Het geheugen van de vakbeweging

Henk Woudenberg

Henk Woudenberg

Iedereen die een beetje vertrouwd is met de geschiedenis van de vakbeweging heeft van hem gehoord, van Henk Woudenberg. Maar wat weten we van hem? Hij is de broer van NVV-vakbondsbestuurder en SDAP-kamerlid Kees Woudenberg. Neemt na de oorlogsdagen van mei 1940 de leiding op zich van de Nederlandse vakbeweging en vormt die in 1942 om tot het Nederlands Arbeids Front (NAF). Daar blijft het ongeveer bij. Meer willen we eigenlijk niet van hem weten. Gjalt Zondergeld, oud-medewerker van het Nederlands Instituut voor Oorlogs Documentatie (NIOD) heeft zich over de afkeer hen gezet en schetst in ‘Ons Socialisme, Uw Toekomst’ een wat duidelijker beeld van een van de meest gehate mensen uit oorlogstijd.

Henk Woudenberg, leider Nederlands ArbeidsfrontHenk Woudenberg, leider Nederlands Arbeidsfront


In het blad Arbeid van het gelijkgeschakelde NVV worden de finest hours van Henk Woudenberg nogal romantisch getoonzet. “In de nog prille morgen spoedt een kleine auto in een zonovergoten landschap langs de tegenwoordig vrijwel verlaten autoweg naar Den Haag. Helgroen liggen de malse weiden van het Hollandse land gestrekt tot een verrezen horizon; de sloten blikkeren in het zachte licht van den jarigen Meidag. Peinzend trekt NVV-commissaris Woudenberg aan zijn onafscheidelijke pijp en kijkt voor zich uit, waar de eenzame weg zich vlak en recht voor hem uitstrekt. Hij denkt aan de afgelopen twee jaar waarin de weg van het NVV niet zo vlak en zonder hindernissen is geweest. Nu is hij op weg naar naar de zetel van de regering voor een nieuwe opdracht, die zwaarder en nog moeilijker is, maar ook schoner. De enig overgebleven strijdorganisatie van het zogenaamde Nederlandse proletariaat zal opgaan in de gemeenschap der gezamenlijke Nederlandse werkers tot heil van het gehele Nederlandse volk.” Woudenberg is op 1 mei 1942 weg naar Seyss Inquart om benoemd te worden tot leider van het NAF. Daarmee gaan de arbeidsverhoudingen in bezettingstijd een nieuwe fase in. Voor leden en bestuurders van het NVV is dit het signaal om hun werk neer te leggen. Na de Bevrijding zal dit ook het ijkpunt zijn, waaraan NVV-ers worden getoetst. Voor wie door blijft werken is er later geen plaats meer.
Henk Woudenberg is het zesde kind zoon van Helmert Woudenberg en Sofia Gysbertsen, die een veeboerderij hebben in de Amsterdamse Joden-Houttuinen. Zij houden daar meer dan tien koeien, die met een platboomschuit naar de weide in de Watergraafsmeer worden gebracht. Een vetpot is het niet, temeer daar het vroom christelijke gezin, behorend tot de ‘Hersteld Apostolische Zendingsgemeente in de eenheid der Apostelen’, met 14 kinderen wordt verblijd. Henk, die op 19 september 1891 wordt geboren, is van jongs af zwaar gehandicapt. Tot zijn derde jaar is hij praktisch blind. Aan één oor is hij doof, een kwaal waarvan hij niet geneest. Zijn linkerarm is mismaakt, zijn linker bovenzijde functioneert slecht. Als gevolg van tuberculose op latere leeftijd moet hij een nier missen. Zijn hele leven lijdt hij aan tal van kwaaltjes.
Ondanks alles wordt hij in het gezin niet ontzien. Net als zijn broers en zusters wordt hij vanaf zijn achtste voor en na schooltijd ingeschakeld in het bedrijf. Vader Helmert neemt het daarbij niet zo nauw met de Leerplichtwet die in 1900 van kracht is geworden. Henk maakt de lagere school niet af als hij op zijn 11de als loopjongen bij een handelsfirma aan de slag kan. Vanwege zijn zwakke constitutie ligt een toekomst op het familiebedrijf niet voor de hand. Vandaar dat hij zich in avonduren werpt op studies Frans, Duits en Boekhouden. Na een succesvolle afronding daarvan vindt hij werk de NV Zeevishandel Van Oterendorp en Co in IJmuiden. In dit internationaal georiënteerde bedrijf klimt hij snel naar grote hoogte. In 1918 wordt hij procuratiehouder. In die functie moet hij veelvuldig op reis naar tal van Europese landen.

Voorlezen uit Het Volk

In politiek opzicht laat hij zich eerst bijlichten door zijn acht jaar oudere broer Kees. Die is in 1901 lid geworden van de ‘atheďstische’ SDAP, hetgeen bij de vrome ouders niet zo goed valt. Tegen de wil van de ouders leest Kees zijn broers en zusters voor uit Het Volk. Ook Henk wordt gepakt door de spannende verhalen over de verkiezingen van 1901 en de Spoorwegstaking van 1903. “in die roerige, revolutionaire tijd”, schrijft Zondergeld, “werd voor Henk net als voor zijn broer, de basis gelegd voor zijn latere activiteiten in de vakbeweging en de politiek. Wel weinig zullen beide broers toen vermoed hebben hoe zeer zij ruim 30 jaar later in totaal tegengestelde kampen elkaar zouden gaan bestrijden, vrijwel op leven en dood. Terwijl Henk later een van de leiders van de antisemitische NSB zou worden, sloot broer Kees zich als niet-jood aan bij de sociaaldemocratische Zionistische organisatie ‘Poale Zion’.”
Woudenberg trouwt in 1917 met Trijntje van Bladeren, die hij op de zondagsschool heeft ontmoet en vestigt zich dan in IJmuiden, de plaats waar hij ook zijn werk heeft gevonden. Trijntje heeft de eerste steen gelegd van hun woning. Het huwelijk, de belangrijke functie in het bedrijf en het eigen huis drijven hem af van de sociaaldemocratie in kleinburgerlijke richting. De Oktober Revolutie van 1917 en Troelstra’s oproep tot revolutie in 1918 geven het laatste stootje. Maar desondanks onderhoudt hij nog enige tijd een band met de moderne vakbeweging. Na de dure nieroperatie vult hij zijn inkomen aan met vertaalwerkzaamheden voor het Internationaal Vakverbond (IVV) en de Internationale Houtarbeidersbond (IHB), waarvan broer Kees voorzitter. Zelf is hij in deze tijd lid van Mercurius, de bond van handels- en kantoorbedienden. Politiek sluit hij zich – ‘uit medelijden’ zal hij later zeggen – aan bij de Socialistische Partij van Harm Kolthek, die daarnaast ook voorzitter van het Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS). Hoewel Woudenberg pas in 1933 in contact komt met de NSB ziet hij al eerder in de degelijke ingenieur Anton Mussert ‘de toekomstige leider van Nederland’. In IJmuiden, onder vissers en reders, wint de NSB snel een grote aanhang. Onder hen Woudenberg, die zich in het najaar van 1933 aansluit, als er in Duitsland de eerste maatregelen tegen joden, socialisten en communisten zijn getroffen.
Binnen de IJmuidense NSB wordt hij al snel betrokken bij al het organisatiewerk. Hij wordt redacteur van het blad ‘De Victorie’ en wordt benoemd tot ‘onderkringleider’. Veel kennissen en zakenrelaties volgen hem naar de NSB. Zijn werkgever is er niet helemaal gelukkig mee. Afnemer ‘De Bijenkorf’ verbreekt de relatie. Maar desondanks staat het zijn loopbaan in het eigen bedrijf niet in de weg. Twee jaar later wordt hij er directeur. Landelijk valt hij vanwege zijn enthousiasme ook op. Snel behoort hij tot de intimi van Mussert en wordt hij verkozen in de Tweede Kamer. In het licht van zijn latere rol in de vakbeweging is echter het voorzitterschap van de Nationale Werknemers Vereniging (NWV) van belang, dat hij vanaf 1935 bekleedt. De NWV die in 1933 is opgericht, omvat vooral werkloze kelners, taxichauffeurs, handelsreizigers en beroepsvissers, die niet bij één van de vakcentrales aangesloten kunnen zijn. Door Woudenbergs voorzitterschap, waardoor het NWV in zekere zin met de NSB verwant raakt, groeit de vereniging in ledental met kleine zelfstandigen, marktkooplui, straatventers. Industriearbeiders zijn er niet of nauwelijks bij. In mei 1940 telt de organisatie circa 5000 leden.

Urgentieprogramma

In zijn functie van NWV-voorzitter meldt Woudenberg zich midden juni op een bijeenkomst met hoge functionarissen van de bezetting met een bescheiden Urgentieprogram. Er wordt gevraagd om gelijkstelling met de andere vakcentrales, om wijziging van het Werklozenbesluit, waarbij de werklozenkassen van de ‘erkende’ vakcentrales zouden moeten worden vervangen door een rijkswerklozenverzekering, en om gelijke voorwaarden bij werkverschaffing en de crisissteun. De gespreksheren zeggen tot zijn verbazing echter: “Wir machen es vielleicht doch noch anders.” Woudenberg blijkt al bij de bezetter zijn opgevallen. Bij Seyss Inquart maakt hij in een overzicht van de belangrijkste NSB-leiders de beste indruk. Hij is opgevallen als een echte vakbondsman met gezond verstand. En deze man moet eigenlijk de uitvoerder van de gedachten van de bezettende macht met de Nederlandse vakbeweging. Woudenberg, die als voorzitter van een uiterst bescheiden bondje met uiterst bescheiden wensen is binnengekomen, gaat weg als de Commissaris van de Nederlandse vakbeweging!
Bijna gelijktijdig wordt de SDAP onder leiding geplaatst van Rost van Tonningen. Woudenberg is aanwezig als Rost het bestuur daarvan op de hoogte brengt. Het brengt de broers Henk en Kees weer even bij elkaar. Hoewel politiek volkomen uit elkaar gegroeid hebben zij ‘als twee volwassenen uit éen gezin’ een redelijk normale verhouding, al is het contact beperkt tot verjaardagen in het ouderlijk huis. Kees is verre van gecharmeerd van dit contact en zegt tegen Rost dat hij zijn broer niet als een goede vriend beschouwt en al helemaal niets met hem te maken wil hebben.
Binnen het NVV ontmoet Woudenberg veel weerstand bij de uitvoering van zijn plannen. Hij hoopt dat dat anders wordt als het NAF van start gaat. Voor zover dat het geval is, blijkt dat niet uit de animo voor de activiteiten van het NAF. Anders dan bijvoorbeeld bij de Kultuurkamer, waarvan iedereen die in de cultuursector actief is lid moet worden, kent het NAF geen verplicht lidmaatschap. Mussert heeft daar aanvankelijk wel op aangedrongen. Woudenberg voelt aan dat de aanhang voor het NAF dan nog minder zou zijn. Ondanks de uittocht van NVV-ers na de vorming van het NAF, is het wel de grootste naziorganisatie in Nederland. Aan het eind van 1942 begint zijn zwakke gezondheid hem steeds meer parten te spelen. Na weken thuis geweest te zijn verpleegd, moet hij worden opgenomen in het ziekenhuis. Hij meent dan dat hij het werk niet meer kan hervatten en overlegt met Mussert over het neerleggen van zijn functie. Die overtuigt hem ervan dat hij dat vooral niet zou moeten doen. Dat geeft de indruk van het verlaten van het zinkende schip. Hijzelf voelt dat ook wel aan en blijft op zijn post, hoewel het dat lichamelijk steeds slechter af gaat. Vanaf 1944 kan hij nauwelijks op de been blijven, heeft hij last van bloedarmoede, maar kan weer geen versterkend dieet hebben omdat zijn overgebleven nier dat niet aan kan.
Als de oorlogskansen keren in de zomer van 1944, de geallieerden vanuit Frankrijk naar het noorden oprukken en in september het Zuiden van het land wordt bevrijd, valt geleidelijk aan de NAF-organisatie om. In de euforie van Dolle Dinsdag brengt hij zijn gezin in veiligheid in Sauerland, wat geruchten op gang brengen, dat hij zelf is gevlucht. Dat is echter nog niet het geval. Hij meldt zich op het NAF-hoofdkantoor dat vanwege de oorlogssituatie naar Almelo is verplaatst. Hoewel hij nog steeds niet de hoop op een Duitse overwinning heeft opgegeven, valt de organisatie geleidelijk aan zozeer uiteen dat hij genoodzaakt is 700 medewerkers per 1 januari 1945 te ontslaan. In maart en april maakt Woudenberg nog een tocht langs enkele getrouwe NAF-ers in Noord-Nederland en Noord-Holland. De toer krijgt een bar einde, omdat zijn auto in de buurt van Leeuwarden vanuit een vliegtuig wordt beschoten waarbij de chauffeur gewond raakt. Woudenberg zelf komt er beter af, maar ziet zich gedwongen op de fiets over de Afsluitdijk naar Amsterdam te fietsen. In de Boerhaavekliniek krijgt hij de kans weer een beetje op krachten te komen. Daar hoort hij op 5 mei van de capitulatie van Duitsland. Daar verkleedt hij zich in een oud militair uniform en krijgt een vals paspoort op de naam van Heinrich Frontenberg. De hoop om als krijgsgevangene naar Duitsland te kunnen ontvluchten wordt al snel de bodem ingeslagen. Tussen alle Duitse militairen in de Amsterdamse Oranjekazerne wordt hij snel herkend en aan de Binnenlandse strijdkrachten overgedragen. Daarna wordt hij in het kamp aan de Levantkade gevangen gezet.
De berechting van Woudenberg duurt drie jaar, in 1948 wordt hij veroordeeld tot levenslange gevangenschap voor het ‘opzettelijk in tijd van oorlog den vijand hulp verlenen’. Er was doodstraf geëist. In gevangenschap schrijft hij op verzoek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie zijn memoires. Voor Zondergeld vormen die de basis van zijn boek. Enkele jaren later wordt zijn straf omgezet in 20 jaar. In 1956, elf jaar na de oorlog wordt hij in vrijheid gesteld. In 1967 overlijdt de man die zich vanuit een armlastig milieu, ondanks zijn lichamelijke zwakte weet op te werken tot een geslaagd zakenman, maar zijn grote missie als vakbondsleider ziet mislukken in betrekkelijke anonimiteit in zijn geboortestad Amsterdam.
Gjalt Zondergeld, Ons Socialisme, Uw Toekomst, Henk Woudenberg en het Nederlands Arbeidsfront (1942-1945), Spinhuis Uitgeverij, Apeldoorn 2010.