zorgen voor extra instrumenten bij de ILO. Illustratief in dit verband is dat Melkert zich persoonlijk bij Johan Stekelenburg meldde als spreker op de FNV-conferentie “Een Baan om de Aarde” in de Rode Hoed in 1995, hoewel hij eigenlijk verhinderd was omdat hij bij de ministerraad moest zijn. Tijdens deze conferentie werd de FNV-campagne “Stop Kinderarbeid” officieel gelanceerd. Ook liep Melkert mee in het afsluitende deel van de Global March in Nederland op het drielandenpunt in Vaals in mei 1998.

De conferentie in Amsterdam kreeg destijds veel publiciteit en heeft in belangrijke mate de weg geplaveid voor de totstandkoming van een nieuw ILO verdrag. In de conclusies van de conferentie werd vooral de noodzaak benadrukt van aanvullende maatregelen met betrekking tot de ergste vormen van kinderarbeid en kinderslavernij. De Nederlandse regering kondigde extra middelen aan ter ondersteuning van het IPEC programma.

Oslo conferentie  

De Oslo conferentie van 27-30 oktober 1997 vormde de afsluiting van diverse voorbereidende bijeenkomsten. Op deze conferentie waren ministers uit zo’n 40 landen aanwezig. Ook de internationale vakbeweging (onder andere de FNV) en internationale werkgevers waren hier ruim vertegenwoordigd. Voorafgaand aan de conferentie organiseerde het IVVV samen met de Noorse vakcentrale LO een speciaal seminar over kinderarbeid om zo te zorgen voor een effectieve inbreng van de vakbeweging in de conferentie. Tijdens deze conferentie werd de basis gelegd voor de verdere wereldwijde aanpak van de ILO. Deze aanpak bevatte een viertal onderdelen: politieke bewustwording, een actieprogramma gericht op het onmiddellijk beëindigen van alle extreme vormen van kinderarbeid, opstellen van een nieuwe internationaal verdrag tegen extreme vormen van kinderarbeid en kinderuitbuiting en internationale sociale en economische  ondersteuningsprogramma’s.

Global March against Child Labour

Global march against child labour (1998)

Om aandacht te vragen voor het probleem van kinderarbeid werd door NGO’s en vakbeweging van januari tot juni 1998 de Global March against Child Labour georganiseerd. Het initiatief kwam van Kailash Satiarthy van SACCS. Als medefinanciers van SACCS waren de FNV en Novib direct bij de eerste plannen en bij de verdere uitvoering betrokken. Ook het IVVV was hierbij nauw aangehaakt. Astrid Kaag: “Aanvankelijk was er bij ons wel de nodige scepsis over de uiterst ambitieuze opzet van Kailash Satiarthy, maar hij wist ons met zijn enthousiasme uiteindelijk te overtuigen en ook zijn gelijk te bewijzen. Ik herinner me goed dat we bij elkaar zaten met Oxfam, de Landelijke India Werkgroep en andere organisaties en Kailash stelde het idee voor van de wereldwijde mars. Wij dachten, mijn hemel, dat kan nóóit! Maar Kailash had veel overtuigingskracht en charisma en uiteindelijk zijn we er in mee gegaan. En daar hoeven we zeker geen spijt van te hebben. Het was een fantastisch evenement dat in de hele wereld maar ook in Nederland erg aansloeg. Het was heel bijzonder deel uit te maken van zo’n wereldwijde beweging.”

De Global March startte in januari 1998 in Azië en trok daarna verder naar Latijns-Amerika, Afrika, Noord-Amerika en Europa. In tal van landen van de verschillende continenten vonden (culturele) manifestaties en demonstraties plaats waarbij werkende kinderen en hun organisaties een grote rol speelden. De mars bij de ILO conferentie in Genève in juni 1998 na een reeks van acties in diverse steden in Zwitserland. Meer dan 350 organisaties in 82 landen waren bij de organisatie van de Global March betrokken.

Inzet van de Global March was vooral wereldwijd aandacht te vragen voor kinderarbeid, te pleiten voor algemeen en goed onderwijs voor kinderen en te wijzen op de noodzaak van concrete maatregelen om alle extreme vormen van kinderarbeid en kinderslavernij uit te bannen. Hiermee was de Global March een belangrijke lobby voor het nieuwe ILO verdrag.

Opstellen van het ILO verdrag 182

Het nieuwe verdrag “Worst Forms of Child Labour Convention, 1999” (verdrag 182) en de daarbij behorende Recommendation (Aanbeveling 190) werden voorbereid in de Committee on Child Labour in 1998 en 1999 en in dat laatste jaar vastgesteld door de Algemene Vergadering van de ILO conferentie. Ter voorbereiding had de ILO een tweetal rapporten voorbereid: een inhoudelijk rapport (Child Labour; Targetting the intolerable) gevolgd door een rapport met antwoorden op een vragenlijst aan alle regeringen en een voorstel voor de nieuwe instrumenten.

Bij de opstelling van het verdrag speelde Nederland in de persoon van Alette van Leur, ambtenaar van het ministerie van Sociale Zaken, een belangrijke rol als voorzitter van de zogenaamde IMEC groep (Industrial Market Economy Group). Door Tim Noonan van het IVVV was gezorgd voor een grondige voorbereiding binnen de werknemersgroep. Na de eerste voorbereidingen in Amsterdam in februari 1997 en in Oslo in oktober 1997 waren in maart 1998 de vakbondsvertegenwoordigers in de Committee on Child Labour in Brussel bij elkaar gekomen om de inhoud van het nieuwe verdrag te bespreken. Als lid van de drafting committee (redactiecommissie) van het Committee on Child Labour konden we vanuit de FNV een nuttige liaison rol vervullen tijdens de conferentie bij het opstellen van de diverse teksten, temeer omdat ook de Nederlandse werkgeversdelegatie uiterst coöperatief was. Overigens leidde dat niet altijd tot overeenstemming. Zo wilde de IMEC groep bijvoorbeeld niet meewerken aan een tekstvoorstel van de vakbeweging om werk dat kinderen verhindert om naar school te gaan,  in het verdrag op te nemen[1].  Inhoudelijk was er vooral van India namens een groep ontwikkelingslanden uit zowel Azië, Afrika als Latijns-Amerika, verzet tegen sommige voorgestelde passages in het verdrag. Met name de passages over kindsoldaten leidden tot veel discussie, maar ook de in het verdrag genoemde leeftijdsgrens van 18 jaar voor gevaarlijk werk. Beide zijn uiteindelijk wel in het verdrag opgenomen.

Verdrag 182 verplicht de ratificerende regering tot het treffen van onmiddellijke maatregelen tegen de ergste vormen van kinderarbeid waaronder slavernij of daarmee overeenkomende praktijken, zoals ‘bonded labour’ of lijfeigenschap, gedwongen of verplichte arbeid inclusief gedwongen rekrutering bij oorlogssituaties, inzetten van kinderen in prostitutie en pornografie en onwettige activiteiten zoals de productie en handel van drugs. Regeringen dienen te zorgen voor adequate straffen. Verder dienen ze actieplannen op te stellen om deze ergste vormen van kinderarbeid te voorkomen en te elimineren en te zorgen voor adequate rehabilitatie van kinderen die hiervan slachtoffer zijn geweest.  De betekenis van de conventie gaat dus verder dan alleen onmiddellijke en effectieve wettelijke maatregelen tegen kinderslavernij, omdat ook onmiddellijke en effectieve maatregelen worden vereist om kinderen te helpen bij hun ontwikkeling.

Impact van de nieuwe Conventie

Eén van de zorgpunten over het nieuwe verdrag bij de vakbeweging was,  dat dit voor diverse regeringen mogelijk aanleiding zou kunnen zijn om ILO verdrag 138 over minimumleeftijd niet te ratificeren en na te leven.

Grafiek aantal landen dat de ILO-verdragen over Kinderarbeid hebben geratificeerd

In de praktijk is deze zorg niet bewaarheid. Integendeel, het nieuwe verdrag en de internationale aandacht voor kinderarbeid vormden blijkbaar voor veel regeringen aanleiding om naast verdrag 182 ook tot ratificatie van verdrag 138 over te gaan. Had in 1998 nog maar ruim 60 landen verdrag 138 geratificeerd, in 2011 was dit aantal opgelopen tot 163 landen (88%). Verdrag 182 werd heel snel door een groot aantal landen geratificeerd en het aantal ratificaties was in 2011 opgelopen tot 175 landen[1] (95%). Daarmee is het nu door bijna alle bij de ILO aangesloten landen geratificeerd. Verdrag 182 is daarmee een van de snelst geratificeerde verdragen van de ILO.

Kinderarbeid is niettemin nog lang niet uitgebannen. Wel zijn er in de afgelopen twee decennia goede vorderingen gemaakt. Zo hebben tussen 1999 en 2009 ongeveer 70 landen een nationaal beleid met betrekking tot kinderarbeid opgesteld. De ratificatie van verdrag 138 heeft geleid tot de vaststelling van een minimumleeftijd in al deze landen, variërend van 14 jaar in 49, 15 jaar in 73 en 16 jaar in 41 landen[1].  Helaas heeft maar 60% van deze landen een directe relatie gelegd met de leerplichtleeftijd.

Met betrekking tot verdrag 182 zijn alleen al tussen 2006 en 2009 in meer dan 90 landen nationale actieplannen voor bestrijding van de ergste vormen van kinderarbeid opgesteld[2]. In veel landen zijn wettelijke maatregelen getroffen om kinderhandel, ‘bonded labour’ en kinderexploitatie te verbieden, bijvoorbeeld voor prostitutie, sekstoerisme en pornografie, maar ook voor kameelraces en huishoudelijk werk. In verschillende landen zijn ook wettelijke regelingen gekomen die militaire dienstplicht onder 18 jaar verbied. De re-integratie van kindsoldaten blijft echter in veel landen nog wel een probleem, ondanks positieve maatregelen om dit fenomeen tegen te gaan.  Een positieve ontwikkeling is dat veel landen de minimumleeftijd voor werk onder gevaarlijke omstandigheden op 18 jaar hebben gesteld. In meer dan 108 landen zijn lijsten opgesteld met omschrijvingen van gevaarlijk werk voor kinderen.

Omvang Kinderarbeid 2000-2016, bron ILO

Er is sinds 2000 sprake van een duidelijke vermindering van de omvang van kinderarbeid van 246 miljoen in 2000 naar 152 miljoen in 2016 en 137 miljoen in 2019. Maar zoals de tabel hieronder laat zien, vlakt deze trend de laatste jaren weer af. Bovendien werkt ongeveer de helft van de 152 miljoen, namelijk 73 miljoen kinderen, nog steeds in gevaarlijke omstandigheden[1]. Dit betekent dat nog steeds wereldwijd bijna 10% van de kinderen onder vaak slechte omstandigheden moet werken en verstoken is van onderwijs. Een onaanvaardbaar hoog percentage. Voor de 100-jarige ILO was dit aanleiding om tijdens de Werelddag tegen Kinderarbeid op 12 juni 2019, op te roepen tot versterkte inzet van de beschikbare middelen om zo kinderarbeid in 2025 daadwerkelijk te hebben uitgebannen[2].

De FNV is samen met de onderwijsbond AOb via  de internationale Campagne ‘Stop Kinderarbeid, School de beste werkplaats’ nog  steeds nauw bij deze strijd tegen kinderarbeid betrokken[3].  In deze internationale coalitie is vooral de op de MV Foundation geïnspireerde aanpak leidend: een geïntegreerde aanpak per gebied met de focus op onderwijs en op samenwerking tussen bewoners, bestuur, onderwijzers, bedrijven. Hiermee is in diverse landen succes geboekt, onder andere in Ghana, Uganda, India, Kenia, Nicaragua en Turkije.

Slotopmerking

Bij de viering van 75 jaar ILO in 1994 in Den Haag stelde VNO-voorzitter Rinnooy Kan dat de ILO ‘voor velen volstrekt onbekend’ is. Ook FNV-voorzitter Johan Stekelenburg erkende dat het belang van de ILO bij veel leden niet direct op het netvlies staat[4]. Volgens ons heeft de inzet van de ILO met betrekking tot kinderarbeid hierin wel verbetering gebracht. De noodzaak van de bestrijding van kinderarbeid en kinderslavernij en de rol van de ILO hierbij wordt wereldwijd breed erkend. Nu bij haar 100-jarig jubileum kunnen we constateren dat het profiel en de bekendheid van de ILO waar het gaat om de erkenning en verbetering van fundamentele arbeidsrechten duidelijk is verbeterd. In de strijd tegen kinderarbeid heeft de ILO zich weten te profileren en ook resultaten weten te boeken. Maar, de strijd is nog zeker niet gestreden en daarom zal de ILO naar onze mening ook de komende 100 jaar nog van groot belang zijn om fundamentele rechten van werknemers en kinderen te blijven behartigen.

Astrid Kaag en Willy Wagenmans

Augustus 2019

Over de auteurs

Astrid Kaag is sinds 1994 werkzaam bij FNV Mondiaal, Willy Wagenmans werkte van 1980 tot  februari 1999 bij de FNV  en was o.a. hoofd van FNV Mondiaal.  Willy nam deel aan de eerste commissievergadering over de opstelling van het verdrag in 1998, Astrid was aanwezig bij de tweede commissievergadering in 1999, waarna het verdrag door de Algemene Vergadering is vastgesteld.

Noten

  • IVVV is in 2006 omgevormd tot Internationaal Verbond  van Vakverenigingen-IVV
  • SEWA is in 1971 opgericht door Ela Bhatt en in april 1972 erkend als eerste vakbond voor zelfstandig werkende vrouwen in de informele sector. In 2012 is Ela Bhatt onderscheiden met de Four Freedoms Award.
  • De MV foundation is in 1981 opgericht in India door een bekende onderwijs- en kinderarbeidactiviste in Andra Pradesh, Prof. Shanta Sinha. Ze vernoemde de organisatie naar haar grootvader, een bekende wetenschapper in Andra Pradesh. MV Foundation bestrijdt kinderarbeid en voert acties voor verplicht algemeen basisonderwijs.

 Aangehaalde / geraadpleegde literatuur

  • Afrekenen met kinderarbeid, FNV februari 1995
  • Background document prepared for the International Conference on combating the most intolerable forms of child labour: a global challenge. International Labour Office, Geneva, January 1997. ISBN 92-2-110501-6
  • Children shouldn’t work in fields, but in dreams! ILO rapport nav World Day Against Child Labour 12 Juni 2019.
  • Celebrating 15 years of Stop Child Labour”, 2019
  • De Internationale Arbeidsorganisatie in de toekomst, Viering 75 jaar ILO, VNO-gebouw, 21 april 1994.
  • Jaarverslag FNV Mondiaal 1998
  • Roeland Muskens – Collega’s Wereldwijd 1975-2015
  • Persbericht Oslo conferentie, October 1997 in Nadine Haspels en Michele Jankanish: Action Against Child Labour, ILO 2000
  • Report VII Consideration of a possible Declaration of principles of the ILO concerning fundamental rights and its appropriate follow-up mechanisms, ILO conferentie 1998
  • Tackling Child Labour – from commitment to action ILO 2012