Het geheugen van de vakbeweging

Klaas Kruithof, CNV-voorzitter van 1916 tot 1935

Eerste Wereldoorlog – de afloop

Het CNV en de ‘Vergissing van Troelstra’

In de nazomer van 1918 wordt duidelijk dat Duitsland de Eerste Wereldoorlog (WO I) zal verliezen. Een verlies met grote sociale gevolgen. Al in 1917 vormt WO I een basis voor de Russische Revolutie, die als voorbeeld dient voor tal van communistische en socialistische geestverwanten in andere Europese landen. SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra ziet in een muiterij op het Infanterieschietkamp (ISK) Harskamp op 25 en 26 oktober de bevestiging van het feit dat de revolutie niet bij Zevenaar stopt. Naar zal blijken heeft de socialist zich vergist. Piet Hazenbosch analyseert en kijkt naar de rol van het CNV…

In 1914 – bij het begin van de oorlog – positioneert Troelstra de SDAP als een partij, die op hoofdlijnen het beleid van het kabinet steunt. De nationale saamhorigheid is in zijn visie noodzakelijk om – al is het maar op den duur – het algemeen kiesrecht te verwerven. De SDAP heeft in haar streven naar een sociaaldemocratische samenleving het leerstuk van de revolutionaire omwenteling losgelaten en zoekt haar ‘gelijk’ via de parlementaire weg. In 1918 is de situatie ingrijpend veranderd. Het algemeen kiesrecht is – evenals de gelijkschakeling van openbaar en bijzonder onderwijs – in de Grondwet verankerd. De tegenstelling tussen rijk en arm is als gevolg van een sterk verslechterde economie schrijnend vergroot.

CNV en de klassenstrijd

Op maandag 11 november maakt Troelstra in een toespraak te Rotterdam duidelijk dat hij de ineenstorting van ‘de bourgeoisie’ verwacht. Hij herhaalt die uitspraken in een urenlange rede op 12 november in het parlement. In de ogen van CNV-ers moeten dit zeer gespannen dagen zijn. Lang was gedebatteerd over de grondslag van het CNV en het ‘verwerpt mitsdien de klassenstrijd’ was de formule waarop bonden en anderen zich konden verenigingen. En nu dreigt het ultimum van die klassenstrijd: de revolutie. Het 8ste Verslag en ook CNV-geschiedschrijver Herman Amelink besteden breedvoerige aandacht aan de activiteiten van het CNV om de revolutiepoging te verhinderen.

Herman Amelink, CNV-geschiedschrijver

Amelink schrijft in Met ontplooide Banieren: ‘Op 11 November 1918 begaven Voorzitter en Secretaris  van ons Verbond zich des morgens te ongeveer 11 uur naar het station te Rotterdam om naar Den Haag te vertrekken, waar des middags te twee uur, gezamenlijk met eenige afgevaardigden van het R.-K. Vakbureau, een bespreking met minister Aalberse zou plaats hebben over enige aangelegenheden betreffende de arbeidswetgeving. Op weg naar het station zagen ze een manifest in grooten getalen verspreiden. Het was het manifest der S.D.A.P. en de ‘moderne’ vakbeweging, waarin werd medegedeeld, dat het reeds aangekondigde Congres [van de SDAP, ph] vervroegd was; waarin de ‘Rotterdamsche eischen’ waren opgenomen en de arbeiders werden opgeroepen te vergadering op dienzelfden avond in twee grote zalen te Rotterdam.’ Deze ervaring brengt het Dagelijks Bestuur ertoe om op 13 november een extra Algemene Vergadering uit te schrijven. Maar er gebeurt meer. Op de avond van die bewuste maandag houdt Troelstra zijn eerder gememoreerde rede en op dinsdag besluit het Dagelijks Bestuur dan ook de besturenbonden nauwkeurig te instrueren. ‘Gode zij dank, is ons volk voor den oorlog gespaard gebleven. Dat is een groot voorrecht. Doch zal thans ons land een prooi moeten worden van het revolutiemonster?’ Dat kan en mag niet gebeuren en daarom is spoedig overleg nodig, het verzet tegen de revolutiepoging moet worden georganiseerd.”

De Algemene Vergadering op 13 november 1918 is een vergadering die zich kenmerkt ‘door grooten ernst’. Verzet is nodig, ook al moet dat gepaard gaan met persoonlijke offers. ‘We zullen Nederland in Gods kracht voor een revolutie bewaren’. De Vergadering besluit een manifest op te stellen en dat massaal te verspreiden. Alle normale werkzaamheden worden opgeschort, slechts het verzet tegen de revolutie(poging) telt.

Het CNV is niet de enige organisatie, die in het geweer komt. Ook de roomskatholieke vakorganisaties verzetten zich naast politieke partijen, terwijl ook de regering activiteiten ontwikkelt de plannen van de sociaaldemocraten te ondermijnen. Zo worden ca 6.000 soldaten naar Rotterdam gestuurd, want in die stad is de SDAP-aanhang het grootst en het actiefst.

Op het congres van de SDAP op 16 en 17 november moet Troelstra toegeven dat hij zich in de veranderde machtsverhoudingen heeft vergist – de revolutiedreiging is na een week voorbij, maar de gevolgen daarvan zeker niet. Op 18 november vindt op het Haagse Malieveld een ‘spontane’ huldebetoging aan het Koninklijk Huis plaats. Ook tijdens de volgende dagen wordt duidelijk dat in Nederland niet in het minst sprake is van een ‘revolutionaire geest’. Op diezelfde dag besluit het comité, dat het CNV samen met andere christelijk-sociale organisaties heeft opgericht, om nogmaals een manifest tot de Nederlandse arbeiders te richten. In een oplage van een miljoen exemplaren wordt de arbeiders gewezen op de gevaren van de sociaaldemocratische vakbeweging en worden zij opgeroepen de gelederen van het CNV te versterken. Op het oog heeft die oproep effect: tussen begin november 1918 en eind maart 1919 groeit het CNV met 20.000 leden. Maar het is de vraag of die groei alleen veroorzaakt wordt door het optreden van het CNV in november 1918. Wie naar de ledenontwikkeling van de drie grote vakcentrales kijkt, kan vaststellen dat het NVV leden verliest in deze periode en dat de roomskatholiek en protestants-christelijke vakorganisaties wel groei vertonen. Maar het zijn zeker ook materiële overwegingen die de arbeiders massaal overhalen zich te organiseren. Dat blijkt in de loop van 1919 als er een tweede golf ledengroei optreedt als gevolg van veranderingen in de werkloosheidswetgeving, waarin georganiseerden zeker voordelen hebben boven ongeorganiseerden.

De ‘vergissing van Troelstra’ heeft ten minste twee gevolgen: Het eerste gevolg is dat het de totstandbrenging van nieuwe sociale wetgeving versneld. De introductie van de 8-urendag – een sociaaldemocratische eis – wordt door Aalberse snel ingewilligd. Het andere gevolg is dat de SDAP zichzelf duurzaam uitsluit als coalitiepartner. Is bij de eerste Kamerverkiezing onder het algemeen kiesrecht nog de gedachte dat de SDAP mederegeringsverantwoordelijkheid zou kunnen gaan dragen, na ‘de revolutie’ duurt het tot 1939 alvorens SDAP-ministers optreden.


Piet Hazenbosch

Oktober 2018

 

Lees verder…