Het geheugen van de vakbeweging

Het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS)

De geschiedenis van de eerste vakcentrale van Nederland (1893-1940)

Lange tijd gold het schrijven van een volledige geschiedenis van het NAS als een onmogelijke opgave. Fragmentarische informatie was vooral te vinden bij de tegenstanders van het NAS, zoals in Jan Oudegeests tweedelige De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland uit 1926 en ’32, of in Willem Vliegens driedelige Die onze kracht ontwaken deed uit 1938. Maar een čchte geschiedenis van het NAS als zodanig – daar waagde zich tot 2015 niemand aan. Op 27 november zijn Piet Hoekman en Jannes Houkes op de geschiedenis van het NAS aan de Universiteit van Utrecht gepromoveerd.

Christiaan Cornelissen (tweede van rechts) op de redactie van Recht voor Allen (Bron IISG)Christiaan Cornelissen (tweede van rechts) op de redactie van Recht voor Allen (Bron IISG)

Het NAS was voor onderzoekers een buitengewoon onoverzichtelijke organisatie, waarin lange tijd kleine en nog kleinere bonden en bondjes de dienst uitmaakten – om het modern te zeggen: het was een kar vol kikkers. Bonden sloten zich aan, vertrokken weer, kwamen soms ook weer terug. Daarnaast waren er flankerende groepen die zich met cultuur, de jongeren en nog vele dingen meer bezighielden. De interne organisatiestructuur veranderde soms abrupt. En: de ideologische oriëntatie verschoof meerdere keren, waardoor niemand precies wist hoe het NAS getypeerd diende te worden: was het anarchistisch? Syndicalistisch? Revolutionair-socialistisch?
Ooit was er een werkgroep op het Amsterdamse Documentatiecentrum Nieuwste Geschiedenis (DNG) die zich ermee bezighield, maar uiteindelijk kwamen de leden van de groep niet veel verder dan de eerste dertien jaar van de organisatie, van 1893 tot 1906. De Amerikaanse sociaalhistorici Erik Hansen en Peter Prosper publiceerden in 1977 en 1981 twee artikelen waarin zij de geschiedenis van het NAS probeerden samen te vatten, maar zij hielden het kort en sloegen de Eerste Wereldoorlog over.

Over een heel andere boeg

De doorbraak begon toen Piet Hoekman en Jannes Houkes besloten het over een heel andere boeg te gooien. Eerst, zo vonden zij, moest er een kwantitatieve basis gelegd worden. Met eindeloos geduld hebben zij ledentallen van de bij het NAS aangesloten bonden uit de archieven opgediept, totdat er een begin van duidelijkheid ontstond over de getalsmatige ontwikkeling van de beweging als geheel en haar belangrijkste onderdelen. Met deze gegevens als ruggengraat zijn zij vervolgens – op basis van intensieve bestudering van archieven, brochures en periodieken – het verhaal over het NAS gaan schrijven met als resultaat de publicatie (tevens proefschrift) Het Nationaal Arbeids-Secretariaat 1893-1940. De eerste vakcentrale in Nederland, een monumentaal werk van ruim 900 pagina’s dat nog zeer lang als standaard zal kunnen blijven dienen. Niemand die in de toekomst iets over het NAS of de eerste halve eeuw van de Nederlandse vakbewegingsgeschiedenis wil zeggen zal om dit  magnum opus heen kunnen.

Opkomst van de onafhankelijke vakbeweging (1860-1901)

De Nederlandse vakverenigingen die in de jaren vijftig en zestig van de negentiende eeuw tot stand kwamen, zetten zich niet louter in voor directe verbeteringen van arbeidsvoorwaarden, maar wilden ook maatschappelijke hervormingen. De verwachting leefde dat arbeiders in de toekomst zeggenschap kregen over hun eigen productie. Zij zochten samenwerking in Internationale Beroepssecretariaten en namen de Britse vakbeweging als voorbeeld. Dat gold ook voor sociaal-liberale politici, economen en industriëlen, die van een georganiseerde vakbeweging een stabiliserend effect verwachtten. Zij wilden institutionalisering van arbeidsverhoudingen, waarin conflicten vermeden werden. Afschaffing van het Coalitieverbod in 1872 maakte het formeel mogelijk vakverenigingen op te richten. Een deel sloot zich aan bij het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV) en de Sociaal-Democratische Bond (SDB). Vervolgens maakte in de jaren tachtig een aantal vakorganisaties zich los van het ANWV en de SDB. Deze werden daarop de initiatiefnemers van een onafhankelijke vakcentrale. Zij wilden een samenwerkingsverband en hielden afstand tot het ANWV en de SDB, om alle arbeiders aan zich te kunnen binden. Deze poging om een algemene en onafhankelijke vakcentrale op te richten verliep weinig echter voorspoedig, waarop Christiaan Cornelissen namens de SDB in opdracht van de Tweede Internationale het initiatief overnam.
In juli 1893 kwam een ‘voorbereidend comité’ tot stand, waarna het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) op 27 augustus 1893 in Constantia, het SDB-gebouw aan de Amsterdamse Rozengracht, werd opgericht. Cornelissen wilde er naar Frans voorbeeld een arbeidssecretariaat van maken waarin ook politieke organisaties – als de SDB – waren opgenomen. De timmerlieden maakten bezwaar, omdat het NAS daardoor niet onafhankelijk was. Het NAS telde naast de SDB acht vakbonden van geschoolde werklieden en telde zo’n 13.000 leden.

Scheiding

Na de oprichting sloten kleine tot zeer kleine vakverenigingen zich aan. Dit verbreedde het draagvlak, maar vergrootte de slagvaardigheid niet. Daarbij zorgden politieke meningsverschillen tussen de Socialistenbond (SB, opvolger van de SDB) en de inmiddels aangesloten Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) voor conflicten, die na het Londense Congres van Tweede Internationale in 1896 culmineerden in het besluit beide uit het NAS te verwijderen. Daarna kwam echter geen onafhankelijk vaksecretariaat tot stand, want de signatuur werd meer vrij-socialistisch met het aantreden van een nieuw bestuur. Gerrit van Erkel en Jan van Zomeren, voortkomend uit de kleine vakverenigingen, werden beeldbepalende bestuursleden. De grote bonden verdwenen uit het bestuur en hun meer pragmatische opvattingen over weerstandskassen, sociale wetgeving of een hechtere organisatiestructuur vonden bij het NAS-bestuur geen gehoor. De scheiding tussen het NAS-bestuur en deze bondsbestuurders kenmerkte de ontwikkeling van het NAS. De kleine – vaak militante – organisaties waren vanwege de stemprocedure van doorslaggevende betekenis. Pogingen om de stemprocedure te wijzigen ten gunste van de grotere bonden mislukten. Het was lastig tot eensluidende besluiten te komen.

Onenigheid

Het NAS vormde zich in een periode waarin internationaal het stakingsmiddel steeds meer terrein won. Een deel van de stakers deed een beroep op het onervaren NAS, dat de steunverlening moest organiseren. Dat was moeilijk en de steun werd afhankelijk van vrijwillige bijdragen op basis van het zogeheten lijstenstelsel. Weerstandskassen ontbraken of waren weinig gevuld. Daarbij worstelde het NAS met het dilemma exclusief steun te verlenen aan de aangesloten organisaties of ook niet-aangesloten vakverenigingen en ongeorganiseerden te steunen. Het NAS-bestuur en de kleine vakverenigingen waren voor de laatste optie. Onenigheid over de steunverlening leidde ertoe dat de Nederlandse Internationale Sigarenmakers en Tabakbewerkers Bond, één van de oprichters van het NAS, zich in 1900 afscheidde. De bond had kritiek op de stakingspolitiek van het NAS, maar ook op het negeren van de toenemende overheidsinvloed op de arbeidsverhoudingen en de sociale zekerheid.

Meningsverschillen

De interne meningsverschillen leidden tot het reorganisatiecongres van 1901. Ondertussen veranderde de samenstelling van het NAS door de aansluiting van de Nederlandse Scheeps- en Bootwerkersbond (NS&BB). Op het congres van 1901 sprak de NS&BB zich uit voor de economische klassenstrijd en gaf de bond geen prioriteit aan de sociale wetgeving. Daarop trad de Algemeen Nederlandsche Timmerlieden Bond (ANTimB) – ook initiatiefnemer van het NAS – uit de organisatie. Ter verdediging van de keuze voor de economische klassenstrijd verwees het NAS naar de Franse Confédération Générale du Travail (CGT), wat het begin markeerde van een actievere rol binnen de internationale vakbeweging.

Richtingenstrijd en syndicalistische grondslag (1901-1913)

Na de eeuwwisseling ontpopte het NAS zich in het Internationaal Secretariaat van Nationale Vakcentrales als geestverwant van de CGT, die een syndicalistische koers voer. Het syndicalisme werd een militante vakbondsrichting, die via economische klassenstrijd – onafhankelijk van politiek of wetgeving – tot een revolutionaire omwenteling wilde komen. Op het reorganisatiecongres van december 1903 deed een commissie onder leiding van H. Spiekman een laatste poging het NAS om te vormen tot een ‘moderne’ vakcentrale, die zich inzette voor sociale wetgeving. Dit mislukte en de daaropvolgende Scheurcirculaire (1904) van het NAS-bestuur riep op om uit de niet-aangesloten bonden te treden en zich bij het NAS aan te sluiten. Het ledental van het NAS liep echter terug, ook vanwege de vernietigende uitwerking van de mislukte Spoorwegstaking van 1903.

Oprichting NVV

Tegenover het NAS werd het ‘moderne’ NVV opgericht. Vijf van de elf bonden die het NVV oprichtten, hadden een verleden in het NAS. Voor deze was het NVV een doorstart . Het NVV floreerde en raakte in conflict met het NAS. Het wilde acties van het NAS niet steunen, maar zelfs ondermijnen. Het NAS-bestuur reageerde op de komst van het NVV door zich er ideologisch sterk tegen af te zetten. Bevrijd van de sociaaldemocraten en een aantal grote bonden als de Algemeene Nederlandsche Typografen Bond en NS&BB, poogde Van Erkel het NAS in vrij-socialistische of anarchistische richting te sturen. Vrijheid werd eind 1905 het alles overkoepelende doel van het NAS. De taak van de vakbeweging was onbeperkt en strekte zich uit over tal van levenssferen. De kleine materiële verbeteringen hadden niets te betekenen in relatie tot het vrijheidsideaal. Hierop kwam kritiek van Fritz Drewes en Harm Kolthek Jr., die zich oriënteerden op het Franse syndicalisme.

Frans voorbeeld

De CGT legde in oktober 1906 het syndicalistisch handvest van Amiens vast, dat een voorbeeld werd voor tal van buitenlandse vakorganisaties. De vakbondstaak werd erin aangescherpt en onderscheiden van het anarchistische streven, zoals Kolthek dat ook beoogde. Het Internationaal Libertair Congres in Amsterdam en de aanpalende syndicalistische conferentie in 1907 droegen bij aan de keuze van het NAS voor een syndicalistische koers. Het pad was geëffend voor de nieuwe secretaris Kolthek om deze beginselen als grondslag van het NAS vast te leggen, terwijl Van Erkel aftrad.

Harmen Kolthek vóór zijn aantreden als secretaris van het NAS (Bron IISG)
Van eind 1907 tot begin 1913 bepaalde Kolthek de opstelling van het NAS, die de Beginselverklaring schreef. Ongeacht de politiek of religieuze voorkeur van de arbeiders moest de economische klassenstrijd worden gevoerd. Het NAS nam met deze ‘ongeacht clausule’ afstand van de bredere vrij-socialistische doelen. Dit riep kritiek op van anarchistische opposanten. Kolthek vond bovendien dat de vakbeweging moest inspelen op de veranderende omstandigheden, zonder de beginselen los te laten. Zo werden cao’s principieel afgewezen, maar de praktijk noopte aan de onderhandelingen mee te doen.  Het traditionele wantrouwen tegen de staat moest plaatsmaken voor het uitoefenen van buitenparlementaire druk en het propageren van wettelijke verbeteringen. Het was tijd voor ‘positieve actie’. De zwakke administratie en
financiële positie beperkten de mogelijkheden van het NAS. Versterking van de organisatie kwam toen verschillende beroepsgroepen in het bouwvak hun traditionele organisatiebasis loslieten en in 1909 de Landelijke Federatie van Bouwvakarbeiders (LFvB) vormden.
In 1912 werd de ondergang van Kolthek ingeluid. Zijn ziekte, veelvuldige afwezigheid en eigenmachtig optreden waren daar debet aan. De anarchistische kritiek op de ongeacht clausule was bovendien nooit geluwd. Hij nam ontslag waardoor er ruimte kwam voor de anarchistische oppositie.

Ontwikkeling van het reformistisch-syndicalisme (1913-1923)

In 1913 moest het internationale syndicalistische congres in Londen het NAS uit het internationale isolement halen. Het NAS bepleitte de oprichting van een syndicalistische Internationale, waaraan ook de CGT moest meedoen. Maar er kwam slechts een internationaal informatiebureau tot stand. Eensgezindheid ontbrak, zoals die ook intern bij het NAS ver te zoeken was. Even leek het NAS zich weer aan te sluiten bij het vrij-socialistisch netwerk van anarchisme, antimilitarisme, godsdienstbestrijding en geheelonthouding. Maar veel federaties bleken tegen en stelden economische belangbehartiging voorop en wilden af van de gedecentraliseerde organisatiestructuur. Hun voorbeeld was de Amerikaanse Industrial Workers of the World (IWW). De verandering lukte, waardoor de federaties de basis van het NAS vormden. Vanwege deze versterkte organisatiestructuur kwamen de federaties in aanmerking voor overheidssubsidie van de werklozenkassen, die vanaf 1917 mogelijk werd voor goed functionerende organisaties. De gesubsidieerde werklozenkassen trokken leden aan. De nieuwe voorzitter B. Lansink Jr. was de drijfkracht achter deze ontwikkeling. Daarnaast wilde het NAS naar het voorbeeld van de CGT een opbouwende rol spelen in het bestel van arbeidsverhoudingen. Deze reformistisch-syndicalistische koers richtte zich op deelname aan allerlei overlegorganen zoals de Hooge Raad van Arbeid. Dit kwam onder druk te staan toen vanaf 1918 de Communistische Partij Holland (CPH) op basis van het succes van de Russische Revolutie invloed in het NAS kreeg. De CPH was toen een linkscommunistische partij, met anti-parlementaire opvattingen en voorstander van directe actie.

Viering van het 20-jarig bestaan van het NAS in het Concertgebouw te Amsterdam (1913)  (Bron IISG)
Het NAS bereikte in 1920 zijn hoogste ledental van 51.570. Tegenover het gematigde beleid van het NAS-bestuur stonden de revolutionaire denkbeelden van de links-communisten en revolutionair-syndicalisten. Zij werden aangetrokken door het Russische radenstelsel dat goed paste bij het toekomstbeeld van de syndicalisten. De nieuwe links-communistische vakbonden in Duitsland waren hun voorbeeld. De linkse oppositie wilde dat het NAS zich aansloot bij de in Moskou opgerichte Rode Vakbondsinternationale (RVI). Maar het NAS-bestuur wilde een onafhankelijke syndicalistische internationale. Het linkse streven bleek succesvol, toen de leden kozen voor aansluiting bij de RVI. Dit leidde in 1923 tot uittreding van een aantal federaties. Die vormden het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond (NSV) dat zich de erfgenaam van het NAS noemde en zich aansloot bij de syndicalistische Internationale Arbeiders Associatie (IAA).

Kortstondige oriëntatie op het communisme (1923-1927)

De toenadering tot het communisme werd versterkt toen in 1924 Henk Sneevliet NAS-voorzitter werd. Sneevliet was daarvoor in China werkzaam voor de Komintern. Hij werkte in 1919 en 1920 voor de Nationale Federatie van Transportarbeiders (NFvT) en hield contact met NAS-bestuurders. Hij keerde vanwege conflicten met de Komintern naar Nederland terug. Zijn positie was, ondanks zijn kwaliteiten, omstreden en het kostte jaren om zijn gezag te vestigen. In 1925 sloot het NAS zich bij de RVI aan. Vanuit Moskou kreeg het NAS te horen dat het de instructies van de Komintern en de RVI moest uitvoeren. In 1927 werd de relatie verbroken, wat opnieuw leidde tot internationale isolering. De breuk was een risico, omdat subsidiëring door de RVI verdween, waardoor er grote financiële problemen voor het NAS ontstonden. Verwaarlozing van de praktische belangenbehartiging, had de positie van de federaties verslechterd. Vanaf deze tijd probeerde het NAS spontane stakingen over te nemen en daar leiding aan te geven.

Revolutionaire politiek en neergang van het NAS (1927-1940)

Sneevliet zocht de kracht van de revolutionaire arbeidersbeweging vooral buiten het NAS. Hij richtte zich op internationale contacten met andere revolutionaire vakbewegingen of politieke organisaties. De federaties gunden het NAS-bestuur de ruimte zich revolutionair te uiten, maar dat mocht niet ten koste gaan van belangenbehartiging als het afsluiten van cao’s. Maar de communistische oppositie bekritiseerde dit ‘reformisme’ en had overeenkomstig de Komintern en de RVI een links-communistische koers ingezet die deelname aan het systeem van arbeidsverhoudingen afwees. Dit was ook Sneevliets opvatting, maar het NAS was gebonden aan allerlei overeenkomsten met de overheid, waarvan het uitvoeren van de werkloosheidsverzekering er één was.
Langzaam zakte het NAS weg. Een aantal grote stakingen putte het nog verder uit en niets hield het verval tegen. Sneevliet bleef georiënteerd op het versterken van de revolutionaire politiek. Door de sterkere overheidsbemoeienis met het economisch leven kon de economische klassenstrijd niet meer losgezien worden van de politieke strijd. Naast het NAS kwam in 1929 een politieke partij tot stand: de Revolutionair Socialistische Partij (RSP). De partij moest uitkomst bieden om uit de impasse te komen waarin het NAS was beland. Na Sneevliets solidariteitsbetuiging in 1933 aan de muiters van De Zeven Provinciën kwam de continuďteit van het NAS in gevaar toen de regering het ambtenarenverbod afkondigde. Ambtenaren mochten geen lid zijn van de bij het NAS aangesloten Nederlandsche Federatieve Bond van Personeel in Openbare Dienst (NFBvPiOD). Sneevliet drong aan op een illegaal bestaan van deze bond om zo in contact te blijven met het NAS. De keuze voor de illegaliteit had een desastreus effect. Deze federatie verdween en dit fnuikte het NAS.
De overheidsrepressie versterkte de politisering van het NAS. Nadat de Duitse revolutionaire vakbeweging door de machtsovername van Hitler verdween, richtte Sneevliet zich op de linkse internationale politiek, waarbij hij met Trotski een Vierde Internationale wilde.
Het NAS keerde zich tegen het fascisme. Het streven naar een revolutionair eenheidsfront kreeg de overhand bij het NAS-bestuur, dat daardoor de materiële belangenbehartigingstaak sterk verwaarloosde. Van de eenheidspolitiek kwam weinig terecht. Sneevliets rol werd in het internationale revolutionair-socialistische netwerk bemoeilijkt door de breuk met de trotskisten. Het NAS gaf namelijk steun aan de Partido Obrero de Unificación Marxista (POUM) in de Spaanse Burgeroorlog, terwijl Trotski deze steun bekritiseerde . De breuk met Trotski werd ook veroorzaakt door diens pleidooi het NAS op te laten gaan in het NVV.
Terwijl Sneevliet vasthield aan revolutionaire opvattingen, wilden de federaties de belangenbehartiging veilig te stellen. De nauwe band met de politiek en de prioriteit die Sneevliet zowel nationaal als internationaal aan de revolutionaire strijd gaf, vervreemdden hem van de federaties. De afstand tussen het NAS-bestuur en de federaties bleek onoverbrugbaar toen in 1937 het NAS-bestuur de comitévorming als alternatief voor de vakbeweging omhelsde. De comités, die leiding moesten geven aan spontane stakingen, bedreigden het bestaan van de federaties en dat viel slecht.

Het NAS verboden (1940)

Bertus Bouwman sprak op 1 mei 1940
voor het NAS in het Concertgebouw (Bron IISG)

Het NAS probeerde na de Duitse bezetting de werkzaamheden voort te zetten, maar werd als “marxistische” organisatie met ingang van 8 september verboden. De meeste bestuurders kozen niet voor de illegaliteit. Dit in tegenstelling tot Sneevliet. Hij gaf leiding aan het Marx-Lenin-Luxemburg- Front (MLL-front) en werd in 1942 gearresteerd. Na een schijnproces werd hij samen met zijn kameraden op 13 april 1942 geëxecuteerd.

In de oorlog kwam de gedachte op om na de bevrijding een ongedeelde vakbeweging te vormen, die de arbeiders verenigde ongeacht hun politieke of religieuze overtuiging: de Eenheidsvakbeweging, in 1946 omgezet in de Eenheidsvakcentrale (EVC), werd vooral geleid door communisten. Toen de EVC met het NVV wilde fuseren, richtten oud-NAS-leden in 1948 het Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties (OVB) op, dat tot op zekere hoogte als erfgenaam van het NAS kan worden beschouwd. Maar deze vakcentrale bleef marginaal. Terugkeer naar het syndicalisme bleek binnen de ontluikende verzorgingsstaat weinig kansrijk.

Piet Hoekman en Jannes Houkes
Januari 2016
Piet Hoekman en Jannes Houkes, Het Nationaal Arbeids-Secretariaat 1893-1940. De eerste vakcentrale in Nederland (Amsterdam University Press ISBN 978-90-8555-102-7).