Het geheugen van de vakbeweging

Piet Aalberse, de eerste minister van Arbeid, van 1918 tot 1925

Eerste Wereldoorlog – de gevolgen

Hoge Raad van Arbeid

Oefenterrein voor poldermodel

Het einde van de Eerste Wereldoorlog gaat gepaard met grote sociale onrust. De Russische Revolutie in 1917 inspireert communisten en socialisten. In Duitsland komt mede dankzij hen de keizer ten val. Keizer Wilhelm II vlucht naar Nederland, waar hij – mede dankzij zijn verre nicht, Koningin Wilhelmina – asiel vraagt en krijgt. De muiterij op het Infanterieschietkamp Harskamp lijkt een voorbode van een omwenteling in Nederland. Troelstra meent zich leider van de revolutionaire beweging, zij het dat zelfs zijn partij, de SDAP, hem niet steunt. Toch heeft zijn optreden in het licht van de internationale roerselen, gevolgen voor de sociale ontwikkelingen van Nederland.

In de loop van de oorlogsjaren is de invloed van de vakbeweging toegenomen. Mede als gevolg van regelgeving rond de werkloosheid, is het aantal vakbondsleden sterk gegroeid en is de vakbeweging erkend als legitieme vertegenwoordiger van de arbeiders. Op zondag 10 november spreekt Troelstra in Rotterdam. Hij roept weliswaar niet op tot revolutie, maar formuleert – in overleg met partijleden over wie de revolutionaire geest vaardig is geworden – een aantal eisen, waaraan het kabinet gevolg moet geven. Die zelfde nacht wordt een ‘Program van Eischen’ geformuleerd, dat op maandag 11 november in het gehele land verspreid zal worden (zie kader). Toen – zo wordt verteld – Troelstra het Program maandagmorgen las, riep hij uit: ’Zulk een program is revolutie’. Maar in de praktijk valt het allemaal erg mee.

Na de algemene verkiezingen in juli 1918 is een nieuw kabinet geformeerd onder leiding van de eerste roomskatholieke minister-president, C.J.M. Ruijs de Beerenbrouck. De eveneens katholieke minister van Arbeid is P.J.M. Aalberse. Zij reageren opvallend rustig op de eisen van de SDAP, die overigens in nauw overleg met het NVV zijn opgesteld. Zelfs de afschaffing van de Eerste Kamer is in die dagen voor het kabinet geen brug te ver.
De invoering van de 8-urendag – een oude wens van de vakbeweging – wordt snel ingewilligd. Dat het in de praktijk nog jaren zal duren voordat de Nederlandse werknemer ook feitelijk 8 uur per dag werkt, is op dat moment minder belangrijk. Het gaat het kabinet erom in zekere mate tegemoet te komen aan de wensen van de vakbeweging en de SDAP om duidelijk te maken dat ook midden en rechtse partijen sociaal beleid kunnen voeren. Weliswaar kwam er niets terecht van de revolutionaire gedachten van Troelstra, maar het kan zeker geen kwaad om aan een aantal eisen tegemoet te komen om de angel uit de revolutionaire geest te halen. Aalberse voert niet alleen de 8-urendag in, maar schudt ook het stof van de Ziektewet, die al in 1913 door A.S. Talma tot stand kwam, maar nooit werd ingevoerd. Hij wil de Talma-wet niet onaangepast invoeren en vraagt daarover advies aan de Hoge Raad van Arbeid.
Op 10 december 1918 zet de minister-president het sociale programma van het kabinet in de Tweede Kamer uiteen. Als eerste element in dat beleid meldt hij de oprichting van de Hoge Raad van Arbeid. Daarmee geeft het kabinet aan zich bewust te zijn van het feit dat sociaal-economisch beleid alleen vorm kan krijgen door betrokkenheid van werkgevers- en werknemersorganisaties. Het is met name Piet Aalberse die zoekt naar wegen om zijn opvattingen over de inrichting van de samenleving vorm te geven. Hij meent dat de rol van de overheid op sociaaleconomisch terrein bescheiden moet zijn en blijven en dat het vooral werkgevers en werknemers zijn, die de hoofdlijnen van het beleid moeten trekken. Daarom is nauwe samenwerking tussen kapitaal, arbeid en overheid van groot belang.
Bijna een jaar na de aankondiging van Ruijs, wordt op 4 oktober 1919 formeel besloten tot de oprichting van de Hoge Raad van Arbeid.

Oproep uit Het Volk, 12 november 1918

Program van Eischen

  1. Onmiddellijke demobilisatie met uitkeering van behoorlijke vergoedingen, zoolang de gedemobliseerden werkloos zijn;
  2. Onmiddellijke invoering van het algemeen vrouwenkiesrecht; kiesecht voor alle meerderjarigen;
  3. Afschaffing der Eerste Kamer;
  4. Dekking der kosten van alle crisisuitgaven en sociale maatregelen door heffingen ten laste van het groot-kapitaal en van het grootgrondbezit;
  5. Socialisatie van alle bedrijven, die daarvoor in aanmerking komen;
  6. Snelle en afdoende voorzieningen in den woningnood;
  7. Verbetering van den toestand der kleine boeren;
  8. Inwilligen van alle eischen van den Bond van Nederlandsche Dienstplichtigen;
  9. Intrekken van de stakingswetten van 1903;
  10. Levensmiddelenvoorziening als gemeenschapszorg met samenwerking van boeren, landarbeiders en verbruikersorganisaties.
    Regeling van produktie en aanvoer;
  11. Invoering van staatspensioenen op 60-jarigen leeftijd;
  12. Aanvaarding en tenuitvoerlegging van de internationale eischen der vakvereenigingen op het gebied van sociale wetgeving (program van Bern)
  13. Onverwijlde invoering van den wettelijke 8-urendag en van den 6-urendag voor ondergrondschen mijnarbeid;
  14. Volleedige werklozenzorg onder beheer der arbeidersorganisaties;
  15. Belangrijke verhooging der salarissen van werkliezen en lage ambtenaren in publieke dienst en van het spoorwegpersoneel.

Volkomen teleurstelling’

Naast werkgevers en werknemers bestaat de Raad uit deskundigen en topambtenaren, de minister is voorzitter van de Raad. Ruim twee maanden later – op 29 november 1919 – wordt de Hoge Raad van Arbeid geïnstalleerd. Aan werknemerskant bestaat de Raad uit vijf NVV-ers, drie leden van het Rooms Katholiek Vakbureau, twee CNV-ers, twee leden van het NAS en een lid namens het Algemeen Nederlands Vakverbond (ANV). De feitelijke werkzaamheden – zo besluit de minister – worden uitgevoerd in twaalf vaste commissies.

Roel Stenhuis, Tweede Kamerlid voor de SDAP en NVV-voorzitter van 1919 tot 1928

De instelling in 1919 geschiedt bij Koninklijk Besluit, maar de grondwetswijziging in 1922 maakt het noodzakelijk de Hoge Raad van een wettelijke basis te voorzien. Op 24 december 1927 komt die wettelijke basis tot stand. In de wet wordt ook duidelijk dat de Raad twee functies heeft: de adviesfunctie: het adviseren over voornemens om tot wetgeving te komen en de overlegfunctie: de mogelijkheid om eigener beweging onderwerpen te agenderen en daarover te adviseren.

Tijdens de voorbereiding en bij de behandeling van het wetsontwerp in het parlement blijkt de waardering voor het werk van de Raad. Die waardering blijkt bij sociaaldemocraten niet erg groot. NVV-voorzitter en SDAP-Kamerlid, Roel Stenhuis, die zelf lid van de Raad is, spreekt van een ‘volkomen teleurstelling’. De adviezen van de Raad beperken zich tot een te smal werkterrein en de overheid – zo meent Stenhuis – laat de opvattingen van werkgevers te zwaar wegen.

Het is een opvallend oordeel omdat in de literatuur veelal hoog wordt opgegeven over het functioneren van de Raad. Daarmee is immers de basis gelegd voor de overlegeconomie, die na 1945 vorm krijgt in de Stichting van de Arbeid en de Sociaal-Economische Raad. De ontmoeting tussen partijen, slijpt – zo is de redenering – de scherpste randjes van de conflicten. Men leert elkaar en elkaars argumenten kennen en – tot op zekere hoogte – waarderen.

Coen Helderman komt in zijn onderzoek gebaseerd op primaire bronnen tot andere conclusies. Hij concludeert – met Stenhuis – dat de Raad actief is geweest op een betrekkelijk beperkt werkgebied. Veel adviezen hebben betrekking op de uitvoering van de Arbeidswet. De Raad heeft geen of weinig invloed gehad op het sociaaleconomisch beleid. Dat komt omdat het de overheid aan een samenhangend sociaaleconomisch beleid ontbrak en omdat de overheid tal van andere adviesorganen in het leven riep, waardoor de Raad werd gepasseerd. Daarbij komt dat de Raad eigener beweging in de grond van de zaak niet tot veel omvattende advisering kwam.

Ook de overlegfunctie kwam niet uit de verf. Het aantal voltallige vergaderingen van de Raad bleef beperkt, zodat van veelvuldig ontmoeten nauwelijks sprake was. Daarbij kwam dat werkgevers en werknemers met name in de jaren dertig eerder bilaterale akkoorden sloten dan in de Raad te overleggen. Toch moet – zo meent Helderman – de Raad niet naar de kantlijn van de geschiedenis worden geschreven. Het functioneren van de Raad heeft wel degelijk een basis gelegd voor de naoorlogse overlegeconomie en het later poldermodel. Niet direct, zoals vaak veronderstelt, maar indirect. De Raad vormde als het ware een oefenplaats voor sociale partijen om met elkaar te ‘leren’ omgaan. De Raad vormde de structuur waarbinnen partijen werden gedwongen om hun standpunten te onderbouwen en om daarover met elkaar van gedachten te wisselen. De waarde van de Raad, die in 1919 ontstond om de dreigende sociale onrust in te kaderen, schuilt in het feit dat partijen naar elkaar moesten luisteren, elkaars argumenten moesten wegen en eigen opvattingen grondig moesten onderbouwen. De les: eerst praten, dan pas wat anders. De strijdcultuur, die in hoge mate werd verbeeld door de klassenstrijd, werd langzaam omgebogen in een overlegcultuur. Een overlegcultuur, die na 1945 tot grote bloei zou komen.

 

Piet Hazenbosch

Oktober 2018

Geraadpleegde literatuur

Coen Helderman, De Hoge Raad van Arbeid, 1919 – 1940 (- 1950) in Tijdschrift voor Sociale en Economische geschiedenis, 2004, nr. 2, 45-70

Lees verder…