Het geheugen van de vakbeweging

Het Bisschoppelijk Mandement van 1954

Het dossier van Jan Mertens

Het Bisschoppelijk Mandement van 1954 ‘De katholiek in het openbare leven van deze tijd’ heeft een schokgolf veroorzaakt in de naoorlogse arbeidsverhoudingen. Aan de groeiende samenwerking tussen de drie vakcentrales komt een voorlopig einde. En het vertrouwen tussen KVP en PvdA in de rooms-rode regeringscoalities werd geschaad. Omdat de bisschoppen in het Mandement zich op het standpunt stellen dat het lidmaatschap van het NVV voor katholieken is verboden en het lidmaatschap van de PvdA wordt ontraden. Dertig jaar later, in 1984, heeft oud-NKV-voorzitter Jan Mertens, zijn archief overgedragen aan het Katholiek Documentatie Centrum (KDC) in Nijmegen. Met daarin een dossier over het Mandement. Zijn toelichting daarbij wordt hier weergegeven, omdat daarin beknopt een schets wordt gegeven van de context die bij het mandement hoort. Tevens zijn enkele onderdelen van het dossier op de website te raadplegen.

Jan Mertens, 'archivaris' van de katholieke vakbewegingJan Mertens, ‘archivaris’ van de katholieke vakbeweging

Mandement 1954 – Katholiek sociaal program – Verbond van de Arbeid

———————————————————————————————–

Twee opmerkingen vooraf.

1.      Zoals toegezegd gaat hierbij mijn documentatie over het Bisschoppelijk Mandement van 1 mei 1954, zoals het openbaar werd op zondag 30 mei 1954, met daarbij gevoegd enkele stukken die betrekking hebben op het Katholiek Sociaal Program en het Verbond van de Arbeid. Zo zat het bij elkaar in mijn archief. Ik sluit niet uit, dat ik er nog meer stukken over heb, die t.z.t. tevoorschijn komen.
2.      Om een of andere reden, die ik me niet kan herinneren, werd ik betrokken bij het overleg van de kleine werkgroep, die zich beraadde op de reacties van het verbond en op uitingen naar buiten in de daarop volgende periode van spreekbeurten. Ik herinner mij dat die werkgroep bestond uit Middelhuis, Lelieveld, Kolkman, pater Pillen, Beumer en ondergetekende. We kwamen een paar keer bijeen in het A.C. de Bruijn-Instituut te Doorn en verder was er samenspraak op het verbondskantoor.

Rondom het Mandement

Voorafgaand aan het Mandement waren er twee gebeurtenissen, die in samenhang gezien moeten worden met bovenstaande thema’s, althans m.i. Zij betreffen a. de viering van het eeuwfeest van het Herstel van de Bisschoppelijke Hiërarchie p[ zondag 17 mei 1953 en het bezoek en spreekbeurt van de aartsbisschop-coadjutor Mgr. Alfrink op de verbondsraadsvergadering van de KAB op maandag 21 december 1953. Het 100-jarig bestaan van de Ned. RK Kerkprovincie met vijf bisdommen wordt geherstructureerd tot zeven bisdommen in november 1953 en Mgr. Alfrink wordt benoemd tot aartsbisschop van Utrecht. Na reorganisatie van de Ned. Kerkprovincie blijkt een jaar later dat een ‘structuurvernieuwing nodig is in de sociale organisaties van de katholieken’. Dat is in 1956, een paar jaar na het mandement.
In chronologische volgorde geordend voeg ik een bundel bij met stukken (krantenknipsels, verbondsstukken, brochures van Roemers NVV en Ruppert CNV, nummers van Ruim Zicht, het Supplement van de KAB in verband met het bisschoppelijk mandement 1954, een rede in brochurevorm van dr. A.J.M. Cornelissen van 20 jan. 1955 en een nummer van het CNV-blad De Gids van aug. ’55 met ‘het herderlijk schrijven van de Nederlands Hervormde Kerk’.) De in deze bundel samengevoegde stukken complementeren mogelijk de gebeurtenissen rondom het Mandement voor een beter inzicht in de houding van de KAB in die periode. Voorts verwijs ik naar het KAB-verslag 1948-1954 – deel II – pag. 727 (730)-740.
Voor het optreden naar buiten betreft met spreekbeurten over of in relatie tot het mandement hierbij de volgende documenten met toelichting.
Vanuit de Raad van Vakcentralen startte op 1 oktober 1953 een cursus tot opleiding van efficiency-adviseurs met 33 deelnemers van bestuurders uit drie vakcentralen/bonden, ongeveer gelijkelijk verdeeld. De leider van deze cursus was drs. Th. Coppes, die na afloop van deze cursus van een jaar, per 3 november 1954 in dienst trad van het KAB-verbond als medewerkers van het Wetenschappelijk Advies-Bureau (WAB).
In de cursus was gepland dat een inleiding met discussie zou plaats vinden door de voorzitters van de vakverbonden tegen het einde van het cursusjaar. Voor het NVV werd de inleiding verzorgd door Oosterhuis (of Roemers), voor het CNV door Ruppert en voor de KAB door Middelhuis, die het overdroeg aan mij. Het moest gaan over het karakter en de inrichting van de resp. vakcentrales. De inleiding die door mij werd gehouden en voorzover die op papier staat, sluit ik hierbij in. Vandaar ‘De KAB een katholieke arbeidersbeweging’, waarbij de mandement-achtergronden niet konden worden verzwegen. Over de inhoud pleegde ik uiteraard overleg met Middelhuis. De inleiding werd gehouden op 17 juli 1954 in het Paushuis te Utrecht. Als pikante bizonderheid merk ik daarbij op, dat de bijeenkomst werd geleid door mijn buurman Huib Colijn., die bestuurder/cursist was van de Ned. Christelijke Bond van Overheidspersoneel (NCBO), een goede persoonlijke vriend van Ruppert. Later werd hij door Ruppert binnengehaald als personeelsdirecteur van de Koninklijke Hofhouding. Toen Ruppert staatsraad was geworden in 1959, regelde hij met de koningin het overleg met de bonden, waarbij het personeel van de hofhouding was aangesloten. Dit personeel was voor praktisch 100% lid van de drie vakbonden, die bij de erkende vakcentrales waren aangesloten. Met Ruppert heb ik altijd vriendschappelijke contacten onderhouden; ik kom er later in een ander verband op terug. Maar dit is terzijde van de mandement-kwestie.
Zoals gezegd, kan ik me niet goed herinneren, waarom ik nogal intensief werd betrokken bij de spreekbeurten over het mandement. Ik kan mij ook niet herinneren, dat buiten Middelhuis collega’s in het land vaak optraden voor soortgelijke spreekbeurten. Uit mijn zakboekjes kan ik buiten de sociale verzekerings-spreekbeurten niet opmaken waar en wanneer die spreekbeurten in de plaatselijke afdelingen plaats vonden. Ik voeg hier wel bij de uitgetikte tekst van spreekbeurten, die ik hield.
Wel kan ik mij herinneren, dat ik verschillende keren ben opgetreden als spreker over het mandement met prof. Dr. A.A. Ariëns op plaatselijke bijeenkomsten van de gezamenlijke katholieke organisaties. Ik meen, dat dit voortvloeide uit een afspraak in de Katholieke Raad van Overleg (kath. Werkgevers, boeren, middenstand en arbeiders). Dat waren toen evenementen in die plaatsen, waarbij ook de kerkelijke en wereldlijke overheden aanwezig waren. Drie van die evenementen kan ik mij nog met plaats en datum herinneren: 13 september ’54 in Leeuwarden, 15 november ’54 in Zwolle en 20 januari ’55 in Hengelo (G). Maar misschien waren er meer. De tekst van de aldaar gehouden inleidingen door mij sluit ik hierbij in. Volgens bijgaande krantenknipsel uit De Tijd van 8 maart 1955 trad prof. Ariëns daags tevoren op in Enschede met mr. Dr. N. v.d. Heuvel. Deze laatste was lid van de Tweede Kamer voor de KVP en bestuurder van de Katholieke Middenstandsbond. En als pikante bizonderheid: hij was de zwager van drs. Alf. Arnolds.
Over spreekbeurten over het mandement bij de vakbonden en de diocesane bonden kan ik me niets herinneren of aanduidingen vinden, behoudens een trits studie-weekends van St. Raphaël, de Ned. Kath. Bond van Vervoerspersoneel in maart/april 1955. Daar trad ik op met de Credo Pugno-pater van de Bossche diocesane bond, drs. Fidentius o.f.m.cap. Het dossier over deze studie-weekends voor het kader van St. Raphaël (opzetschema, speech, brochure en bondsblad) sluit ik hierbij in.
Ik vermeld hierbij een grappige en een verdrietige gebeurtenis, welke gebeurtenissen niets met het mandement te maken hebben.
1.      Bij de voorzitter van St. Raphaël, de spoorman Blommers, was autorijden voor bestuurders van de spoorbond een taboe. Desondanks liet hij zich op een van de weekenden – ik meen 19-20 maart – verleiden om met mij met de auto terug te rijden van Vught naar Utrecht. Hij was vanwege de treinenloop dan eerder thuis. Ook collega Piet van Hout, toen bestuurder van St. Raphaël, reed mee. Het was koud en sneeuwde. Omdat ik niet op mijn benzinetank gelet had kwamen we halverwege Den Bosch-Utrecht zonder benzine te zitten en moest dat onder vrij barre omstandigheden opgelost worden. Die gebeurtenis, die Blommers allesbehalve grappig vond, zou hem versterken in zijn aversie tegen auto’s in de KAB. Vanuit zijn afkomst en zijn functie was hij toen de propagandist voor het openbaar vervoer.
2.      In het weekend van 2-3 april ’55 was mijn moeder na een ernstige ziekte stervende en zij overleed op maandag 4 april. Toen heb ik die spreekbeurt niet kunnen vervullen en is die overgenomen door een van de bestuurders van St. Raphaël.
De documentatie over het mandement sluit ik af met een paar krantenknipsels van januari 1958 over de nieuwe vorm van overleg tussen de drie vakcentralen – het Overlegorgaan – die werd ingesteld in januari 1958. Het herstel van de verbroken samenwerking sedert het Mandement. En voorts met een knipsel uit 1965, waarin wordt gemeld, dat het Episcopaat het verbod van lidmaatschap voor katholieken van het NVV had ingetrokken en het mandement werd herzien. Over beide gebeurtenissen heb ik nog wel meer materiaal in mijn archief dat t.z.t. tevoorschijn komt.

KATHOLIEK SOCIAAL PROGRAM.

De poging tot het ontwerpen van een Katholiek Sociaal Program was een uitvloeisel van het Mandement, waartoe de bisschoppen een oproep deden aan de katholieke organisaties in paragraaf 39. Ik sluit hierbij in een uittreksel uit de notulen van de vergadering van de raad van Overleg dd. 25 juni 1954.
De poging om tot zo’n program te komen bleek een lijdensweg te zijn. Drs. Fons Arnolds, die vanwege de KAB werd vrijgesteld om daaraan te werken met prof. Weve van de Hogeschool in Tilburg, zou er bijna aan ten onder gaan. Hij heeft nog enige documentatie daarover beschikbaar voor het KDC. Wil dus met Arnolds contact opnemen.
Zonder verder op deze lijdensweg in te gaan meld ik met een bijlage (brief/circulaire van de Cultuurdienst KAB van 7/8 oktober 1960) dat op dat tijdstip de twee eerste delen van het ‘Katholiek Sociaal Program’ gereed waren gekomen. Een samenvatting van deze twee delen werd eveneens uitgegeven. Tevens meldde de Cultuurdienst, dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud van deze delen – waarvan er nog drie met een register zouden verschijnen – zou blijven bij de schrijvers.
Toen op 20 december 1963 de genoemde laatste delen werden aangeboden aan kardinaal Alfrink, zou zijn eminentie in zijn toespraak zeggen dat de auteurs zeer bescheiden zijn te werk gegaan. “Zij geven (in Welvaart, Welzijn en Geluk) hun visie op de aangesneden problematiek niet als het katholieke uitzicht, maar als een uitzicht, daarbij de mogelijkheid openlatend dat een ander op grond van dezelfde christelijke visie in details misschien een andere opinie zou kunnen aanhangen. Dat ontslaat ook mij van de taak een akkoordverklaring met alles wat in deze boeken als waardevol gevonden wordt, af te leggen.” Ik sluit een afschrift van deze toespraak hierbij in.
Verder ga ik op dit thema van een Katholiek Sociaal Program thans niet in.

HET VERBOND VAN DE ARBEID

Omdat in het Mandement in deel II par. 19 de grootse taak op sociaal terrein aan de orde wordt gesteld, waarbij de katholieke sociale organisaties (par. 20), de verhouding stands- en vakorganisatie (par. 28), het belang van de vakorganisatie in de PBO (par. 32), de samenwerking der standen (par. 38) en ten slotte de politieke eenheid (par. 40) in het beeld komen, uit welke gedachte mede de discussies en studie over ‘Het verbond van de arbeid’ voortvloeien, zal ik de stukken die daarop betrekking hebben uit mijn archief, hierbij voegen.
Na de invoering van de nieuwe structuur der KAB in 1945, komt vrij snel daarna de structuur weer opnieuw in discussie. Ik verwijs hierbij naar het KAB-verslag 1948-1954 – deel I, de pagina’s 33 tot 41 en de pagina’s 365 tot 390. Daarbij is de verhouding stands- en vakorganisatie en de kwestie van de bedrijfsbonden aan de orde. Over het Intern Beraad van 23-24 juni 1952 voeg ik een map met stukken hierover hierbij.
Over de voortzetting van de strictuur-problematiek intern en de discussies en studies daarover spreek ik verder niet. Ik stel alleen vast, dat deze zaak volop aan de orde komt. Ter adstructie daarvan sluit ik hierbij in:
a.      Het Rapport over de structuur der KAB van de Bossche diocesane bond der KAB van 15 november 1957;
b.      De eerste concept-nota van de door het DB benoemde commissie ter voorbereiding van het toegezegde ‘intern beraad’ voor de DB-vergadering van 24 februari 1958 en
c.      Diezelfde concept-nota ter behandeling in de vergadering van het verbondsbestuur van 17 maart 1958.
Ik ga ook niet in op de hele discussie en de besprekingen over Het Verbond van de Arbeid. Maar ik overleg hierbij enkele krantenknipsels van De Tijd uit mei 1958 over het Kath. Verbond van de Arbeid van naar ik aanneem de hoofdredactie; drie artikelen van pater R.C. Kwant o.e.s.a. uit De Tijd van juni 1958; en een artikel in De Tijd van Ant. Hennekens, de toenmalige voorzitter van de Kath. Vereniging van Mijnbeambten. Een aangekondigd vervolgartikel is niet in mijn bezit. En tot slot een artikel uit De Volkskrant van 29-9-1958 van een speciale verslaggever. Ook die publicaties handelen over het Verbond van de Arbeid.
Zoals eerder gezegd vond ik deze stukken over de drie onderwerpen bijeen in mijn archief. Ik sluit niet uit, dat ik nog meer stukken t.z.t. zal tegenkomen. Maar ik moet erbij zeggen dat, hoezeer ik bij de mandementskwestie betrokken was, ik minder bemoeiing persoonlijk had met het Katholiek Sociaal Program, de structuurstudie binnen de KAB en het Verbond van de Arbeid. Ik werd bijna geheel in beslag genomen door de hoofdtaak in mijn portefeille: sociale verzekeringen.
P.J.J. Mertens
18-01-1984

Gevel Utrechtse NV-huis, waar vakbondsbestuurders van alle vakcentrales vergaderden enkele dagen na de afkondiging van het Mandement