Het geheugen van de vakbeweging

Het NAS voltooid verleden

Marten Buschman’s eerste indrukken

Vrijdag 27 november 2015 promoveerden Piet Hoekman en Jannes Houkes op het revolutionaire Nationaal Arbeids-Secreteriaat, de vakcentrale, die bestond van 1893 tot en met 1940. Het NAS heeft nooit veel leden gehad, maar wel veel aandacht door de vele stakingen en acties van de leden en bestuurders. Marten Buschman, redacteur van de website Onvoltooid Verleden en schrijver van Revolutie en Modernisme over de eerste jaren van het NAS, beschrijft zijn eerste indrukken.

Illustratie van Franz Holz in het NAS-orgaan De Arbeid van 27 september 1935 Illustratie van Franz Holz in het NAS-orgaan De Arbeid van 27 september 1935

Spraakmakende figuren als Christiaan Cornelissen, Gerrit van Erkel, Jan van Zomeren, Harm Kolthek, Bertus Bouwman, Ab Menist en Henk Sneevliet bepaalden het imaasje van het NAS. In de jaren zeventig was er ook veel aandacht voor het NAS in de hausse van onderzoeken naar de arbeidersbeweging in de universitaire wereld. Zelf was ik betrokken bij het onderzoeksproject van Johan Frieswijk – van 1974 tot ne met 1976 – op het Documentatiecentrum Nederlandse Geschiedenis (DNG). Vanuit die werkgroep publiceerden leden artikelen en ik zelf een boek – Revolutie en Modernisme – dat alweer dateert van 22 jaar geleden.

Hoekman en Houkes hebben de gehele periode van het NAS beschreven en geanalyseerd. En daar ben ik blij om. En ook: ik heb genoten van de uiteenzettingen tussen de beide promovendi  en de leden van de promotiecommissie. Het was alsof ik weer in 1975 in de ‘Bruine Zaal’ van het IISG zat, waar veel commentaren en opmerkingen geplaatst werden bij werkstukken van de werkgroepsleden. Dezelfde kanttekeningen plaatsten de hooggeleerde professoren veertig jaar later bij het proefschrift. Hoe vermijd je de valkuil van ouderwetse organisatie- en zelfrechtvaardigingsgeschiedschrijving? Hoe representatief is het materiaal voor het gedachtegoed van de leden? Wat zijn de internationale connecties? En een vraag die we toen niet stelden: wat zijn de overlevingsstrategieën van arbeiders? Op de vraag naar de beleving van de leden, die Erik Nijhof stelde, kwam helaas weinig weerwerk. Afgaande op de uiteenzettingen daarna staan nog vele vragen open. Bij voorbeeld ook een kenmerk van het NAS: de onafhankelijkheid. Die kwam niet aan bod. Helaas. Want ik vind dat nog steeds een wezenskenmerk van het NAS, zoals het was.

Acht honderd pagina’s over 47 jaar. Het lijkt veel aandacht voor een kleine organisatie. Gezien de vele activiteiten van de leden is het weer niet zoveel. Het boek is helaas nog niet te koop. Na een snelle blik in het exemplaar van een van de gelukkige bezitters van het proefschrift lijkt de stelling gewettigd dat Hoekman en Houkes vooral de primaire bronnen gebruikt hebben en zich minder in discussie hebben gemengd met de vele schrijvers over het NAS. Zoals artikelen van Bert Altena (‘Leve het syndicalistische NAS’) en van Dick de Winter en mij (‘Het syndicalisme in Nederland: to syn or not to syn’). Maar dat is een voorlopige opmerking. We kunnen alleen maar tevreden zijn dat het NAS nu in zijn geheel beschreven is.

Is mijn boek over de eerste jaren van het NAS overbodig? De beslissers van de bibliotheek van de UvA denken van wel. Zij hebben, proactief als ze zijn, in 2014 het boek verwijderd uit de catalogus van de UBA. Met acht en zestig duizend anderen. Dat dan weer wel.

Marten Buschman
Eerder gepubliceerd als Blog 78, 2 december 2015 op website Onvoltooid Verleden