Het geheugen van de vakbeweging

Henk van der Kolk, voorzitter

In 2008 interviewde Bert Breij op verzoek van de VHV alle voorzitters van de bonden die bij FNV, CNV en MHP zijn aangesloten. Hij vroeg hen naar hun visie op de toekomst en de betekenis van de historie. Hier het interview met FNV Bpndgenoten-voorzitter Henk van der Kolk

Henk van der KolkHenk van der Kolk

Historisch bewustzijn

‘Met het verstrijken van de jaren voel ik dat je meer terug grijpt op de vakbondsgeschiedenis naarmate je jezelf meer bewust wordt van het feit dat je met een ‘oude beweging’ bent aanbeland in de 21e eeuw. Je staat opnieuw stil bij een begrip als solidariteit en toen we dit pand (aan de Varrolaan in Utrecht) betrokken, hebben we de geschiedenis ook meer ingelijfd in het interieur. Oude schilderijen en vaandels hebben een plaats gekregen. Als voorzitter vind ik dat je moet laten zien dat je jezelf bewust bent van de geschiedenis. Je kunt alleen werken aan de toekomst als jezelf bewust bent van je verleden.’

Identiteit

‘Toen NKV en NVV onder één dak kwamen, werd het een mengeling van twee stromingen en kwamen de vragen al op. Wat is onze identiteit? Wat zijn onze roots? Waar komen we vandaan? Bij het CNV bestaat er sinds jaar en dag een verbondenheid tussen religie en het mensbeeld. Maar welk mensbeeld hoort er bij een combinatie tussen het katholicisme en het socialisme? Wat blijft er over? Dit soort vraagstukken lost een afdeling aatschappij en Levensbeschouwing van de Vakcentrale FNV niet op. Ik loop daar anno 2008 nog steeds tegenaan. Zeker als het om de laatste 15 ŕ 20 jaar gaat, hebben we veel cultureel erfgoed links laten liggen. Er was geen interesse meer voor. Voor mij lijkt dit vooral een afsluiting vanuit de jaren zeventig. Daarvoor was er al het proces ingezet van de ontzuiling. Het was ook de tijd waarin de interne bondsdemocratie – eufemistisch gezegd – nog wel wat verbetering behoefde. Gezien vanuit de oude vakbeweging was de werkgever bovendien altijd de ‘kwade pier’ en streed men samen tegen het kapitaal. Dat veranderde eigenlijk pas na 1980. Wat het activisme betreft, vind ik het wel interessant om naar Europa te kijken waar de vaandels je nog steeds stralend tegemoet komen, bijvoorbeeld in Ierland en Zuid-Europa. Dat geldt daar niet alleen voor de traditionele bonden, ze zijn daar sowieso verknocht aan symbolen. Hier hebben we onze identiteit wat dat betreft een beetje verloren.’

Structuren, systemen en sentimenten

‘Eén van de problemen van de vakbeweging van nu is dat ze te veel is blijven hangen in structuren, systemen en sentimenten van vroeger. In de jaren ‘90, toen het economisch goed ging, zijn we in slaap gesust. De positie van vrouwen op de arbeidsmarkt verbeterde, er werden veel mensen aan werk geholpen, we hebben veel resultaat gehad, maar we zijn vergeten te vernieuwen en hebben de nieuwe tijd langs ons heen latengaan.’

Solidariteit

‘Wil je het begrip solidariteit invullen dan moet je het nu zodanig vorm geven dat het nieuwe generaties aanspreekt. De beleving komt niet meer voort uit gemeenschapsbewustzijn zoals dat vroeger het geval was. Die overlevering is er niet meer. Het begrip solidariteit moet weer opnieuw geladen worden. De klassieke basis bestaat niet meer, maar iets nieuws is er nog niet voor in de plaats gekomen. We zoeken wel naar die nieuwe zingeving, ook onder jongeren.Het moet wel om een concreet doel gaan, en een kop en een staart hebben. Dat spreekt de nieuwe generatie wel aan. De vraag is of een vakbond met haar huidige missie in staat is om dat gevoel over te laten komen en daarmee invulling te geven aan wat men belangrijk vindt in de huidige samenleving. En die samenleving ziet er heel anders uit. De samenleving is multicultureel. Maar in de samenleving moeten we het nog steeds doen met elkaar. Mijn grote vraag is of de vakbeweging weer het voortouw kan nemen in haar emancipatoire rol. Wat belangenbehartiging op het gebied van arbeid en inkomen betreft, is dat volgens mij altijd al zo geweest, en is het nog steeds zo. Maar is het mogelijk om daar een vernieuwde sociale beweging om heen te bouwen,die haar basis vindt in het verenigen van werkers in de verschillende gemeenschappen?’

Individueel voordeel

‘Vroeger was het ook al zo dat mensen wilden zien wat hun individuele voordeel was, maar dat is nu misschien nog meer het geval dan vroeger. Men ziet het meer als verzekering voor slechte tijden, maar voor dit verzekeringsaspect hoeft men niet meer per defi nitie lid te worden van een vakbond. Mensen zijn door de jaren heen mondiger geworden en in plaats van lid te worden van een bond gaan ze zelf op zoek naar oplossingen met de laagste prijs. Consumentisme was overigens altijd al een reden om lid te worden. Men werd lid vanuit een welbegrepen eigenbelang, maar er zijn tegenwoordig ook andere spelers op de markt waar ze uit kunnen kiezen. Er is veel concurrentie en het collectieve spreekt te weinig mensen aan. Het collectieve belang is ook te onherkenbaar geworden om voor te betalen. Ik noem daarbij bijvoorbeeld de cao die voor iedereen wordt afgesloten waardoor het belang van het individuele lidmaatschap vervaagt.’

Toegevoegde waarde

‘Wij zijn naarstig op zoek naar manieren om de toegevoegde waarde van een lidmaatschap van de vakbond zichtbaar te maken voor potentiële leden, maar we slagen daar tot nu toe onvoldoende in. Maar ik verwacht stellig dat er nu een periode aanbreekt waarin we die slag wel kunnen maken. Het bedrijfsmatig denken, de handelsgeest, de carričreplanning en de zakelijke kant worden versterkt. De nieuwe generatie werknemers staat zeker nog open voor vakbonden, maar zien de bond meer als winkel en niet meer als een plek waar je vanuit je bedrijf actief wordt. Zij gaan puur voor de zaken die voor hen interessant zijn.’

Verlies aan relevantie

‘Als de vakbeweging geen nieuwe manieren vindt om in te spelen op de huidige ontwikkelingen en meer en meer terugvalt op het ouder wordende autochtone ledenbestand, dan zal de bond maatschappelijk gezien binnen de bedrijven steeds minder relevant worden. Dan zullen er nieuwe instituten en organisaties ontstaan die in het gat willen springen dat de vakbeweging laat ontstaan. Voor mij is het een teken aan de wand dat er een gat is en dat is niet wenselijk. Het gat zit onder jongeren en dat is manifest. Er zijn te weinig jongeren georganiseerd. Als wij hen niet kunnen bereiken, dan doet iemand anders dat. Het is dus van groot belang dat we onszelf vernieuwen.’

Kritiek op vroeger

‘Feit is dat de zoektocht naar de ‘jus’, de aantrekkelijkheid van de bond,een zoektocht is van alle tijden. In de jaren 60 en 70 ging het misschien op het eerste gezicht om solidariteit en een rechtvaardige samenleving, maar binnenskamers was daar soms weinig van te merken. Onder het motto ‘wij beschermen de zwakkeren’ werd er vaak over mensen heen gewalst. Er wordt vaak met een rooskleurige bril naar het verleden van de vakbeweging gekeken. Men was niet zo solidair met elkaar als gesuggereerd wordt. Daarmee wil ik het verleden niet zwart maken, maar wel beweren dat de beelden van toen te eenzijdig zijn.’

Eigen kracht en behoefte van mensen

‘Het verschil met vroeger is dat de bond zich nu realiseert dat door te investeren in mensen, door hen zelf productief te laten zijn en hen hun eigen kracht te laten voelen, er meer bereikt kan worden. Daarbij gaat het niet langer om de ‘survival of the fittest’. De zwakste groep heeft die eigen kracht wel het hardst nodig, maar organiseert zich maar weinig. Wij willen overigens faciliteren en we willen het samen doen, maar niet overnemen. Het accent van de activiteit van de bond komt daarmee te liggen op alle mensen en hun eigen kracht, en hun eigen kracht te ondersteunen. Het geeft de maximale kans dat ieder overleeft en meer dan dat. Op het moment is de bond te veel een zender en wordt er te weinig rekening gehouden met de diversiteit aan mensen en wensen. We focussen ons meer op een gevoeld probleem, bijvoorbeeld in de kinderopvang. We richten ons te veel op geld. Terwijl het de werknemers bijvoorbeeld gaat om de kwaliteit van de kinderopvang. Of hoe de arbeidstijden het best zijn te combineren met de openingstijden van de kinderopvang. Of de afstand en het vervoer tussen werk en die kinderopvang.’

Cao en pluriformiteit

‘De cao is vooral een dode letter. Het leeft bij niemand, het is niet toegankelijk. Ik zou de cao willen ombouwen tot een instrument voor werknemers en werkgevers om op die manier te investeren in loopbanen. Dan laat je mensen ervaren dat ze echt wat aan die afspraken hebben. Daar komt bij dat de pluriformiteit bij bedrijven ten opzichte van vroeger gigantisch veranderd is. Vroeger waren de zaken vrij overzichtelijk en was alles georganiseerd vanuit een bepaalde hiërarchie. Dat maakte dat zaken redelijk voorspelbaar waren. Maar dat werkt niet meer zo. We zijn te lang doorgegaan om het nog op een oude manier te willen regelen. Een cao afsluiten voor fulltime werknemers, terwijl er inmiddels een scala aan andere vormen van dienstverbanden zijn. Die slag moeten we nu nog gaan maken. Ook de sectorale indeling staat niet meer vast, dus staat ook de sectorale cao onder druk. Omdat er steeds meer bedrijven met een eigen cao zijn, gaat het niet alleen maar om de vraag wat je wilt, maar ook hoe het cao-proces is ingericht. Het gaat er ook om niet alles vast te leggen. Het is belangrijk zaken op hoofdlijnen te regelen en ook om overdraagbaarheid van arbeidsvoorwaarden, bijvoorbeeld de scholing, zodat als werknemers van baan veranderen de cao hen niet in de weg staat. Ik geef echter ook aan dat het niet mogelijk en wenselijk is om op elke nuk of wens van leden in te springen. Dat is niet alleen te duur, maar beperkt ook de slagkracht. Maar in de praktijk blijkt dat het binnen grote groepen veelal om dezelfde dingen gaat.’

Jongeren

‘Richting jongeren heeft FNV Bondgenoten niet de insteek dat ze direct lid moeten worden,maar wij willen hen eerder een positief contactmoment met de bond bieden. Hen laten merken waar ze terecht kunnen. Daarbij is het van belang herkenbaar te blijven en keuzes te bieden.’

Het vak

‘Het vak heeft lang in hoog aanzien gestaan, het ging om vakmensen. De vakbeweging heeft wat mij betreft het vak verkwanseld. Het vak staat niet meer centraal in het beleid of de strategie. We spreken mensen niet aan op hun vak, met uitzondering van de mensen die zich organiseren op hun beroep zoals docenten en kappers. De belangenbehartiging die gelieerd is aan de uitoefening van een vak hebben we eigenlijk laten liggen. De trots van een vak centraal stellen, hoort er gewoon bij. En dus moeten we het vak weer in ere herstellen.’

Rechtvaardigheid en idealisme

‘In essentie kan ik het niet hebben als mensen onrecht wordt aangedaan. Als ik naar het grote graaien van tegenwoordig kijk, dan wil ik me sterk maken om daar wat tegen te doen. Maar dat kan alleen als mensen zich verenigen. De tijden zijn veranderd, dus er moet nagedacht worden over wat mensen aanspreekt en waar mensen zich op willen verenigen. Dat een tegenbeweging nodig blijft, staat voor mij buiten kijf. Ik ben op zoek naar een meer idealistische insteek en een sociale beweging. Het is volgens mij bewezen dat jongeren nog steeds te triggeren zijn. De kunst moet nu zijn om de bond als sociale beweging een nieuwe lading te geven: we staan ergens voor en je hebt er ook nog eens iets aan. We moeten bij jongeren iets activeren en dat kan zeker nog in de vorm van een sociale beweging.’

Proces en inhoud

‘Bij de fusie naar FNV Bondgenoten heeft het proces centraler gestaan dan de inhoud. Het was ook een enorme klus om alle verschillende culturen onder te brengen in een grote nieuwe vakbond. Dat geeft veel problemen en kost veel tijd. Maar ondanks alle problemen onderschrijf ik nog steeds de relevantie van de fusie.’
Bert Breij
Het interview met FNV bondgenoten=voorzitter Henk van der Kolk is opgenomen in Twee miljoen leden, 25 voorzitters, 2008