Het geheugen van de vakbeweging

Hildo Krop op veertienjarige leeftijd. Portretfoto gemaakt door zijn grootvader Hendrik Cordes in 1898


Zijn werk maakt van Amsterdam een openluchtmuseum

Hildo Krop, stadsbeeldhouwer

In Amsterdam valt ook buiten het centrum veel te genieten. Ga, als je het Centraal Station uitkomt, eens rechtsaf in plaats van rechtdoor en wandel over de Haarlemmer Houttuinen naar het Bickerseiland, de omgeving die Jan Mens inspireerde voor zijn prachtige cyclus over Griet Manshande, de dochter van een werfbaas, die zich als jonge weduwe staande houdt als caféhoudster. Op weg naar het eiland kun je en passant op het Nassauplein ook nog het meer dan manshoge standbeeld van Ferdinand Domela Nieuwenhuis bewonderen. Voor wie rechtsaf geen goed idee is kan natuurlijk ook linksaf slaan richting Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg, waar de legendarische Bijltjes geschiedenis schreven en waar in 1869 de eerste georganiseerde werkstaking plaatsvond onder leiding van de scheepstimmerliedenvereniging ‘Vriendschap zij ons doel’. Wie Amsterdam op een wat minder gebruikelijke manier wil bekijken kan ook wandelingen maken langs de vele beeldhouwwerken van Hildo Krop.

Inderdaad wandelingen, want de teller voor beelden, sculpturen en monumenten die Krop voor de stad heeft gehakt staat pas stil boven de honderd. Het is ondoenlijk om al zijn werk in één wandeling te bekijken. De beelden en monumenten van Krop maakt van de stad een waar openluchtmuseum en al wandelend kom je op plaatsen waar je anders niet zo snel zou komen. Het rijke bezit aan werk van Krop dankt Amsterdam aan de unieke omstandigheid dat Nederlands grootste beeldhouwer in dienst van de stad was als stadsbeeldhouwer.

Naast de levensschets van Krop zijn elders op de website een drietal wandelingen opgenomen die voeren langs de vele beelden van de stadshouwer. Elke route geeft uren van wandel en kijkplezier. Voor de volledigheid wijze we erop, dat niet al het werk dat Krop voor Amsterdam heeft gemaakt langs de uitgeschreven routes zijn te zien. Er bevindt zich ook nog werk in andere delen van de stad.

Wie na alle wandelingen nog energie over heeft en (nog) meer wil weten over de man en zijn werk kan een leuke trip maken naar Steenwijk en villa Rams Woerthe bezoeken, alwaar het Museum Hildo Krop is gevestigd. Tot slot zijn er overzichten opgenomen van werk van Krop buiten Amsterdam en werk dat zich bevindt in Nederlandse musea.

Stadsbeeldhouwer

Monument Pieter Jelles Troelstra – Leeuwarden, Oldehoofster Kerkhof, , brons en musschelkalksteen (1961-1962)

Hildebrand Lucien Krop, ge­boren op 26 februari 1884, is de tweede zoon in een gezin met vier dochters, twee zo­nen en een vroeg wees ge­worden nichtje. Zijn ouders, Hendrik Krop en Johanna Louisa Cordes, drijven in Steenwijk een bakkerij. Vader Hendrik, die Hein wordt ge­noemd, is van 1899 tot 1923 wethouder. Hij heeft de pro­testantse kerk verlaten en is toegetreden tot de kring van vrijdenkers en is lid van de Geheelonthoudersbond. In politiek opzicht is hij de vrijzinnig-democratische richting toegedaan, zonder lid te zijn van een partij. Hij neemt met belangstelling het opkomende socialisme waar en neemt zijn zoons mee naar bijeenkomsten waar onder meer Ferdinand Domela Nieuwenhuis en Pieter Jelle Troelstra spreken. Hildo’s moeder is artistiek aangelegd en staat open voor nieuwe ontwikkelingen. Als haar kinderen opgroeien is zij meestal thuis te vinden en kan ze haar artistieke gave alleen kwijt in het zelf maken van hun kleding volgens de laatste mode. Het ligt in de bedoeling dat Hildo de bakkerij overneemt, omdat zijn oudere broer zal gaan studeren. Op veertienjarige leeftijd komt hij bij zijn vader in de bakkerij om het vak te leren.

Wanderschaft

Na zijn leertijd gaat hij op reis om zijn vakbekwaamheid bij andere meesterbakkers te verbeteren. Opmerkelijk, want in de gildetijd is zo’n ‘Wanderschaft’ niet ongebruikelijk, maar begin twintigste eeuw toch niet echt meer in de mode. In Leiden is hij in dienst bij bakker Willemse aan de Lange Mare. Om marsepeinfiguren te maken volgt hij boetseerlessen op de Ambachtsschool. Daarna werkt hij in Hotel Garni te Scheveningen, in Amsterdam bij een Joodse bakker in de Utrechtsestraat en in Groningen bij een banketbakkerij aan de Groote Markt. In 1904, inmiddels opgeklommen tot bakkersgezel, werkt hij bij een chique patisserie in Brussel. Gedurende enige jaren heeft hij een zwervend bestaan als kok in Parijs, in Zandvoort, op een passagiersschip van de Holland-Amerika-Lijn en aangelokt door affiches van de Wereldtentoonstelling te Milaan, in diverse plaatsen in Italië. Tenslotte komt hij in Engeland als kok in dienst op Well Hall House in Eltham bij de journalist en auteur Hubert Bland en de kinderboekenschrijfster Edith Nesbit. Beide zijn medestichter van de Fabian Society, een libertair socialistisch gezelschap, waardoor Well Hall House in de periode 1899-1920 als salon fungeert voor de Engelse links-politieke, artistieke en literaire wereld.

Krop tekent gedurende de jaren van zijn ‘Wanderschaft’ veel. Hij is daarmee begonnen in het Steenwijkse atelier van zijn grootvader Hendrik Cordes, horlogemaker en later fotograaf en tekenleraar. Nadat Nesbit zijn tekenwerk onder ogen heeft gekregen nodigt ze hem uit om de bijeenkomsten bij te wonen. Het stimuleert hem om een zomercursus schilderen te volgen bij Heaterly’s of Fine Art in Londen. Terug in Nederland vertelt hij zijn ouders, dat hij geen bakker wenst te worden en derhalve de bakkerij niet zal overnemen. Ondanks hun teleurstelling stemmen ze eind 1907 in met zijn vertrek naar Parijs, om teken- en schilderlessen te gaan volgen aan de vrije Académie Julian. Het is hier dat hij begint met het boetseren van volkstypen en omdat hij hiervoor meer waardering krijgt dan voor zijn schilderwerk verschuift zijn belangstelling naar het beeldhouwen. In het cursusjaar 1908-1909 krijgt hij les van de beeldhouwer en hoogleraar aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten Bart van Hove en raakt hij onder invloed van het in die tijd dominerende symbolisme, dat zich kenmerkt door een hang naar het verleden en gericht is op het onderbewuste, het ongewone en het onverklaarbare. In 1909 leert hij de beeldhouwer/schilder John Rädecker kennen, nu vooral bekend van het Nationaal Monument op de Dam, die hem het hakken in steen eigen maakt. Krop is een forse man wiens lichaamskracht goed van pas komt bij het houwen in het weerbarstige materiaal. Hij behaalt in 1910 de akte Middelbaar Onderwijs Tekenen, waarna hij enige tijd lesgeeft aan de Hogere Burgerschool te Haarlem, maar voor lesgeven schiet zijn geduld te kort. In 1911 schrijft hij zich in voor de Prix de Rome, een staatsprijs voor jong talent. Krop wordt eervol tweede, maar helaas voor hem is daar, in tegenstelling tot de hoofdprijs, geen jaargeld aan verbonden. De bakkerij in Steenwijk is inmiddels door zijn ouders verkocht en er is voor Krop geen weg meer terug. Met het diploma van de Rijksacademie op zak gaat Krop naar Berlijn, waar hij in de winter van 1911-1912 les krijgt van de beeldhouwer Georg Kolbe aan de Kunstgewerbeschule, waar hij zich bekwaamt in het snijden in leisteen, wat hem later van pas komt bij het maken van penningen. De sfeer in Berlijn bevalt hem niet. Hij verlaat de stad en gaat via Rome wederom naar Parijs, waar hij zijn intrek neemt bij de Nederlandse schilder/tekenaar Jacob Bendien, die ook intensieve contacten onderhoud met John Rädecker. Krop raakt bevriend met de later beroemd geworden Wit-Russische beeldend kunstenaar Ossip Zadkine, die in Nederland vooral bekend is van het ruim vier meter hoge beeld ‘De verwoeste stad’ aan de Leuvehaven in Rotterdam. Beide zijn lid van de zo gehete ‘En taille directe’, een groep beeldhouwers die direct in steen hakken zonder model.

Amsterdam

Portretbuste van Hendrik (Hein) Krop, vader van de beeldhouwer. Gemaakt in of na 1910. Brons. (Collectie gemeente Steenwijkerland)

In 1912 vestigt Krop zich voorgoed in Amsterdam en ontwerpt en maakt meubels. Vanwege het uitblijven van opdrachten werkt hij enige tijd bij de meubelfabriek van W. Gieben waar hij leert houtsnijden. De opdracht van de architect Piet Kramer voor het ontwerpen van een gevelsteen voor het gebouw van de Bond van Minder Marine Personeel is een keerpunt in zijn leven. Hij ontwerpt en maakt een gevelsteen met een anker (de titel van het bondsblad) dat niet losslaat ondanks de woeste golven. De gevelsteen is helaas verloren gegaan bij een bombardement in juni 1940. Eenheid van architectuur en beeldende kunst is in die jaren een voornaam streven in het socialistische symbolisme. Het individu moet dienstbaar zijn aan de gemeenschap terwijl het vrijheidsstreven van de arbeiders uitgedrukt moet worden in algemeen herkenbare symbolen. Ook zijn tweede opdracht dankt Krop aan Kramer. Als assistent van architect H.A. van den Eynde, die met het beeldhouwwerk aan het Scheepvaarthuis is belast, mag hij een aantal portretten van grote zeevaarders uitbeitelen en verzorgt hij de emblemen van de scheepvaartmaatschappijen in ‘bakwerk’, een methode waarin aarde of een kleimengsel in een vorm wordt gemodelleerd en daarna gebakken.

Krop ontmoet Mien Sleef op een lie­derenavond van een amateurzanggezel­schap. Zij is de dochter van de vooraan­staande SDAP’er en typograaf J.W. Sleef, die als meesterknecht in dienst is bij de drukkerij van Het Volk. Sleef, afkomstig uit Franeker, staat bekend als een fat­soenlijk man, die zelden of nooit vloekt. Hij heeft een christelijke achtergrond, wat hem niet belet op de voorgrond te treden onder de parlementaire sociaal­democraten. Hij is aanwezig op de op­richtingsvergadering van de Sociaal-De­mocratische Arbeiderspartij (SDAP) in 1894 te Zwolle en als hij daarvan verslag doet aan de Amsterdamse Sociaaldemo­cratische Vereniging (SDV), wordt onder luid gejuich besloten zich aan te sluiten bij de nieuw opge­richte partij. Het kan niet anders dan dat de omgang met zijn schoonfamilie invloed heeft gehad op de politieke vorming van Krop, die zich in 1908 aansloot bij de SDAP. Mien Sleef is met haar felle natuur een tegenpool van de doorgaans goedaardige Krop. Ze treden op 24 december 1914 in het huwelijk. Vanaf 1920 woont het gezin naast het atelier aan de Plantage Muidergracht. Hun kinderen Heleen en Johan groeien voorspoedig op, maar Hein hun derde kind overlijdt op zeer jonge leeftijd. De woning ligt in de buurt van Artis, waar Krop graag komt om dieren te tekenen, die een inspiratiebron zijn voor zijn latere ornamenten en sculpturen aan bruggen en gebouwen.

Portretbuste van Wilhelmina Frederika (Mien) Sleef, echtgenote van Krop, 1916-1917. Brons. (Collectie gemeente Steenwijkerland)

Nu hij de zorg voor een gezin heeft gaat hij op zoek naar een vaste bron van inkomen. Op advies van Kramer vraagt Krop de directeur van Publieke Werken A.W. Bos om een gesprek. Bos, voorstander van de nieuwe bouwstijl die met de bouw van het Scheepvaarthuis aanvangt, wordt door het gemeentebestuur in 1916 gemachtigd Krop voor een bescheiden salaris parttime in dienst te nemen. Voor de rest van zijn leven zal hij de stadsbeeldhouwer van Amsterdam zijn, al kreeg hij deze (ere)titel pas officieel in 1956. Zijn eerste opdracht als stadsbeeldhouwer is het maken van een sluitsteen boven de ingang van een school in de Transvaalbuurt. De eerste grote opdracht van de gemeente zijn de ornamenten aan het hoofdgebouw van de gemeentelijke telefoondienst aan de Herengracht.

Communistische sympathieën

In 1918 verlaat Krop de SDAP vanwege een advertentie in Het Volk voor de negende Duitse oorlogslening, maar mogelijk geeft daarbij zijn enthousiasme voor de Russische Revolutie en de nog jonge Sovjetunie de doorslag. Hildo en Mien Krop houden zich de rest van hun leven op in communistische kringen. Over een lidmaatschap van Krop van de Communistische partij bestaat twijfel, maar waarschijnlijk is Krop geen lid om zijn positie als stadsbeeldhouwer niet in gevaar te brengen. In de jaren twintig maakt hij voor de Tribune politieke houtsneden. In 1921 ontwerpt hij de boekomslag voor Uit Sowjet-Rusland. Beelden en beschouwing van Henriëtte Roland-Holst. Voor de herdenking van het tienjarig bestaan van de Sovjetunie maakt hij een legpenning. In 1931, een jaar voordat hij een drie maanden durende reis naar Rusland onderneemt, boetseert hij een portretbuste van Lenin. Voor het twintigjarige bestaan van de Sovjetunie maakt hij een beeld van een dijkwerker dat een plaats krijgt in een park te Moskou.

Scheepvaarthuis, Prins Hendrikkade / Binnenkant. ‘Schipper en bootsman’. Bakwerk, 1913-1916 (foto: Baronas)

Dat niet iedereen is ingenomen met het werk van Krop getuigt Gerard Reve, die school ging op de Rozen­burgschool in Tuindorp Watergraaf­smeer beter bekend als ‘Betondorp’. Als hij na vele jaren zijn oude school bezoekt ergert Reve zich nog steeds aan die “verschrikkelijke geslachts­loze beelden van de communistische koekenbakker Hildo Krop”. Reve’s vader, de communistische journalist en schrijver Gerard J.M. van het Reve, heeft een heel andere mening over Krop nadat hij hem heeft gevraagd een omslag te maken voor zijn boek De Voorsten, de eerste Nederlandse communistische roman in Nederland, uitgegeven in 1930.

“Ik vroeg hem of hij voor mijn boek een houtsnede voor de omslag wilde maken. Hij was daarin wel bereid, maar hij moest het boek eerst lezen zei hij en het goed vinden. ‘Natuurlijk’ erkende ik. ‘Kom morgen maar even langs!’ Ik vroeg nog hoe laat het hem zou schikken. ‘Tien uur!’, antwoordde Hildo Krop kortaf.  Hildo Krop was in die dagen reeds voor mij een indrukwekkende kerel. Het was voor het eerst dat ik hem hier in zijn atelier aan het werk zag een stevige ijzersterke boer of, zoals wij in die tijd typerend plachten te zeggen: een polderkerel. Ik zie hem in mijn herinnering nog bezig een ontzaglijke hoop aarde of klei met behulp van schop en kruiwagen van de ene hoek van zijn grote werkruimte naar een andere over te brengen. Hij liep op klompen en in een overal. Toen ik onderweg naar huis bedacht dat deze man mijn manuscript zou lezen en beoordelen hield ik mijn hart vast. Ik hoefde bij hem niet aan te komen met uitvluchten over tijdnood of bestaanszorgen. Je werk moest goed zijn, werkelijk goed, en daarmee uit. Toen ik de volgende morgen weer op zijn atelier kwam ging hij er rustig bijzitten en gaf zijn oordeel. Het was een genadeloze kritiek, waaruit bleek dat hij mijn manuscript terdege had gelezen en ik kreeg de indruk dat geen enkele zwakke plek aan zijn aandacht was ontsnapt. Ik dacht al dat ik in zijn ogen een hopeloos geval was, toen hij plotseling te kennen gaf, en op heel andere toon, dat er hier en daar wel goede beschrijvingen in voorkwamen en dat hij die houtsnede wel wilde maken. En daarop vertelde hij mij allerlei belevenissen uit zijn jonge jaren.”

Krop houdt zich politiek niet afzijdig. Hij is lid van de radicale Socialistische Kunstenaarskring, waar zowel sociaaldemocraten als communisten lid van zijn en van de Bond van Kunstenaars ter Verdediging van Kulturele Rechten. Het echtpaar Krop verleent onderdak aan agenten uit Rusland. De eerste is Max Friedman, die hun vervolgens in contact brengt met zijn opvolger Ignace Reiss, met wie zij goed bevriend raken, getuige de portretbuste die Krop van hem maakt. De tweelingbroers Anton en Han Pieck geven zich al jong over aan hun beider passie: tekenen. Volgens Anton is zijn broer de talentvolste van hun tweeën en hij spreekt er menigmaal zijn teleurstelling over uit dat Han daar te weinig mee doet. In 1919 krijgt Han Pieck contact met functionarissen van de Communistische Internationale en wordt hij, naar mag worden aangenomen, lid van de CPN. In de jaren twintig en dertig zijn vele vooraanstaande communisten, onder wie Alex de Leeuw en het echtpaar Krop, huisvrienden van Pieck. Voor Reiss koesteren Pieck en zijn vrouw Geziena van Gelder grote sympathie. Volgens de Nederlandse Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) verricht het echtpaar Pieck fulltime koeriersdiensten voor de Russische geheime dienst. De Piecks, de Krops en Reiss bewegen zich in dezelfde kringen, of dat ook betekent dat Krop en zijn vrouw actief hebben bijgedragen aan informatiediensten aan de Sovjetunie valt niet uit te sluiten. Na afloop van de oorlog wordt Krop verhoord door de BVD, maar die komt tot de conclusie dat Krop wellicht enige diensten heeft bewezen, maar dat de relatie hoofdzakelijk berust op wederzijdse sympathie. De moord op Reiss in 1937 door de Russische geheimendienst, kort nadat hij met de Sovjetunie heeft gebroken, moet voor Hildo en Mien Krop een enorme schok zijn geweest, niet alleen vanwege de gewelddadige dood van een vriend, maar ook vanwege de misdaad van een door hen bewonderd land.

Productief

Portretbuste van Lenin. Terracotta, 1931. Wat het portret uitstraalt is de visie van Krop dat Lenin meer een denker en een wetenschapsman is dan een leider. De buste siert tot aan zijn dood het atelier van Krop. (Collectie gemeente Steenwijkerland)

Door de overeenkomst tussen Krop en de gemeente Amsterdam is een zeer groot aantal werken tot stand gekomen, veel meer dan je uit een parttime dienstverband zou mogen verwachten. Veel van de enorme werkkracht van Krop is terug te vinden aan scholen, bruggen en openbare gebouwen in de stadsuitbreidingswijken die tussen de beide wereldoorlogen tot stand zijn gekomen.

Nadat architect Piet Kramer een vaste aanstel­ling heeft gekregen bij de afdeling bruggen van de gemeente, zal Krop vele sculpturen ontwer­pen voor de bruggen die Kramer ontwerpt. Dankzij de Woningwet van 1901 hebben ge­meenten en woningbouwverenigingen vol­doende financiële mogelijkheden om te bou­wen, maar ook om de bouwobjecten van kunst­zinnige verfraaiingen te voorzien. De bruggen in de Leidsestraat is het eerste voorbeeld van de samenwerking. In 1916 ontwerpt Krop een fa­beldier voor de afdekplaten van de drie brug­gen; in totaal dus twaalf stuks, waarvoor het hakwerk wordt verricht door de firma Johan Po­let. Een liggend fabeldier is ook te zien op de brug in de Amsteldijk over het Amstelkanaal. Krop beeld voor de bruggen van Kramer graag zeedieren uit, zoals robben, zeeleeuwen en vissen of vogels, zoals een zeearend. De relatie van architect en beeldhouwer komt een tijdlang op een laag pitje te staan, nadat tegen de zin van Krop Kramer de ontwerpen voor de brug aan de Amsteldijk toch naar Duitsland stuurt om ze tegen een lagere kostprijs uit te laten hakken. Krop is daartegen, omdat hij de uitvoerders in Nederland het brood niet uit de mond wil stoten.

De eerste echt grote opdracht van de ge­meente is het ontwer­pen van versieringen voor het gebouw van de gemeentelijke tele­foondienst aan de He­rengracht. Boeren, mijnwerkers en bouw­vakkers staan model voor de moderne eco­nomie. Springende hertjes staan symbool voor de snelheid en figuren van een Afrikaan, een Aziaat, een Indiaan en een Eskimo voor het bereik van het wereld­omspannende nieuwe medium.

‘De volksredenaar’, Oudezijds Voorburgwal. Walmuurbe¬kroning annex urinoir, grijze hardsteen, 1926 (foto: Baronas)

Hoewel hij als lid van de SDAP bedankt, krijgt hij in 1918 opdracht om een grafmonument te maken op de Nieuwe Oosterbegraafplaats voor Albert Hahn. Het wordt een beeld van een werker, die met vrouw en kind op weg is naar een stralende toekomst. Ondanks een zware nieroperatie is Krop in de jaren twintig zeer productief. Onder collega beeldende kunstenaars, vooral de jongere, bestaat geregeld onvrede met het monopolie van hem in Amsterdam. Krop kan zijn positie handhaven door hen geregeld te betrekken in opdrachten. Zo werken Rädecker en Mendes da Costa mee aan de beelden voor de nieuwe stadhuisvleugel en in 1925 worden zij, samen met Lambertus Zijl, naast Krop ingeschakeld bij de ‘Exposition des arts décoratifs et industriels modernes’ in Parijs.  Het Nederlandse paviljoen, in de stijl van de Amsterdamse School, is een ontwerp van J.F. Staal. Krop woont ten behoeve van het werk aan het paviljoen een half jaar in het woonhuis-atelier van Zadkine. In Parijs is hij een opvallende verschijning, omdat hij gewoonlijk gekleed gaat in een wijde broek, een boezeroen met bretels en op klompen loopt. Aan de Kinderbrug over de Boerenwetering, die zorgt voor de verbinding tussen het Muzenplein en de Churchilllaan wordt zelfs door negen collega’s meegewerkt. De brug wordt omringd door granieten beeldhouwwerken. De hoofdsculptuur, een steigerend paard met tussen de poten een meisje is van de hand van Krop.  Aan de andere kant van het Muzenplein ligt de Hildo Kropbrug. De kinderen in de naam van de brug zijn niet te zien op de brug zelf, maar staan op de noordelijke kade van het Muzenplein aan De Kom (tussen Kinderbrug en Hildo Kropbrug). Op de brug zelf zijn wel drie kinderen te zien, De onbevangenheid der mensen tegenover het leven, Meisje met eekhoorns en Jongen met konijnen van de hand van Krop, die respectievelijk op een tien meter hoge pyloon en op twee dekstenen staan.

Veelzijdig

De Vierwindstrekenbrug, in de Jan van Galenstraat over de Admiralengracht, heeft brugbekroningen die de vier windstreken symboliseren. De Eskimo met zeerobben staat symbool voor ‘Het Noorden’. (foto: Baronas)

Krop is een veelzijdig kunstenaar die zich niet beperkt tot beeldhouwen. Hij ontwerpt en maakt boekbanden, tekent, lithografeert, schildert en maakt tientallen vaak politiek getinte houtsneden. Daarnaast ontwerpt hij meubels, vloerkleden voor de tapijtfabriek van zijn zwager in Rhenen en zelfs complete interieurs. Hij maakt toneelmaskers, onder meer voor Albert van Dalsum, en keramiek en kleine plastieken waarmee hij zijn fantasie de vrije loop kan laten. Hij maakt zich nieuwe technieken eigen. Voor een olifant die hij in 1925 voor zijn zoon Johan maakt leert hij bij de keramist Bert Nienhuis glazuren.

Doordat de venen uitgeput raken en bovendien de turf als brandstof door steenkool wordt verdrongen is er sprake van grote werkloosheid in Steenwijk. Door een burgerinitiatief, onder wie wethouder Hendrik Krop, wordt in 1919 de Eerste Steenwijkse Kunst Aardewerk Fabriek (ESKAF) opgericht. Hendrik Krop is president-commissaris. De fabriek, gevestigd aan de Parallelweg, produceert van 1920 tot 1927. Het biedt Krop en anderen keramisten de mogelijkheid om gebruiks- en sieraardewerk te ontwerpen. Krop ontwerpt circa zestig modellen voor de fabriek. ‘Moeder Aarde’ dateert uit het begin van de jaren twintig, een gehurkte vrouw met een liggend figuur op schoot met daaromheen: een steenbok, een roofvogel en een slang. De figuur van Moeder Aarde zal in latere jaren nog een aantal malen in zijn werk terugkeren. In 1958 huurt de gemeente Amsterdam dit beeld voor een expositie in het Weteringsplantsoen, om het vervolgens te kopen.

In de jaren 1933-1935 werkt Krop aan het kleimodel van het reliëf ‘Een volk dat leeft bouwt aan zijn toekomst’ voor het monument op de Afsluitdijk.

Via J.F. Staal krijgt Krop de opdracht om beelden van krantenjongens, voor het nieuwe gebouw van de Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal, te ontwerpen. De vier naakte jongens die in de toren van het gebouw moeten komen worden door Krop ‘opgerekt’. Door perspectivische vertekening zien ze er dan van beneden af weer normaal uit. Twee van de beelden zijn later herplaatst aan de Donauweg, maar op een lager niveau, zodat het bedoelde effect is verdwenen. Begin jaren dertig loopt het aantal gemeente-opdrachten terug. Het geeft Krop de ruimte om meer aan particulieren opdrachten te doen.

Een rijksopdracht is in 1933 het monument op de Afsluitdijk ter herinnering aan de afsluiting van de Zuiderzee. Krop maakt een reliëf in brons van drie dijkwerkers die basaltblokken plaatsen. Naast de drie hoofdthema’s in zijn werk: arbeiders, vrouwelijk naakt en de natuur, worden door Krop ook filosofen uitgebeeld. Erasmus is te vinden in de tuin van het Vredespaleis in Den Haag en voor het Vossius-gymnasium in Amsterdam. Spinoza is te zien voor het Spinoza-lyceum en Descartes bij het voormalige Cartesius-lyceum beide, eveneens in Amsterdam.

Oorlog

Boegbeeld ‘St. Joris en de draak’ op de m.s. Tara, brons, 1951.

Om zijn afkeer voor oorlog tot uiting te brengen werkt Krop belangeloos aan het monument ter nagedachtenis aan de Belgische geïnterneerde, die omgekomen zijn bij een opstand tegen de Nederlandse bewaking. Zijn ontwerp wordt vanwege politieke motieven afgekeurd. Het compromis is een monument dat hulde brengt aan de gastvrijheid die de Belgen hier genoten. Het bovendeel van het monument is gemaakt door de Zwitserse beeldhouwer François Gos, op het onderdeel staan de fusillade, de internering en de uittocht, die door Krop zijn gemaakt. Krop is een van de ongeveer 200 leden van de Nederlandse afdeling van het in 1933 te Parijs opgerichte Wereldcomité van Kunstenaars en Intellectuelen voor de slachtoffers van het Hitler-regime. Het toont zijn afkeer van fascisme en nazisme. Ten tijde van de Olympische Spelen in Berlijn in 1936 protesteren kunstenaars in heel Europa tegen het fascisme. In Amsterdam vindt een tentoonstelling plaats onder de veelzeggende titel D.O.O.D. (De Olympiade Onder Dictatuur). Onder de vele inzendingen bevindt zich ook werk van Krop. Tijdens de Tweede Wereldoorlog komt er tijdelijk een einde aan het dienstverband van Krop met de gemeente Amsterdam. Hij weigert lid te worden van de Kultuurkamer en is actief in het verzet.

Monument ter nagedachtenis van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, Franse kalksteen, 1949. (Collectie gemeente Steenwijkerland) (foto: Baronas)

Na de oorlog maakt Krop ter nagedachtenis aan de terechtgestelde Februari-stakers het grafmonument op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, een vrouwenfiguur die met wapperende vlag de vrijheid symboliseert. Krop is lid van de commissie voor het nationaal monument op de Dam, waar onder meer ook D.G. van Beuningen en G.J. van Heek deel uitmaken. De twee ondernemers vinden de voortgang te traag en komen met een plan, wat eerder in 1945 al is geopperd, voor een Churchill-monument. Ze vragen Krop een tweetal ontwerpen te maken voor het monument wat aan het Hofplein in Rotterdam zou moeten verrijzen. Krop krijgt lopend het werk problemen met het idee, omdat hij bewondering heeft voor de Churchill van de Tweede Wereldoorlog, maar niet voor de Churchil van na de oorlog. Het probleem lost zich echter vanzelf op als Churchill laat weten geen monument te willen. Krop houdt uit het contact met Van Beuningen de opdracht over voor boegbeelden voor de schepen m.s. Tara en m.s. Towa van de rederij NV Vrachtvaart. Op de boeg van de Tara, gebouwd in 1952 bij de werf Piet Smit in Rotterdam, staat St. Joris en de draak, symbolisch voor Van Beuningen die vaak Joris wordt genoemd. Er onder staat de zinspreuk ‘True And Reliable Always’, waarvan de beginletters de scheepsnaam Tara vormen. Tijdens reparatiewerkzaamheden eind 1970 is het boegbeeld afgenomen en daarna spoorloos verdwenen. De Tara is in 1984 gesloopt. Wat resteert is een klein gipsmodel van St. Joris en de draak, dat zich bevindt in de collectie van het Museum Hildo Krop in Steenwijk.

Tot de dood er opvolgt

‘De eeuwige vrouw’ siert het graf van Hildo en Mien Krop op de begraafplaats Zorgvlied in Amstelveen / Amsterdam

Krop geeft steeds blijk van de waardering die hij heeft voor de jonge garde. Zijn credo is: ‘Een kunstenaar mag niet anders wezen dan een instrument. Hij schrijft het lied van zijn tijd in vorm en kleur voor de komende geslachten, beter en scho­ner dan welke staatsman of geschiedschrijver ook’. Het beeld is voor Krop een symbool en zijn werk is zijn leven waar het woord rust niet inpast. In 1962 levert hij een beeld af dat de SDAP-voorman Pieter Jelles Troelstra voorstelt. Het mans­hoge beeld staat op het Oldehoofster Kerkhof in Leeuwarden. Een andere mar­kante figuur die hij in steen vereeuwigt is de architect Hendrik Petrus Berlage. Krop werkt aan het zeer robuuste beeld van 1956 tot 1966 het jaar dat burge­meester G. van Hall het onthult op het Victorieplein. Op de sokkel staan afbeel­dingen van een metselaar, een steigerbouwer, een beeldhouwer, een opperman en een tekenaar, anonieme medewerkers zonder wie het werk van Berlage niet tot stand had kunnen ko­men.  Van Hall staat in zijn toespraak bij de onthulling van het monument ook stil bij de maker van het beeld en spreekt van een grote geestelijke en fysieke pres­tatie voor een ruim tachtig­jarige. Krop blijft tot zijn laatste moment actief. Op 20 augustus 1970 is hij aan het werk op zijn atelier als hij bezwijkt aan een hart­aanval. Het echtpaar Krop ligt begraven op Zorgvlied in Amsterdam. Het graf wordt gesierd door ‘De eeuwige vrouw’, het beeld dat hij in 1925 maakte voor het Ne­derlandse paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Parijs.

Rams Woerthe

Hildo Krop vertrekt op vijftienjarige leeftijd uit Steenwijk, maar blijft altijd met de plaats een band houden. Dat brengt hij in 1910 tot uiting in een artikel in Buiten, een familieblad: Maar ik heb nog geen enkele vreemdeling gehoord die in Steenwijk kwam en de omstreken niet roemde en de zindelijkheid van het stadje niet prees. En ze hadden gelijk. Steenwijk is een bezoek waard.

In 1921 krijgt Krop de opdracht een gevelversiering te maken voor het nieuwe postkantoor aan de Oosterpoort in Steenwijk, een keramisch beeldhouwwerk opgebouwd uit meerdere lagen. Het stelt het Nederlandse wapen voor geflankeerd door mannen met respectievelijk een postduif en een posthoorn. De uitvoering is in gepolychromeerd chamotte uitgevoerd door de ESKAF. Voor het graf van zijn moeder maakt hij een monument met als titel ‘Het kind is de oogappel van de moeder’, dat hij direct uit steen hakt. Als na de Tweede Wereldoorlog in Steenwijk geld wordt ingezameld voor een monument ter herdenking van de slachtoffers lijkt het initiatief te stranden door een gebrek aan middelen. Krop aanvaard als oud-Steenwijker de opdracht voor een vriendenprijs. Het origineel in Frans kalksteen is nu te vinden in de Villa Rams Woerthe. Een vandalismebestendige replica in brons staat in front van de villa opgesteld. Eind jaren tachtig wordt een aanvang gemaakt met de opbouw van een Hildo Krop collectie, met als doel deze, na de bouw van een nieuw gemeentehuis, onder te brengen in de dan leegkomende villa Rams Woerthe.

Villa Rams Woerthe, gezien aan de achterzijde (foto: Baronas)

In 1999 kunnen de atelierinventarissen worden gekocht uit Amsterdam en Schoorl. Daarna konden een groot aantal aankopen worden gedaan bij particulieren en veilingen. Twee jaar intensief speuren en verzamelen en vele schenkingen zorgen ervoor dat in 2002 een permanente expositie van het werk van Hildo Krop in Rams Woerthe kan worden geopend. Doordat de villa fraai is gesitueerd aan de rand van een stijlvol park is een bezoek aan Museum Hildo Krop aangenaam te combineren met een wandeling door het park.

©Dik Nas, Rotterdam 2018


 

Berlage monument op het Victorieplein, op drie zijden van de sokkel worden de anonieme werkers geëerd zonder wie Berlage zijn werk niet had kunnen doen. (foto: Baronas)
Zie ook

Dik Nas – Hildo Krop wandelingen


Geraadpleegde literatuur

Igor Cornelissen. ‘Pieck, Henri Christiaan’ in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. Deel 5 (Amsterdam 1992) p. 222-223;

E.J. Lagerweij-Polak, Hildo Krop. Beeldhouwer (Den Haag 1992), met oeuvre-catalogus, overzicht tentoonstellingen en bibliografie van publicaties over zijn werk;

Ger Harmsen, ’Krop, Hildebrand Lucien’ in: Biografisch woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland. Deel 8 (Amsterdam 2000) p. 125-130;

Dennis Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam (Amsterdam 2001) p. 327. 329, 410;

Wim Heij, De mens en kunstenaar Hildo Krop (Kampen 2006);

Wim Heij en Loek van Vlerken, Hildo Krop. Stads beeldhouwer van Amsterdam (Steenwijk 2013)