Het geheugen van de vakbeweging

Het gezicht van de vakbeweging in Zuid-Limburg, omslag

Het gezicht van de vakbeweging Zuid-Limburg – Verantwoording

Limburgse vakbondsportretten

Vele tientallen Limburgse vakbondsmensen gunden me de voorbije twee jaren een blik achter hun eigen ‘scherm’. In deel 1 van het ‘Gezicht van de vakbeweging in Zuid Limburg’ stond de mijnsluiting centraal, met als logisch gevolg dat vooral portretten ‘geschilderd’ werden van mensen die in relatie stonden tot dit onderwerp. Ervaringen ondergronds en de medezeggenschap ten tijde van de mijnindustrie en nadien bij DSM kwamen veelvuldig aan bod. In het nu voorliggende deel twee, waarin de ontwikkeling van de arbeidersbeweging in de regio aan de orde komt, is voor een veel bredere invalshoek gekozen. Het resultaat is veel diverser. Er zijn zelfs enkele ‘uitstapjes’ naar onze Belgische buren. Buren waarvan op het punt van syndicale strijdbaarheid het nodige te leren valt.

In de kern van al die portretjes draait het steeds om dezelfde zaak: het behartigen van de belangen van werknemers. Interessant daarbij is dat iedereen dat op zijn of haar eigen wijze ervaren heeft en verwoordt. Tezamen schetsen zij een levendig beeld van de mensen die de vakbeweging in de regio dat gezicht geven. Een beeld waaruit een grote maatschappelijke betrokkenheid valt af te leiden. Velen bleven ook na hun werkzame leven – tot op hoge leeftijd – actief in een veelheid aan bestuurlijke functies. Nagenoeg iedereen zet zich op tal van terreinen in als vrijwilliger in de eigen buurt, dorp of stad. Als je een kosten/baten analyse maakt, valt op dat velen zeggen dat hun vakbondswerk natuurlijk veel tijd, inspanning en zorg heeft gekost, maar ook veel heeft opgeleverd! Velen hebben zich door avondstudie, bijscholing en kaderscholing verder ontwikkeld. Men heeft zich dankzij de vakbeweging kunnen ontplooien. “Ik ben geworden wat ik ben, dankzij de vakbeweging,” dat geluid viel menigmaal te beluisteren. Nagenoeg iedereen blikt met een zekere trots terug op het werk dat verricht is. De inzet was alleszins de moeite waard. Ook in sociaal en financieel opzicht hebben de meesten zich goed weten te redden. Velen wonen in een aardig huis, gaan regelmatig op vakantie en hebben vaak (nog altijd) een druk sociaal leven. Men maakt graag (terecht) gewag van de mooie opleidingen en banen van de (klein)kinderen.

Passie

Vele geïnterviewden waren actief in de overleg- en medezeggenschapstructuren binnen het bedrijf waar ze werkten en weten hier met veel passie over te vertellen. Over het belang van goede persoonlijke verhoudingen met ‘de andere kant van de tafel’, juist óók als op het scherp van de snede gestreden werd. Het boeken van een voor beide partijen bevredigend onderhandelingsresultaat is dan belangrijker dan het met tromgeroffel binnenhalen van één enkele slag. De ander is in dat laatste geval er immers veel aan gelegen zich te revancheren. Aardig was ook dat een aantal geïnterviewden zelfs de overvolle trukendoos, die ze zelf regelmatig hanteerden, voor mij openden. De portretjes proberen vast te leggen waarom deze zo actieve bestuurders en kaderleden het vakbondswerk deden, waar ze vandaan kwamen, wat ze hebben bereikt en hoe ze in het leven staan. In beide delen van ‘Het gezicht van de vakbeweging in Zuid Limburg’ staat dus niet de organisatie centraal, maar gaat het om de mannen en vrouwen die er op regionaal en lokaal niveau vorm en inhoud aan gaven. Een grote verscheidenheid aan achtergronden, karakters, deskundigheden en praktische werkwijzen passeren de revue. In al die verscheidenheid komen telkens weer dezelfde waarden bovendrijven. Inzet voor de ander, bouwen aan een samenleving waarin mensen volop kansen krijgen hun talenten te ontwikkelen. Een samenleving waarin begrippen als gelijkwaardigheid, solidariteit, vrijheid en rechtvaardigheid er écht toe doen!

Mensen die me een blik gunden achter hun eigen ‘scherm’, het is een ervaring die diepe indruk op me gemaakt heeft. Zozeer zelfs dat vele, verder volstrekt onbelangrijke details, op mijn netvlies gebrand staan. De straat waar iemand woont, de kleur van de voordeur, de plek in de woonkamer waar we met elkaar praatten. De rol van de partner tijdens ons gesprek, ja vaker zelfs letterlijke zinnen die werden uitgesproken. En al die gesprekken ontwikkelden zich weer anders. De een trok het scherm direct omhoog en er ontsproot zich een nauwelijks te stuiten spraakwaterval. Een ander keek aanvankelijk de kat meer uit de boom om me dan wat later soms de meest intieme ervaringen toe te vertrouwen. Uiteraard ben ik met dat laatste heel prudent omgegaan en heb de informatie bij de uitwerking van de verhalen niet gebruikt, dan wel ze in heel algemene bewoordingen gegoten.

Kostbare ervaringen

De verhalen rijgen zich aaneen als een snoer van kostbare ervaringen. Kostbare ervaringen, die met het grotendeels opheffen van de regionale en lokale structuur van de vakbeweging in belangrijke mate verleden tijd zijn geworden. Met name op dit punt klinkt – dwars door bonden en vakcentrales heen – stevige kritiek door. “Van een positie op het maatschappelijk middenveld is immers lokaal en regionaal nauwelijks meer sprake. Gelukkig zijn er tekenen, dat men hierop terugkomt. Een krachtige positie die je verloren laat gaan, bouw je echter niet zomaar weer op.” Ook worden andersoortige zorgen geuit over de toekomst van de beweging, waar velen nog steeds met hart en ziel bij betrokken zijn. “Bij velen in de hedendaagse samenleving staat ‘ik’ centraal, ten koste van ‘wij’. De vakbeweging is te zeer in het defensief gedrongen. Er moeten eigentijdse antwoorden op de problemen van nu geformuleerd worden.”

Is het einde van de vakbeweging in zicht? Niemand die daarin gelooft. Met name de zwakkeren in de samenleving blijven dat ‘schild der solidariteit’ nodig hebben. Dat schild moet gevormd worden samen met hen die sterker in die maatschappij staan. De ‘ik’ zal ontdekken dat hij niet zonder ‘wij’ kan. En de ‘ik’ die al deze verhalen mocht optekenen, voelt zich een rijker mens geworden. Daarvoor in de eerste plaats dank aan al die mannen en vrouwen die me in de interviews zo openhartig tegemoet traden. Dank aan de collega’s van de VHV werkgroep Zuid Limburg die me de namen aanreikten van deze mannen en vrouwen. Veel dank ook aan mijn steun en toeverlaat Huug Klooster, die bij zowel de eerste als de tweede uitgave de eindredactie voor zijn rekening nam en al die werkzaamheden begeleidde die van tekstvellen uiteindelijk leiden tot een boek. Bij deel twee werd hij in deze werkzaamheden terzijde gestaan door Willem de Vrind en Piet Göbbels. Ook aan hen mijn dank. Die dank geldt ook nadrukkelijk  ‘mijn Jacqueline’ die me de ruimte gaf om tientallen dagen onderweg te zijn voor de interviews en vervolgens al die interviews achter mijn PC uit te werken. Soms leek het weer een beetje op die vele jaren dat ik van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat onderweg was voor die vakbeweging die me zo na aan het hart ligt. De interviews maakten me duidelijk dat ik daarin niet alleen sta.

 

Mat Janssen

Meijel, oktober 2010