Het geheugen van de vakbeweging

Hendrik van Dugteren (1886-1967)

Van jongmatroos tot NVV-penningmeester

Journaliste en publiciste Ank Benko-van Dugteren vond onlangs in oude familiepapieren een afscheidsinterview uit 1951 met haar grootvader Hein van Dugteren, die van 1936 tot 1951 penningmeester van het NVV is geweest. Het interview is in meer dan één opzicht. Het geeft een beeld van de harde wereld waarin Van Dugteren opgroeit en volwassen wordt. Het verhaal is een interview bij zijn afscheid in 1947, aangevuld met herinneringen bij zijn overlijden in 1967, geschreven in een stijl die in de jaren veertig en vijftig veelvuldig is gebezigd.

Hein van Dugteren, NVV-penningmeesterHein van Dugteren, NVV-penningmeester

Hendrik van Dugteren ging door het leven als Hein van Dugteren. Hij was een man van eenvoudige komaf zoals zoveel Van Dugterens. Zijn vader, Nicolaas Andries van Dugteren, was postbode, geboren in Nijmegen en op 6 november 1878 in Utrecht getrouwd met Hinderika Dilling die achtentwintig jaar eerder in Coevorden het levenslicht zag. Hendrik, de derde van vijf kinderen, is 11 april 1886 in Utrecht geboren. Net als zijn drie broers en zijn zuster.
In die tijd was Koning Willem III ons staatshoofd. Hij zou vier en een half jaar na de geboorte van Hein, november 1890 sterven, een voor die tijd welvarend Nederland achterlatend. Nieuwe spoor- en tramwegen, kanalen en havens bevorderden het verkeer en handel en scheepvaart waren tot bloei gekomen net als nijverheid en industrie. De bevolking profiteerde echter maar heel gedeeltelijk van die welvaart. Weliswaar was de tijd voorbij dat Charles Dickens de sociale misstanden opmerkte en aan de kaak stelde, maar de omstandigheden waaronder arbeiders een veel te karig loontje moesten verdienen waren nog altijd heel slecht. Hein van Dugteren heeft dat lijfelijk ondervonden. Maar hij heeft het niet lijdelijk ondergaan. Hij heeft zich verzet en hij heeft daadwerkelijk meegewerkt aan de verbetering van de positie van de werkende bevolking.

Twee jaar op school

Ik laat hem zelf aan het woord wanneer hij vijf en zestig jaar oud in een interview in een krant terugkijkt op zijn leven: “Ik ben twee jaar  op school geweest, van mijn zevende tot mijn negende jaar. Toen moest ik thuis blijven om op mijn jongere broertjes en zusjes te passen. Ik was twaalf toen ik in het productieproces werd ingeschakeld. Twaalf jaar. Ik moest de ovens vullen en leeghalen in een tegelfabriek. Een uur of twaalf per dag.  Beulenwerk. We stonden met naakt bovenlijf te werken als paarden in een smoorhete atmosfeer. En voor zeventig ŕ tachtig uur werk per week verdiende ik een gulden vijftig, wat aldus neerkwam op twee cent per uur. Na een jaar maakte ik promotie. Een ander vak met meer toekomstmogelijkheden. Ik werd bakkersleerling en slaaf van het verse kadetje. Denk er aan, ik was dertien jaar, was al vier jaar van school en moest nu van ’s avonds half elf tot ’s middags half twee in de bakkerij werken. Om ’t me niet al te gemakzuchtig te maken was mijn werktijd aan het einde van de week van vrijdagavond half tien tot zondagnacht één uur. Je had dan de hele zondag om uit te slapen… Dat was het verleden. En als we onze eigen kinderen om ons heen zien opgroeien is het goed nu en dan te denken aan de barbaarsheid, waar wij uit de jeugd hebben opgeheven.”

‘Een taaie, altijd optimistische jongen uit het volk’

De onbekende journalist die het artikel schreef verklaart: “Hein van Dugteren, penningmeester van het N.V.V. is een lange, stevig gebouwde figuur met levendige, grijze ogen in een rustig gezicht. Een snelle glimlach maakt hem plotseling jong – en je herkent de taaie, altijd optimistische jongen uit het volk, die de kop er voor hield ook al beulde men zijn jonge lichaam af, die er met grappen en grollen de moed wist in te houden en als het een ogenblik al te gortig ging worden. Er fonkelt een flits van plezier achter de brilleglazen als hij vertelt hoe hij uit de bakkerij tenslotte bij de Koninklijke Marine terecht kwam.”
“Veertien jaar”, zegt hij, “en ze leggen je een contract voor met een looptijd van twaalf jaar. Die looptijd ging pas in als je zestien werd. Zo vol zorg waren ze voor de jeugd, die aan hen werd toevertrouwd in die dagen:  je mocht wel tekenen als je veertien was, maar ze begonnen pas te tellen bij zestien. En ik moest dus in mijn veertiende levensjaar beslissen, dat ik tot mijn achtentwintigste bij de marine zou dienen.”
“Over zijn opleiding op de Kweekschool voor de Zeevaart te Leiden zegt hij niet veel. Dit ene voorbeeld. De kwekelingen hadden stroop in de sokken van de baksmeester laten lopen, en toen de man dit ontdekte, lachten ze zich ’n ongeluk…
Van dat lachen maakte de baksmeester rapport en de jonge Van Dugteren – vijftien jaar! – kreeg twee dagen provoost. Een stenen cel, water en brood, ’s avonds een deken…  “Ik heb van woede en verbittering op de deur getimmerd”, zegt Van Dugteren rustig. “De machteloosheid tegen het gesystematiseerde onrecht vloog me naar de keel…”

Strijd tegen ontrechting

En daar zijn we dan bij de kern van dit stuk arbeidersleven: de strijd tegen de ontrechting, die een halve eeuw gevuld heeft. Van Dugteren heeft het gebracht tot matroos eerste klas bij de Koninklijke Marine. Zij gage was twee en twintig gulden vijftig per maand. Van dit enorme bedrag moest hij zijn eigen uitrusting betalen. Hij heeft de Boni expeditie meegemaakt in 1905, de Bali expeditie van 1906 en  in 1908     de  blokkade van Venezuela. Maar over deze dingen spreekt hij niet. Hij   vertelt van de moeilijke arbeid om in de onhoudbare toestand van het mindere marine-personeel verbetering te brengen. Toen hij negentien jaar oud was,   werd hij tweede s ecretaris van de “rooie matrozenbond”, deftig: “Bond van Marinematrozen”. Hij was waarschijnlijk de eerste vakverenigingsbestuurder die gekozen werd om zijn jeugd en gesteld werd voor de taak de jeugd leiding   te geven.”
“En op dat gebied was het een en ander te doen.” vertelt Van Dugteren. “Al gauw was ik eerste secretaris.  Wij fuseerden met de Stokersbond  en de  Mariniersbond tot de “Bond van Minder Marinepersoneel.” We hadden een eigen gebouw in Soerabaya en wilden een eigen huis in Den Helder hebben. Daarvoor vroegen we van elk lid een offer van vijf   gulden, in een paar jaar   te betalen.  Je moet begrijpen: de   lonen waren twintig, dertig gulden per maand, de -contributie een kwartje   per week.  Ik dorst de oudere gasten, die vanuit Indië van dit armzalige loon nog een gezin in Holland moesten onderhouden, eenvoudig niet om deze vijf gulden te vragen. Op een keer klampten ze me aan. “Waarom loop je ons voorbij!” “Ik zal je de eerlijke waarheid zeggen”, antwoordde ik. “Ik dorst het jullie niet te vragen.”  “Elke week koop ik drie pakjes B.Z.K. voor vijftien cent”, zei de leider van het ploegje. “Vanaf vandaag wordt het twee pakjes en jij komt elke veertien dagen een stuiver halen tot de vijf pop vol zijn.” Zo is de organisatie opgebouwd.
“En hij vertelt verder.  Een stroom van herinneringen:  een leven als een boek. Terug uit Indië als matroos bij de koopvaardij. Lid van de Zeeliedenvereniging “De Volharding”. Een voortdurende koppige strijd tegen het Anarcho-Syndicalisme in de groeiende  vakbeweging. Propagandist van de “Volharding” op een loon, lager dan zijn kostgeld. Dan een intermezzo in de ambtenarenwereld: secretaris van de afdeling Amsterdam van de Ambtenarenbond. Maar zeelieden en vissers hebben zijn hart – en als de C.B.T.A. uit een kleinere bond wordt gevormd, wordt hij administrateur van de werklozenkas. “Twee jaar lagere schoolopleiding, en dan de administratie van tonnen aan werklozengeld?” vraagt de journalist. “Kan dat?” Van Dugteren glimlacht. “Ik heb tot ’s nachts drie, vier uur gewerkt om mijn boekhouddiploma te halen”, zegt hij. En ik haalde het.”

Bondsadministrateur

De strijd tegen het syndicalisme was in deze tijd vrijwel gewonnen. En in de jonge CBTA, hecht op moderne grondslag gebouwd en geleid, vond Van Dugteren zijn plaats. Eerst bondsadministrateur, tenslotte bondspenningmeester, daarna ook belast met de leiding van de vakgroepen. Zeelieden en zeevissers en de redactie van de bondsorganen. “En in 1936 werd ik penningmeester van het NVV”, zegt hij.
Het klinkt allemaal zo eenvoudig. Maar voor wie de man aanziet, rijst achter dit grijzend hoofd het perspectief op van een tijd, waarin de wereld veranderde. Recht overwon het onrecht, solidariteit overwon het eigenbelang en werd in vaste vormen gebundeld, en de arbeid werd uit slavernij opgeheven tot de sfeer van menswaardigheid. Wie vijf en zestig wordt en hierop mag terugzien, in het besef zijn steen te hebben bijgedragen mag zich gelukkig prijzen. Daarom Van Dugteren: onze dank en onze gelukwens. Nog vele jaren.”

Twee wereldoorlogen

Vanzelfsprekend is in dit interview ter gelegenheid van het afscheid van Hein van Dugteren van de NVV veel onvermeld gebleven. Feitelijk is er maar nauwelijks getipt aan alles wat hij meegemaakt en gedaan heeft. Zo heeft hij natuurlijk twee wereldoorlogen beleefd. Kort na de eerste, op 6 augustus 1919 trouwde hij in Rotterdam met Geertruida Fokje Oosterloo. Beide waren zij destijds 33 jaar oud. Zij kregen twee kinderen, twee jongens, Willem en Johan, resp. in 1920 en 1924, de tijd dat zij nog in Rotterdam woonden. In de jaren dertig verhuisden zij naar Amsterdam.

Afscheidsdiner Hein van Dugteren, rechts naast NVV-voorzitter Evert Kupers.
Tijdens de tweede wereldoorlog is Hein vanwege zijn functie bij de transportarbeidersbond geďnterneerd en heeft hij in het kamp St. Michielsgestel gezeten. Desondanks is hij zo goed en zo kwaad als te verwachten was de oorlog doorgekomen en kon hij na de bevrijding zijn functie weer oppakken. Vijf jaar later overleed zijn vrouw. Hij is destijds, niet lang voor zijn vijf en zestigste verjaardag, hertrouwd met Zwaantje Beverwijk. Samen hebben zij nog een kleine zeventien jaar van het leven kunnen genieten voor Hein op twintig augustus 1967 te Amsterdam overleed. Hij heeft met veel voldoening op zijn leven kunnen terugkijken, maar zeker niet zelfvoldaan. Zo stak hij niet in elkaar.