Het geheugen van de vakbeweging

Het gezicht van de vakbeweging Zuid-Limburg – omslag

Het gezicht van de vakbeweging Zuid-Limburg – Inleiding

Ontwikkeling arbeidersbeweging in  Zuid-Limburg

De hedendaagse vakbeweging is het product van een langdurige en veelbewogen strijd om de erkenning van de rechten van de arbeiders. Ook nu draait het in de kern nog steeds om het behartigen van de belangen van werknemers. En zoals vaker gezegd wordt, zijn de leden, kaderleden en de bestuurders daarin passanten. Passanten die de beweging telkens aanpassen aan de nieuwe tijdsomstandigheden en zo nieuwe accenten zetten. Zonder die passanten, geen beweging!

Een groot deel van die passanten is actief op het lokale en regionale niveau én binnen de bedrijven. Ze schrijven daar geschiedenis. Over de collectieve geschiedenis en de landelijke voormannen is in de loop der jaren het nodige geschreven, maar persoonlijke verhalen uit de regio zijn niet of nauwelijks aan bod gekomen. Dit boek plaatst – evenals een eerdere uitgave in november 2008 – een aantal van die persoonlijke verhalen van kaderleden en bezoldigde bestuurders in Zuid-Limburg centraal. Het is een ode aan de vele duizenden kaderleden die vanaf 1875 die beweging in onze regio gedragen hebben.

Piet Göbbels, één van de auteurs van dit artikel

Op 25 januari 1875 werd de Vaalser Arbeiterverein “Sankt Paulus’ opgericht door oud-zouaaf Jan van Houten. Deze datum markeert het begin van de Katholieke Arbeidersorganisatie in het Koninkrijk der Nederlanden. Het is eerst aan het einde van de negentiende eeuw dat de arbeidersbeweging goed op gang komt.

De arbeidende klasse organiseert zich

Op de scheidslijn van de negentiende en twintigste eeuw dringt bij steeds meer arbeiders – ook in Limburg – het besef door dat de strijd om lotsverbetering in georganiseerd verband gestreden moet worden. Alleen een krachtige vakbeweging is in staat om de maatschappelijke verhoudingen wezenlijk te veranderen. Het ontstaan van de vakbeweging is daarmee een feit. De onderlinge solidariteit is tevens een belangrijk wapen in de strijd; opkomen voor elkaar en je niet uit elkaar laten spelen. Ervoor zorgen dat de patroons de vakorganisaties als onderhandelingspartners erkennen. Landelijk worden de eerste aanzetten gegeven voor arbeids- en sociale wetgeving en in het verlengde daarvan het aanbieden van juridische bijstand voor leden en de vorming van stakingskassen. Ter bestrijding van de veel voorkomende en gevreesde tuberculose worden eigen sanatoria opgericht. Fondsenwerving daarvoor gebeurt op lokaal niveau. Binnen en buiten de bedrijfspoorten wordt op regionaal en plaatselijk vlak een veelheid aan initiatieven genomen van de meest uiteenlopende aard. Zo ontstaan onder meer plaatselijke woning-, brandstof-, levensmiddelen- en bakkerijcoöperaties. Arbeiders gaan over tot de vorming van een eigen provinciaal ziekenfonds, richten plaatselijke spaarkassen op; agentschappen van eigen arbeiders verzekeringsbedrijven volgen. De fundamenten voor de eerste pensioenfondsen worden gelegd. Voor arbeiders uit andere windstreken komen er gaarkeukens en gezellenhuizen. Muziek-, zang- en toneelverenigingen worden opgericht evenals eigen leesbibliotheken. Jeugd- en Vrouwenorganisaties komen tot bloei. Allemaal initiatieven gericht op de eigen stand. Initiatieven die in een latere fase veelal opgaan in bredere, meer algemene verbanden, of verdwijnen omdat ze overbodig worden, zoals sanatoria, gaarkeukens en gezellenhuizen.

Herstel, welvaart, matiging

Meteen na het einde van de Tweede Wereldoorlog wordt de wederopbouw ter hand genomen. In eerst instantie zijn regionaal en lokaal opnieuw initiatieven genomen gericht op de eigen stand. Zo komen in Limburg eigen arbeiders en beambtenrustoorden – het Dr. Poelsoord bij Maastricht; ‘Amblève’ in de Belgische Ardennen en huize De Bedelaar in Haelen – van de grond alsmede een eigen vakantieoord voor arbeiderskinderen, Groenewoud in Swalmen. De Dienst Hulpverlening richt zich op het lenigen van materiële en geestelijke nood van gezinnen, de Stichting Eigen Huis wordt een feit, Studiefondsen volgen en de ‘culturele verheffing’ van de arbeider wordt ter hand genomen met behulp van een eigen Culturele Dienst.

De scheidslijnen tussen de standen met ieder hun eigen instellingen vervagen gaandeweg in deze periode. Het is het tijdperk van de geleide loon- en prijspolitiek, de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie (PBO) wordt ingericht met de SER als hoogste orgaan, de medezeggenschap maakt een forse stap voorwaarts middels de Wet op de Ondernemingsraden en het gebouw van de sociale zekerheid wordt verder opgetrokken. Kortom onze samenleving wordt drastisch gemoderniseerd. Aan de afbraak van de standenmaatschappij en het ontstaan van wat we de verzorgingsstaat zijn gaan noemen levert de vakbeweging een substantiële bijdrage, ook regionaal en plaatselijk.

De verzorgingsstaat wordt ingericht

Woelige jaren binnen en buiten de vakbeweging! De Nederlandse vakbeweging reorganiseert: NVV en NKV gaan samen, het CNV gaat alleen verder en op initiatief van de Unie ontstaat opnieuw een derde vakcentrale: de MHP. Het zijn ook de jaren van de door de vakcentrales gecoördineerde acties (“Willen we naar de Dam, dan gaan we naar de Dam…”); van het Centraal Akkoord van Wassenaar van 1982; van verdergaande individualisering en arbeidstijdverkorting. De vakbeweging breidt haar dienstenpakket sterk uit met bijvoorbeeld de lokale Dienst Hulpverlening, regionale Vakbondswinkels en een uitgebreide belastingservice voor leden.

De materiële en maatschappelijke welvaart neemt toe en ook de werknemer verwerft een positie in de maatschappij. Tegelijkertijd gaat een aanzienlijk aantal vakbondseigen instellingen op in meer algemene verbanden. Voorbeelden zijn met name de eigen banken, verzekeringsmaatschappijen en ziekenfondsen. Het veelbesproken Hollandse poldermodel draait in deze periode overuren, niet alleen landelijk maar ook regionaal. Op het maatschappelijk middenveld neemt de vakbeweging plaatselijk en regionaal nadrukkelijk haar plaats in. De bonden en vakcentrales zijn vertegenwoordigd in een veelheid van besturen, raden en commissies. Wat het onderwijs betreft wordt zitting genomen in besturen voor het lager onderwijs, het huishoudonderwijs, de ambachtscholen evenals in besturen van vormingscentra, stichtingen vakopleiding, het Regionaal Orgaan Leerlingwezen en volkshogescholen.

Op sociaaleconomisch terrein komen we vakbondsvertegenwoordigers tegen in de gemeentelijke adviescommissies voor de WWW, de RWW en de WSW. Regionaal in de Raden van Arbeid en de Raden van Beroep, de besturen van de Kamers van koophandel, ETIL en LIOF, in de commissie sociale begeleiding ex-mijnwerkers en de VUT commissie ex-mijnwerkers, de Regionale Raad voor de Arbeidsmarkt en de Limburgse Contactgroep opvoering Productiviteit, de SEAR en de PSEOL. In de sociaal maatschappelijke hoek had men zitting in besturen van ziekenfondsen, de Provinciale Commissie van Samenwerking, de Stichting Bijzonder Sociale Zorg Zuid Limburg, de LIS, het IKOL en de Raad voor de Kinderbescherming. Op het terrein van de volkshuisvesting in besturen van plaatselijke woningcoöperaties, de regionale huuradviescommissies, het bestuur van de stichting ‘Eigen Huis’ en volkshuisvestingskoepel ‘Ons Limburg’. Aan het einde van deze periode zien we dat de vakbeweging, gedwongen door de nieuwe tijdsgeest begint aan de terugtocht van het maatschappelijk middenveld.

De vakbeweging in een nieuwe rol

Eind vorige eeuw komt de behartiging van concrete sociaaleconomische belangen steeds meer centraal te staan; dit leidt tot het afstoten van een groot aantal taken op sociaal-maatschappelijk en cultureel terrein. Daarmee komt een einde aan de sterke positie die de vakbeweging vanaf de jaren ’60 op het maatschappelijk middenveld in de regio inneemt. Arbeid en inkomen- weliswaar breed opgevat – vormen nu de hoofdthema’s voor vakbonden en -centrales. Naast de nadrukkelijke aanwezigheid in bedrijven en instellingen verschuift belangenbehartiging alsmaar meer naar het centrale niveau. Daar én internationaal worden de lijnen uitgezet voor de toekomstige sociaaleconomische orde. Een orde waarin de vrije markt steeds meer domineert, maar die – zoals de recente financiële crisis en de economische recessie overduidelijk  laten zien – aan strikte regels gebonden dient te blijven. De sociale tegenstellingen zullen anders nog verder verscherpen, de vervuiling zal blijven toenemen en ons milieu dreigt nog grotere en onherstelbare schade op te lopen.

Ook in deze nieuwe constellatie blijft een rol weggelegd voor de vakbeweging! Er dienen zich ook in de toekomst landelijk en internationaal steeds weer nieuwe sociale vraagstukken aan en vooral de zwakken in de samenleving zullen ook dan ‘het schild der solidariteit’ – de vakbeweging – nodig hebben. Een schild dat wordt gevormd samen met die werknemers en vakbondsleden die sterker in de maatschappij staan. En ook dan weer zullen leden, kaderleden en bestuurders hun rol als passanten spelen. Zij zijn het die samen dat schild van die spreekwoordelijke vakbondssolidariteit blijven dragen. En daarmee is verzekerd dat ook regionaal en plaatselijk het vakbondsgeluid hoorbaar blijft; het ene moment fluisterend, het andere oorverdovend….

Mat Janssen en Piet Göbbels

Najaar 2010