Het geheugen van de vakbeweging

Joop den Uyl, minister van Economische Zaken, kondigt op 17 december 1965 in Heerlen de sluiting van de mijnen aan

Het gezicht van de vakbeweging Zuid-Limburg 1 

Inleiding

Zuid Limburg na de mijnsluiting

Op donderdag 17 december 1965 komt de minister van Economische Zaken. de heer Joop den Uyl naar Heerlen om de eerste Mijnnota te presenteren. Het is doodstil als een duidelijk vermoeide minister het spreekgestoelte in de Heerlense schouwburg bestijgt . De PvdA-bewindsman laat zich niet leiden door de klok. Uitvoerig bericht hiJ over de positie waarin de Nederlandse kolenmijnen sedert het einde van de jaren vijftig terecht zijn gekomen. Hij schetst de problemen die samenhangen met de slechte geologische omstandigheden waaronder de kolen gewonnen moeten worden. Hij noemt de problemen ook vanwege de leegloop van personeel aan het kolenfront. De opkomst van eerst de aardolie en vervolgens de aardgasproductie prijzen de kolen letterlijk uit de markt. Blijvende steunmaatregelen voor de kolenindustrie zijn onhaalbaar. Het is een verhaal van harde feiten en even harde conclusies.

Maar de minister praat niet alleen met zijn verstand. Het is ook het hart van de minister dat spreekt en dat overmant een groot deel van het publiek. De emoties die hij uit zijn echt. ‘Sluiting van de mijnen betekent een amputatie die als pijnlijk zal worden ervaren , omdat het mijnbedrijf, gegeven zijn eigen aard en werkzaamheden een bijzonder plaats inneemt in de harten van velen’. Joop den Uyl laat het niet bij een terugblik. Hij kondigt de onmiddellijke sluiting van de Staatsmijn Maurits in Geleen aan. binnen zeven jaar gevolgd door de Wilhelmina in Terwinselen. Ook de particuliere Willem-Sophia moet voor 1970 dicht.

Voor velen zullen de bepalingen van de mijnnota hard aankomen, maar daar steekt de redelijke zekerheid bovenuit dat in Zuid-Limburg nieuw werk en nieuw leven gaat komen. De regering heeft vele tientallen miljoenen in petto voor steunverlening: voor de ondersteuning van de particuliere mijnen, voor aanleg van wegen. Voor de pensioenfondsen van de mijnwerkers. En voor de vestiging van nieuwe industrieën.

Enthousiasme

Als de minister eindelijk is uitgesproken, barst in de zaal. gevuld met burgemees­ters, werkgevers. vakbondsleiders en geestelijken een luid applaus los. Als één man staan Frans Dohmen, voorzitter van de katholieke bond, dr. Rottier, voorzitter van de hoofddirectie van de Staatsmijnen en gouverneur mr. dr. Van Rooy voor Den Uyl op. ‘Later is ons wel eens verweten dat we geapplaudisseerd hebben’ weet Th. Dols. secretaris van hoofddirecteur ir. Hellemans te melden, ‘maar de sfeer was er gewoon naar’. Tout Limburg reageert enthousiast. Gouverneur Van Rooy: ’17 december zal de Limburgse geschiedenis ingaan als een keerpunt in het leven van Limburg’. Rottier is een tevreden man. Frans Dohmen zegt schouderophalend dat wat de minister nu heeft verteld, door zijn bond al jaren is bepleit. Jan Maenen, kamerlid voor de KVP en oud-voorzitter van de KAB in Limburg stelt tevreden vast dat de problematiek niet alleen economisch maar ook zwaar sociaal is benaderd.

Als bijzondere surprise maakt het DAF-concern uit Tilburg aansluitend aan de rede van Joop den Uyl bekend dat DAF in Born een nieuwe autofabriek gaat bouwen met naar schatting 10.000 arbeidsplaatsen . Maar het ‘mooie vooruitzicht’ wordt een half jaar later wreed verstoord als in de ‘Nacht van Schmelzer’ het kabinet Cals ten val komt. Drs. Bakker wordt minister van Economische Zaken. In zijn korte ambtsperiode doet Bakker een belangrijke ingreep in het door Den Uyl aangekondigde herstructureringsproces. Het sluitingsproces wordt versneld. Drs. Block die op zijn beurt Bakker na een half jaar opvolgt, kondigt opnieuw een versnelling aan. En op 6 juli 1971 kondigt weer een nieuwe minister van Economische Zaken. mr. dr. H. Langman, een derde mijnnota aan met, jawel, opnieuw een versnelling van het sluitingsproces. Werken er in 1965 nog 45.0 00 mensen in de mijnindustrie en nog eens 45.000 in de toeleveringsbedrijven en diensten. eind 1973 zijn dat er nog maar 8.80 0 . Weer een jaar later, met de sluiting van de Oranje Nassau I en de Julia als hekkensluiters, zijn ook de meesten van hen verdwenen. Van de staatsmijnen blijft uiteindelijk alleen de chemische tak DSM over welke op dat moment nog wordt uitgebouwd. De alles overheersende vraag is of de essentie van de boodschap van den Uyl ‘Geen mijnsluiting zonder redel!ïk perspectief op ander werk’ voor Zuid Limburg werkelijkheid gaat worden.

De herindustrialisatie van de mijnstreek

Zoals honing bijen aantrekt. zo trekken hoge investeringspremies nieuwe bedrijvigheid aan in de mijnstreek: zeven opvallende nieuwe bedrijfsactiviteiten in 1967; maar liefst 25 in 1968. Al snel blijkt echter ook dat de subjectieve mijnsteun – het vrijkomend kapitaal dient na de het vrijkomend kapitaal dient na de mijnsluiting aangewend te worden voor nieuwe werkgelegenheid in deze regio – ontdoken wordt. Dan maar een nieuw bijenvolk stichten, dan wel de honing opsnoepen? Waarschijnlijk blijft dat geheim achter in de inmiddels ondergelopen mijngangen… Natuurlijk zijn er door de mijnbedrijven nieuwe bedrijven opgezet. zoals ON Staal, Everts v.d. Weijden, Ornatex, Laura Metaal, Laura Motoren, Pionier Laura, Enbi, Sigrano, Steenfabriek Nievelstein, Caja en Computer Centrum Nederland. De mate waarin is echter (te) beperkt.

Ook nieuwe bedrijven uit ‘Holland’ melden zich in de mijnstreek. Aangetrokken door riante subsidieregelingen, zoals de Stimuleringsregeling voor Industriële Omschakeling in Limburg (SIOL). de premies van de EGKS (Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal) en de IPR (Investeringspremieregeling). Voorbeelden hiervan zijn Andex, Dentex, Teska, Dutch Finish, Durox, SEP Nederland, Stork Kerkrade, ICI, Curver èn Korpershoek. In het kader van de spreiding Rijksdiensten wordt een groot aantal arbeidsplaatsen gecreëerd. Zo wordt het CBS (Centraal Bureau voor Statistiek) naar Zuid Limburg overgeplaatst en neemt het voorlopig zijn intrek in de leegstaande gebouwen van de OranjeNassau-mijnen in Heerlen. Ook een groot aantal schrijftafels van het ABP (Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds) verkast naar de mijnstreek. Het proces loopt echter niet in de pas met de versnelde afbouw van administratieve banen in de mijnindustrie.

Omschakeling zware beproeving

Voor vele oud-mijnwerkers is de omschakeling van de mijnarbeid met haar kenmerkende grote kameraadschap naar vaak eentonig werk aan de lopende band, een zware beproeving. Psychische dreunen krijgen met name de ex-koempels die voor de tweede of derde keer ‘op straat’ komen te staan doordat het herstructureringsbedrijf van hun keuze failliet gaat. Het gaat niet goed met de herstructurering! Er zit geen lijn in de acquisitie voor het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid. Instanties lopen elkaar voor de voeten en vechten onderling competentiekwesties uit. Er dreigt chaos. PNL- beleid (Perspectieven Nota Limburg) dat tot ontwikkeling wordt gebracht moet het tij keren. Belangrijkste uitvoerder aan Limburgse zijde wordt de op 11 juni 1977 nieuw aangetreden gouverneur dr. Sjeng Kremers, zoon van een oud-houwer uit Nieuwenhagen.

Economische recessie in de mijnstreek

In het kielzog van versnelde mijnsluitingen, toenemende werkloosheid en afnemende koopkracht raken ook andere sectoren in de regionale economie in steeds grotere problemen. De ramp die Zuid Limburg treft wordt nog verergerd door een verslechtering van de wereldeconomie die zich in de jaren ’70 aftekent. DSM gaat zich vrijelijk bewegen op de internationale markt en zoekt zijn expansie in belangrijke mate buiten Limburg en zelfs buiten Nederland. En ook DAF, in de jaren zeventig overgenomen door Volvo, heeft nooit de haar toebedachte functie met 10.000 personeelsleden kunnen waarmaken. In de bloeiperiode hebben er nooit meer dan 6.000 mensen gewerkt. De economisch motor die de mijnindustrie zo vele jaren voor dit gebied was, krijgt in de verste verte geen gelijkwaardige vervanger.

De tragedie wordt nog groter als de textiel- en confectieindustrie in zwaar weer raken. Deze voor Zuid-Limburg relatief grote bedrijfstakken zijn ontstaan naast de mijnindustrie. Is de mijn hoofdzakelijk mannenwerk, confectie, textiel en tricotage draaien in belangrijke mate op vrouwen. Onder druk van de relatief hoge loonkosten verkassen deze industrieën naar lage lonen landen. In eerste instantie naar het Middellandse Zeegebied. vervolgens naar de Oostbloklanden en uiteindelijk naar Zuidoost-Azië. In met name de Oostelijke Mijnstreek sluiten in die periode 34 confectiebedrijven en 14 textiel- en tricotagebedrijven.
Het betekent voor Zuid Limburg opnieuw het verlies van enkele duizenden arbeidsplaatsen. Het gemiddelde landelijke werkloosheidspercentage van 4,6 procent loopt in de rayons Heerlen en Maastricht op tot boven de 22 procent en in Kerkrade zelfs tot boven de 23 procent. Ook het aantal WAO’ers en vervroegd gepensioneerden is in deze regio veel groter dan landelijk. In Kerkrade komen straten voor waar nog maar 1 of 2 personen een betaalde baan hebben.

Nieuwe ronde

In 1982 tekent zich een betrekkelijke rust af maar die is van korte duur. Philips kondigt de eerste van een grote reeks reorganisaties aan en Zuid-Limburg verliest opnieuw enkele honderden banen. Na de beursgang in 1988 concentreert DSM zich op zijn corebusiness en daarmee wordt een proces van herpositionering zoals men het bij DSM noemt, in gang gezet. Vele activiteiten die niet tot de corebusiness behoren worden uitbesteed zoals onderhoudstaken, huisdrukkerij, tekenkamer, inkoop , transport, kantinebeheer, reisbureau, computer­ dienst, opleidingen enz. Ook het Fonds voor Sociale Instellingen treft dit lot. Dank zij de inspanningen van de vakbonden gaan door deze uitbesteding van activiteiten en medewerkers. nauwelijks arbeidsplaatsen verloren. Onder de naam Concern 2000 kondigt DSM vervolgens een sociaal plan aan voor werknemers werkzaam bij de technische eenheid DSM-Limburg. En opnieuw gaan de bonden in de beugels. Er komt een senioren- en outplacementregeling waaraan ook de overheid 140 miljoen gulden bijdraagt. Door de uitbesteding van alle genoemde activiteiten en ontslaggevallen staan er in 2008 nog 4.000 werknemers op de loonlijst van DSM tegenover 12.000 in 1988!

Verlies aan werkgelegenheid in de regio Maastricht

Wat de mijnindustrie is voor de mijnstreek is de zgn. maakindustrie voor Maastricht. De aardewerk- en glasindustrie met grote namen als Koninklijke Sphinx, Koninklijke Mosa en Verenigde Glasfabriek, bieden samen met KNP, Vredestein en Enci Maastricht aan ruim 10.000 werknemers een goed belegde boterham. Talrijke kleinere bedrijven in de kleding- en textielindustrie, metaal en metaalnijverheid bieden ook nog eens aan enkele duizenden mensen werkgelegenheid. En ook deze regio wordt in de jaren zeventig en tachtig geteisterd door de internationale economische recessie. Voeg daarbij de toenemende technologische ontwikkelingen en de verdergaande automatisering. De regio kraakt in haar voegen. Bovendien, beslissingen worden vaak niet meer in ‘us Mestreech‘ genomen. maar elders in de wereld met alle gevolgen van dien voor deze ooit zo trotse Maastrichtse bedrijven. Gevoegd bij de stevige reductie van arbeids­ plaatsen in het groot aantal kleine Maastrichtse bedrijven en het resultaat is duidelijk: Maastricht verliest vele duizenden arbeidsplaatsen.

Factoren die leiden tot herstel

Al opgemerkt werd dat in 1977 Sjeng Kremers aantrad als nieuwe gouverneur in Limburg. Onder zijn inspirerende leiding, en met krachtdadige steun van sociale partners, wordt orde geschapen in de dreigende chaos. Langzaam maar zeker ontstaat weer vertrouwen in de toekomst van de regio. De rijksoverheid bindt zich aan de taakstelling dat door middel van extra begrotingsmiddelen de zogenaamde regionale werkloosheidscomponent in Limburg wordt weggewerkt. Belangrijkste instrument wordt de ‘PNL-pot’. Vanuit deze pot komen de middelen voor medefinanciering van tal van nieuwe projecten en initiatieven beschikbaar. Zoals nieuwbouw Revalidatiecentrum Hoensbroek, een veelheid aan LIOF-projecten, Noorderbrug Maastricht. stationsplein Heerlen, infrastructuur spoorwegen en stedelijke vervoersvoorzieningen, toeristische infrastructuur, een groot aantal scholenbouw projecten. het MECC in Maastricht, de Barge terminal in Born, de United Nations University, het technologiecentrum Limburg, het centrum voor Europese Studies en de Open Universiteit in Heerlen. Met als klap op de vuurpijl natuurlijk de Universiteit Maastricht en het Academisch Ziekenhuis. Beide laatste projecten hebben overigens in oud-PvdA-senator Sjeng Tans jarenlang een vurig pleitbezorger gekend.

Vakbeweging

In het kader van dezelfde Perspectieven Nota Limburg (PNL) komt de regeling voor vervroegde uittreding van ex-mijnwerkers (VVU) tot stand. Een regeling waaraan door sociale partners in Limburg zwaar getrokken is en die uiteindelijk ruim 700 miljoen kost. Dankzij de ‘PNL-pot’ wordt in deze periode ruim 2.3 miljard gulden besteed aan de wederopbouw van het herstructureringsgebied. Mijnwerkerszoon Sjeng Kremers mag het op zijn conto schrijven dat hij de beslissende impulsen heeft gegeven om Zuid Limburg uit het slop te trekken. De Limburgse vakbeweging komt de eer toe dat zij hieraan een essentiële bijdrage heeft geleverd! De economisch turn around van Zuid Limburg, is behalve aan het gevoerde beleid en de daarbij gevolgde aanpak. ook te danken aan het proces van internationalisering dat intussen optreedt. De voortschrijdende Europese integratie – denk bijv. aan het Verdrag van Maastricht – vormt daarin een belangrijke impuls. Zuid Limburg ondergaat daardoor ook in geografisch opzicht een fundamentele
verandering. Van een geïsoleerde, perifere ligging in een vooruitgescho:en post in een expanderende Europese markt. De belangstelling van nieuwe buitenlandse bedrijven en instituten voor vestiging in deze regio, bewijst dat ook bu1tenlandse investeerders dit zo zien . En – zeer belangrijk voor de toekomst – er voltrekt- zich een mentaliteitsverandering: van klagen naar geloof in eigen kunnen en van ‘Ja maar’ in ‘maar ja’.

Harm Duursma

Voorjaar 2008

De volledige tekst van Het gezicht van de vakbeweging Zuid-Limburg 1 is hier te downloaden