Het geheugen van de vakbeweging

Het Museumplein, tien jaar later

Breed onbehagen voedt actiebereidheid

Het is 2 oktober 2004. Op het zonovergoten, Amsterdamse Museumplein staan ruim 300.000 mensen. De hele morgen zijn er al berichten over overvolle stations, over uitpuilende treinen. De tv doet regelmatig verslag. Het moet zelfs de minst oplettende waarnemer opvallen dat er iets aan de hand is. Maar wat? Piet Hazenbosch analyseert en beschrijft de aanloop naar de grootste vakbondsdemonstratie ooit.

De grootste vakbondsdemonstratie ooitDe grootste vakbondsdemonstratie ooit


Elke geschiedenis begint ergens. Die van de grootste vakbondsdemonstratie ooit begint gedeeltelijk in de jaren ’60 met de totstandkoming van de Wet op de Arbeidsongeschiktheid, het sluitstuk van de werknemersverzekeringen. De verwachting is dat ten hoogste 100.000 mensen gebruik zullen gaan maken van die nieuwe wet. Maar het worden er in de loop van de jaren ’80 bijna een miljoen. Vriend en vijand zijn het er over eens dat er wat moet veranderen, maar zij verschillen over lang van mening over de aard van de veranderingen. Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid – Aart Jan de Geus – komt in 2003 met een nieuwe wet. En over die omvorming ontstaat een conflict met de vakbeweging.

De jaren ’70 voeden de demonstratie ook. In de Nederlandse economie worden structurele problemen zichtbaar. Een belangrijk gevolg daarvan is het hoog oplopen van de werkloosheid. De vakbeweging bepleit naast een wekelijkse arbeidsduurverkorting een beperking van het aantal te werken jaren. Na enige aarzeling ziet de VUT het levenslicht. Werknemers kunnen voor hun 65ste  stoppen met werken om zo plaats te maken voor werklozen. Deze als tijdelijk bedachte VUT-regelingen worden snel een onderdeel van het arbeidsleven. Er wordt massaal gebruik van gemaakt. In het regeerakkoord dat CDA, VVD en LPF in 2002 sluiten wordt aangekondigd dat de fiscaal vriendelijke behandeling van deze regelingen wordt beëindigd, waarmee ze praktisch onbetaalbaar worden.

Kamerverkiezingen 2002

Maar er is meer. De Tweede Kamerverkiezingen in mei 2002 worden gekleurd door de onverwachts snelle opkomst van Pim Fortuin, die in zijn boek ‘De puinhopen van paars’ afrekent met de voorafgaande coalitie van PvdA, VVD en D66. Met zijn populistische toon raakt hij een snaar bij veel Nederlandse kiezers. De moord op hem leidt tot een gespannen maatschappelijk klimaat. Een klimaat dat er niet beter op wordt omdat Nederland de nadelen van de internetbubble nadrukkelijk beleeft. Het kabinet dat aan het begin van de zomer 2002 aantreedt heeft te kampen met een oplopend tekort op de rijksbegroting en voelt zich gedwongen tot bezuinigingen. En een aanzienlijk deel ervan wordt gezocht in de sociale zekerheid.

Op 12 september 2002 vindt er een eerste, officiële ontmoeting met het nieuwe kabinet plaats. Zonder resultaat.  Belangrijker is de ijzige sfeer tijdens dit gesprek. Niet alleen voor de relatie tussen de vakbeweging en Balkenende-I, maar ook met het daarop volgende kabinet van CDA, VVD en D66.

Toch wordt er in november 2002 een akkoord gesloten. Werkgevers en werknemers worden het eens over de loonkostenontwikkeling in 2003, die aanmerkelijk lager dient uit te komen dan de jaren daarvoor en dat ter versterking van het economisch fundament ook productiviteitsverhoging en innovatie op middellange termijn van belang zijn. De vakbeweging gaat akkoord met het oog op de tegenvallende economie.

Nieuw kabinet-Balkenende

Op 27 mei 2003 treedt het nieuwe kabinet-Balkende aan. De hoofdlijnen van het sociaal-economisch beleid wijken nauwelijks af van de voornemens van Balkenende-I. Via bezuinigingen moeten de overheidsfinanciën op orde worden gebracht en die moeten voor een groot deel worden gevonden in de sociale zekerheid en de fiscale faciliteiten voor vut en prepensioen.

Na de zomer van 2003, waarin het kabinet aankondigt ook ingrijpend te gaan bezuinigen op de WW, gaat het klimaat in de polder er niet op vooruit. In eerste instantie is het gebruikelijke tripartite overleg onmogelijk. Het kabinet overlegt afzonderlijk met werkgevers en werknemers.

Eind september trekt FNV-voorman De Waal sterk de aandacht door publiekelijk te melden weinig waarde te hechten aan de loonontwikkeling in 2004, maar veeleer andere problemen wil oplossen. En daarmee wordt de deur naar een akkoord tussen kabinet, werkgevers en werknemers op een kier gezet. Maar het wederzijds wantrouwen is groot.

Op maandag 13 oktober maken de werkgevers duidelijk dat ze voor de lonen twee jaar lang een pas op de plaats willen. Daar voelt de vakbeweging weinig voor. Ook op andere thema’s ontbreekt de voortgang. Op dinsdagmorgen leggen de vakcentrales een eigen voorstel voor over de loonontwikkeling in 2004 en 2005 op tafel. Zij bieden voor 2004 een ‘harde nullijn’ en voor 2005 ‘een loonontwikkeling naderend naar nul’. Werkgevers geven aan met die benadering te kunnen leven. ’s Middag wordt overlegd tussen een kleine kabinetsdelegatie en de voorzitters van de Stichting van de Arbeid. Ook het kabinet kan instemmen met de loonconclusies. Die avond komt er dan ook een sociaal akkoord. Voor de vakcentrales is het van belang dat het kabinet ten minste de indruk wekt nu wel te willen overleggen met en te luisteren naar de vakbeweging. Met instemming van het kabinet maken werkgevers en werknemers een geclausuleerde loonafspraak op basis van het voorstel van de vakbeweging. Zij komen overeen dat de effectuering van de aanbevelingen voor de contractloonontwikkeling in 2005 alleen zullen gelden ‘als tussen kabinet en sociale partners (uiterlijk) in april 2004 overeenstemming wordt bereikt over het gehele stelsel van fiscale faciliëring van VUT/prepensioen en levensloop met als ingangsdatum 1 januari 2006, alsmede eventuele overgangsmaatregelen’. De hete aardappel wordt doorgeschoven naar de toekomst.

Voorjaarsoverleg gedoemd te mislukken

Op 18 mei 2004 vindt het Voorjaarsoverleg plaats. Overleg dat gedoemd is te mislukken, omdat de partijen er niet in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over een gezamenlijke aanpak van vut- prepensioen en levensloop. De vakbeweging poogt het kabinet zonder succes nog tot concessies over een collectief karakter van de levensloopregeling en over de uittredingsleeftijd te bewegen. De vakbeweging wil deze leeftijd naar 62 jaar brengen, het kabinet gaat niet verder dan 63,5 jaar. Het resultaat is dat het overleg geheel volgens de verwachtingen mislukt.

Het CNV doet op 24 mei nog een poging met werkgevers tot overeenstemming te komen, maar vinden daar een gesloten deur. Er zit voor de vakbeweging niet anders op dan door  acties een ander beleid af te dwingen. Maar ze aarzelt . Eerdere pogingen tot actievoeren in FNV-kring bleken weinig succesvol, CNV-voorzitter Doekle Terpstra vraagt zich hardop af of mensen massaal op de been willen komen. Toch komt de actiemotor langzaam op gang. De coördinatoren arbeidsvoorwaardenbeleid, Agnes Jongerius (FNV) en Rienk van Splunder (CNV), ontwikkelen samen een plan van aanpak, waarin kleine(re) lokale acties worden gevolgd door een zo groot mogelijke landelijke actie op 2 oktober. En om duidelijk te maken dat de vakbeweging geen resultaat verwacht van verder overleg worden de werkzaamheden in de SER en de Stichting van de Arbeid opgeschort. De polder stopt het overleg, de vakbeweging komt in actie.

De eerste grote vakbondsactie vindt op maandag 20 september plaats op de Rotterdamse Coolsingel. Deze demonstratie is georganiseerd door de bonden, met name door FNV Bondgenoten en de CNV BedrijvenBond. De opkomst is een onverwacht succes: circa 50.000 mensen geven op soms zeer luidruchtige wijze uiting aan hun verontwaardiging. De vakbeweging biedt op dat moment blijkbaar het platform, waarop veel maatschappelijk ongenoegen kan worden verwoord. Naast de voorzitters van de drie vakcentrales spreken ook fractievoorzitters van de parlementaire oppositie. De demonstratie wordt als een succes beleefd en de media-aandacht voor de vakbeweging neemt toe. Terpstra en De Waal krijgen alle ruimte het vakbondsstandpunt, dat zich vooral richt op de dreigende afschaffing van vut en prepensioen, onder de aandacht van de Nederlandse bevolking te brengen.

Zaterdag 2 oktober vormt ontegenzeggelijk het hoogtepunt van de acties. Die dag komen meer dan 300.000 mensen – velen met een door de bonden betaald treinkaartje – naar Amsterdam, dan wel proberen daar te komen. De drie vakcentralevoorzitters leggen nogmaals aan het toegestroomde publiek uit dat Nederland beter verdient. De bijeenkomst is een onverwacht en groot succes, de grootste vakbondsactie ooit.

Cees van der Knaap

Maar hoe verder? Binnen de FNV heeft men een draaiboek klaarliggen voor vervolgacties, terwijl het CNV er vanuit gaat dat de demonstratie voldoende druk heeft opgebouwd voor nieuw overleg .

Op woensdag 6 oktober zoekt het CNV contact met oud-CNV-bestuurder Van der Knaap, nu staatssecretaris van Defensie, die informeel een belangrijke rol speelt als adviseur van de minister-president. Het thema van het gesprek dat donderdagmiddag plaatsvindt is simpel: hoe lossen wij de problemen op? Het proces van zoeken en tasten wordt later gecompliceerd doordat de minister-president in het ziekenhuis ligt en de rol van Van der Knaap als rijkssnuffelaar uitlekt.

In diezelfde week zoekt minister van Financiën Gerrit Zalm die als vicepremier feitelijk voorzitter van de ministerraad is, contact met Lodewijk de Waal. Ze ontmoeten elkaar tijdens een lunch en daar ontstaat de indruk dat het wellicht mogelijk moet zijn tot een vergelijk te komen.

De verkenningen van het kabinet leiden ertoe dat er op 24 oktober een informeel en geheim overleg is tussen een kleine kabinetsdelegatie en Terpstra en De Waal in het Haagse appartement van de inmiddels herstelde premier. De gebeurtenissen volgen elkaar nu snel op. Nagenoeg dagelijks is er overleg, zowel ‘politiek’ als technisch. Door adequaat journalistiek werk blijft het vertrouwelijke overleg niet lang geheim. Als gaandeweg blijkt dat de vakbeweging en het kabinet het eens kunnen worden, worden de werkgevers betrokken bij het overleg. Na nog een lange dag onderhandelen ligt er dan op 5 november een akkoord.

‘Werknemers kunnen nog steeds voor hun 65ste stoppen met werken’. Met deze boodschap opent de informatie over het bereikte akkoord op de CNV-internetsite. Weliswaar verdwijnen de vut en het bestaande prepensioen op den duur, maar er komen twee andere mogelijkheden toch voor je 65ste  te stoppen met werken. De ene mogelijkheid is voor mensen die 40 jaar in een pensioenfonds hebben deelgenomen en 63 jaar oud zijn. De andere mogelijkheid geldt voor mensen die via de levensloopregeling verlof heeft gespaard en dat voor de  65ste verjaardag opnemen. Omdat het sparen van verlof tijd kost, komt er een overgangsregeling. Voor mensen van 55 jaar of ouder blijft alles bij het oude, voor mensen van 50 tot 55 jaar komt er een overgangsregeling in de levensloop. De levensloopregeling biedt een fiscaal vriendelijke manier van verlofsparen. Die nieuwe regeling wordt overigens een individuele en geen collectieve regeling, zoals de vakbeweging wil. Wel wordt het mogelijk in cao’s afspraken te maken over werkgeversbijdragen.

Na het akkoord tussen de onderhandelaars geven de bondsleden hun instemming en kan op 17 december 2004 het akkoord formeel door de Stichting van de Arbeid en het kabinet worden getekend.

Tien jaar later?

En nu, tien jaar later? De acties waren succesvol. De vakbeweging vertolkte de gevoelens van velen die meer dan genoeg hadden van het beleid van het kabinet-Balkenende. Dat succes verschafte de vakbeweging een positie in de overlegeconomie die onderhevig leek aan erosie. Omgekeerd kan worden geconstateerd dat de vakbeweging niets ander kon dan in actie komen. Anders zou de positie van de vakbeweging worden verzwakt. Dus is actie gevoerd, maar het succes ervan kan niet alleen verklaard worden uit ongenoegen over afschaffing van de vut of veranderingen in de WW. Er is een breed onbehagen en de vakbeweging heeft daarvan gebruik gemaakt..

Onvermijdelijk rest de vraag: wat is er bereikt? Door het Museumpleinakkoord zijn de kabinetsplannen bijgesteld, is gezorgd voor een acceptabele overgangsregeling bij het afschaffen van vut en prepensioen en is de – inmiddels al weer afgeschafte – levensloopregeling gekoppeld aan de wens vervroegd te kunnen uit treden. De hoofdlijn van het beleid blijft weliswaar met steun van de vakbeweging overeind, maar die krijgt daarvoor in ruil overgangsregelingen en een betere arbeidsongeschiktheidswetgeving.

Tot slot speelt de vraag hoe het Museumpleinsucces kan worden begrepen. Het markeert een belangrijk moment in de sociaal-economisch geschiedenis. Het besef dat er structurele veranderingen nodig zijn, is bij velen aanwezig. De trends moeten worden omgebogen. Het belang van het Museumplein maakt in breder perspectief duidelijk dat de politiek voor dergelijke aanpassingen draagvlak nodig heeft. De steun van de vakbeweging is daarbij onmisbaar. Zonder het Museumplein  in 2010 geen pensioenakkoord en in 2014 geen Sociaal akkoord.

Piet Hazenbosch

September 2014

 

 

Videoverslag Nederland verdient beter!