Het geheugen van de vakbeweging

Hendrik Gerhard

Koerier van een nieuwe tijd

Hendrik Gerhard verbindt twee tijdperken. Hij personifieert als het ware de overgang van een ambachtelijke naar een geďndustrialiseerde samenleving. Stammend uit een geslacht van ambachtslieden behoort hij tot de laatsten in zijn soort. Zo maakt hij als één van de laatste de traditionele ‘Wanderschaft’, de leerreis van de gezel om zijn vakmanschap te verhogen.

Omslag Henk Gerhard, Koerier van een nieuwe tijdOmslag Henk Gerhard, Koerier van een nieuwe tijd

Bevindt hij zich daarmee nog in de traditie van het ambacht, juist door het rondtrekken als gezel komt hij in aanraking met nieuwe denkbeelden die dan, vooral onder zijn vakgenoten sterk opgeld doen. Het lijkt een tegenspraak, maar hier is sprake van traditie die vernieuwing in de hand werkt. Het ambacht van kleermaker waarin Gerhard opgroeit en aanvankelijk behoorlijk zijn brood kan verdienen, verandert gedurende zijn leven sterk van aanzien, om uiteindelijk zo goed als te verdwijnen. Na het midden van de negentiende eeuw doet de mechanisatie ook in de kleermakerij haar intreden en verliest het vak van maatkleermaker steeds meer terrein aan de opkomende confectieateliers.
Gerhard is te juister tijd op de juiste plaats en beschikt over de nodige intelligentie en vaardigheden om nieuwe kennis op te doen en deze verder uit te dragen. Het kan geen toeval zijn dat zoveel ambachtslieden, onder wie opvallend veel kleermakers, een bijdrage leveren aan de verspreiding van socialistische ideeën. Dankzij een betere opleiding, een grotere zelfstandigheid en een grote mate van zelfbewustheid – erfenissen uit de gildetijd – zijn zij het die het best zijn uitgerust om de nieuwe sociale en politieke ideeën te verspreiden over Europa. Onbewust zijn zij daarmee de ‘koeriers’ van een nieuwe tijd. Het voertuig van het koerierschap is de eeuwenoude Wanderschaft. Dit rondtrekken als aankomend ambachtsman wordt nog versterkt door de reactie in met name Duitsland. Vervolging, gevangenneming, uitzetting en broodroof zorgen ervoor dat nog meer ambachtslieden, en met hen artiesten en intellectuelen, op drift raken en met hun zojuist verworven ideeën en idealen ook elders in Europa werklieden aansporen tot organisatie. Het spoor van ideevorming en verspreiding voert zo terug op de Franse Revolutie en de politieke idealen die daaraan ten grondslag liggen. Gerhard vormt voor Nederland een deel van de ‘keten’, zoals eerder Hanke en Gödecke dat waren, en na hem Domela Nieuwenhuis.
In de ontwikkeling van het socialisme is Gerhard eveneens min of meer een overgangsfiguur. Hij is eerder bij de utopistisch socialisten te plaatsen dan bij de Marxisten, al deelt hij met Marx het belang dat hij hecht aan een goede scholing van de werklieden ter voorbereiding op hun taak in de ‘nieuwe wereld’. In zowat elke activiteit behoort Gerhard tot de eersten. Hij wordt als een van de eerste werklieden lid van een vrijdenkersorganisatie. Hij behoort tot de eerste vijf leden van de Internationale in Nederland. Hij is initiatiefnemer bij de oprichting van een vakorganisatie voor kleermakers in Amsterdam. Deze kleermakersvereniging is niet alleen een tamelijk vroege vakorganisatie in Nederland, maar ook de eerste in dat vak. Hij komt al vroeg, zij het voor hem nogal teleurstellend, in aanraking met de coöperatieve beweging.
De positie van pionier heeft hem persoonlijk maar weinig resultaten opgeleverd. Hij kreeg wel de lasten, maar niet de lusten. De Internationale gaat ter ziele, de kleermakersvereniging teniet. De coöperatie mislukt en ook de kiesrechtbeweging waarin hij actief is loopt op dood spoor.
Gerhard is één van de vroegste ijveraars voor het algemeen kiesrecht. In zijn beleving is het de hoeksteen in het beleid om de positie van de werknemers duurzaam te verbeteren. Met de erkenning van hun politieke rechten wordt aan werknemers de plek gegeven die ze verdienen: een volwaardige plaats in de samenleving als een maatschappelijk en politiek verantwoordelijk individu. Hij is actief voor het algemeen kiesrecht, zowel in woord als geschrift. Hij maakt de eerste golf van acties in de kiesrechtbeweging in de eerste helft van de jaren tachtig nog mee, maar de resultaten van zijn ijveren zien we pas vele jaren na zijn dood. Die resultaten zijn de grondwetswijziging van 1887 en de kieswet van 1896. Het aantal burgers met kiesrecht neemt daarmee aanzienlijk toe. Het algemeen kiesrecht wordt echter pas bereikt in 1919 als ook aan vrouwen het algemeen kiesrecht wordt toegekend. Twee jaar eerder is reeds het algemeen kiesrecht voor mannen tot stand gekomen.
De tragiek van Gerhard is dat hij ‘slechts’ koerier kon zijn. Eerst later, soms vele jaren na zijn dood, kunnen resultaten worden geboekt door de arbeidersbeweging.
Opvallend is de diepe indruk die Gerhard op allen achterliet die hem eens hebben ont­moet. Uiteen­lopende figuren als de smid Willem Ansing, de sociaal-demokraat Vliegen, de schrijver Joan Nieuwenhuis, de volksfiguur Klaas Ris en ‘us verlosser’ Ferdi­nand Domela Nieuwenhuis hebben hun grote eer­bied voor ‘de oude Gerhard’ onder woorden ge­bracht. Allen zagen in hem een belangrijke, eerlijke en trouwe aan­hanger van het socialis­me, die een ereplaats ver­dient onder de groten van de Nederlandse arbei­dersbewe­ging. Gerhard heeft de invloed die hem wordt toegeschreven vooral gehad op­ een kleine kring van bewuste arbeiders die er aanvankelijk niet in slagen de inerte, trage massa in beweging te krij­gen.
S.M.N. Calisch, een Nederlands journalist die Gerhard kent van enkele congressen, schrijft na het Haags congres van de Internationale, een inte­ressant portret. Hij noemt Gerhard “het hoofd, de leiden­de gedachte van de neder­land­sche fractie der Internationale.” En over Ger­hards invloed op de Nederlandse arbeidersbewe­ging deelt hij mee: “De Amsterdamsche geaffi­lieerde der Internationale niet alleen, vele werklieden daarbuiten zien met eerbied tegen Gerhard op: hij is de ziel van vele arbeiders­vereenigingen en een werkzaam ijverig werkman”. In zijn uiterlijk is Gerhard weinig opval­lend, hoewel te gedistingeerd voor een doorsnee werkman. De verslaggever deelt mee: “Hij is mager en slank, bedaard en afgemeten, zalvend van toon zonder huichelarij, voorkomend en beleefd. Gerhard gaat goed gekleed, zonder luxe of overdaad en heeft een zekere air van berekende onverschilligheid over zich.”
Gerhard is een buitengewoon mens. Enkele uiterst markante trekken kenmerken zijn figuur: be­dachtzaamheid, een sterk zede­lijk besef, een diepgeworteld vertrouwen en een warm gevoel voor humor. Gerhard is ontegenzeggelijk de eerste in Nederland die onder de vage socia­listische begrippen een grondslag weet te leg­gen. Nog vóór enige Nederlands auteur hem daarvoor het materi­aal kan leveren en ook vóórdat Domela Nieuwenhuis met zijn ‘Sociale Brieven’ in De Werkmansbode de be­grippen over het socialisme sterk verduidelijkt. Als spreker is er onder Gerhards tijdgenoten niemand die hem kan evenaren. Hij is in elk opzicht een goed spreker, heeft een aangename krachtige stem, een brede woor­denschat en een gezonde, soms ietwat pikan­te humor. Als hij bijvoorbeeld in Ziel en Onsterflijkheid het hierna­maals bespreekt, wijst hij erop, dat er vrij uitvoerige beschrijvingen zijn van de straffen die de zondaar wacht in de hel: “De gloeiende hitte, die onuitstaan­bare dorst, dat hevig gefolterde li­chaam, dat snakken naar een enkelen druppel water om de verschroeide tong te koelen, dat alles doet ons de hel als een plaats van grenzeloze wanhoop kennen.” Daar staat tegenover, stelt Gerhard, dat er zo weinig geschreven is over de geneugten, die ons in de hemel wach­ten: “Lazarus zit in Abraham’s schoot. Maar nu vraag ik: welke zaligheid kan hierin gelegen zijn? Wanneer ik dan van twee kwaden het minste moest kiezen, zou ik nog liever in Sara’s schoot zitten.”
Vooral in het debat kan Gerhards humor lastig zijn voor zijn tegenstander. Hoewel hij twintig jaar ouder is dan Heldt, is hij deze in de vele debatten die ze met elkaar uitvechten, meestal de baas. Hij is de heldere, pittige redenaar die in openbare vergaderingen niet alleen de lachers, maar ook de denkers op zijn hand heeft.
Als denker en theoreticus is Hendrik Gerhard de voor­naamste figuur die de Nederlandse Inter­nationale heeft voortgebracht. Hij wordt niet ten onrechte wel de vader van het socialisme in Nederland genoemd. Zijn invloed op de Neder­landse arbeidersbewe­ging is onmiskenbaar; zowel in de Internatio­nale als in de sociaal-democratische beweging heeft hij een leidende rol ge­speeld. Pas door de alles en iedereen dominerende figuur van Domela Nieu­wenhuis zal hij in de loop van de jaren tachtig overschaduwd worden. Domela Nieuwenhuis zelf is diep getroffen door de rijp­heid en helder­heid van Gerhards ideeën en getuigt nog op oudere leeftijd van zijn grote eerbied en bewon­dering. In menig opzicht is Gerhard de voorloper van Domela Nieuwenhuis, maar vaak ook zijn tegenstelling. Zijn grote verdiensten liggen evenzeer op het ter­rein van de ideeën en de theorie als op dat van organi­satie en actie. Een man van wie Domela Nieuwenhuis zal schrijven, in het voorwoord van Gerhards Verzamelde en nagelaten Opstellen die door Gerhards weduwe kort na zijn dood wordt uitgegeven: ­ “Gerhard was zoo niet de knapste, dan toch één der knapste en meest ontwikkelde loonsla­ven, die op de wereld geleefd hebben.”

– en d’ Internationale zal morgen heers’ op aard!

Op 5 juli 1911 valt op de anders zo stille Westerbegraafplaats te Amsterdam koorzang te beluisteren. De Stem des Volks zingt socialistische strijdliederen ter afwisseling van een drietal sprekers. Op initiatief van het bestuur van De Dageraad wordt de 25ste sterfdag van Hendrik Gerhard herdacht. Aan het graf staat naast het bestuur vook de familie Gerhard. Susanna Stehli, de vrouw van Gerhard, 77 jaar oud maar nog vitaal, overleeft haar man ruim 33 jaar. Eerst op 85 jarige leeftijd, op 30 oktober 1919, overlijdt zij. Naast haar aan het graf zijn de kinderen Gerhard verzameld, onder wie de bekende A.H., in de wandeling de ‘jonge Gerhard’ genoemd. De familie is op kosten van De Dageraad met een rijtuig van huis gehaald. De eerste spreker is de oude Piet Schröder, inmiddels 75 jaar, die herinneringen ophaalt over zijn oude vriend en aangeeft hoe belangrijk het leven van zijn  strijdmakker en vakbroeder is geweest voor de arbeiders. Ook Ferdinand Domela Nieuwenhuis en Jan Fortuyn geven blijk van het diepe respect dat zij hebben voor Hendrik Gerhard. Beiden zijn in zijn voetsporen getreden. Na Schröder zingt de Stem des Volks: Aan den Strijders en na Domela Nieuwenhuis en Fortuyn: Morgenrood. Het opmerkelijkst van al is het zingen van de Internationale als openingszang. Er kan nauwelijks een toepasselijker lied gezongen worden ter ere van leven en werk van Gerhard, ondanks het feit dat Gerhard zelf de Internationale nooit heeft gehoord. De compositie van de Gentse werkman Pierre de Geyter is van 1888. De Internationale kent de tekstregel “en de stroom rijst al meer en meer” en dat kan geen toeval zijn. Tegen het einde van de negentiende eeuw bestaat er een ‘bonte stroom’ van werknemersorganisaties die zowel naar aantal als naar omvang nog aanzienlijk zullen groeien. Organisaties die een belangrijk stempel zullen gaan drukken op de Nederlandse arbeidsverhoudingen ontstaan omstreeks of kort na 1888. Te noemen zijn de metaalbewerkers (Algemeneene Nederlandsche Metaalbewerkersbond, 1886), de sigarenmakers (Nederlandsche Sigarenmakers en Tabaksbewerkersbond, 1887), timmerlieden (Algemeene Nederlandsche Timmerliedenbond, 1892) en de diamantbewerkers (Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond, 1894). Het lijkt erop dat het zoekproces naar de meest effectieve organisatievorm – organisatie gericht op lotsverbetering door vakactie – zijn afronding vindt. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw zien we organisaties opkomen die we, naar huidige maatstaven, vakorganisaties kunnen noemen. Onder meubelmakers, timmerlieden, sigarenmakers en typografen treffen we daar de voorbeelden van aan. Deze organisaties zijn voorafgegaan door beroepsorganisaties vooral onder onderwijzers en typografen. De eerstgenoemden hielden zich vooral bezig met de inhoud van het vak, naast fondsvorming. De tweede groep vooral met culturele activiteiten eveneens gecombineerd met fondsvorming. Aanvankelijk zien we een opkomst van vakorganisaties, gestimuleerd door de Internationale (1869), maar deze worden al spoedig gevolgd door werkliedenverenigingen – met name door de stimulans van het ANWV (1871) – die zich veelal beperken tot fondsorganisatie, maar soms ook de vakactie niet schuwen, zoals het Arnhemse Hoop op Gerechtigheid. Is het ANWV een reactie op de Internationale, die te radicaal wordt gevonden, de Sociaal-Democratische Bond (1882) is weer een reactie op het ANWV en de te gematigde koers die deze vaart. De SDB stimuleert op zijn beurt het oprichten van vakorganisaties en neemt het initiatief tot het oprichten van het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) (1893), die beschouwd kan worden als een vakcentrale, om de vakactie tussen de verschillende bonden te coördineren. Met als opmaat de spoorwegstakingen in 1903 is de oprichting van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) in 1905 weer een reactie op het NAS, die ‘met zijn staak-maar-raak techniek’ niet alleen als te radicaal, maar vooral ook als te ‘onorganisatorisch’ wordt gevonden.
Een andere tekstregel in de Internationale, die door Gerhard zeker gewaardeerd zou zijn is “en d’ Internationale zal morgen heers’ op aard”, doordrongen als hij is van de noodzaak van internationale solidariteit. Het is natuurlijk sowieso een opmerkelijk feit, zelfs al hebben we hier te maken met een kleine elite onder de arbeiders, dat er een internationale beweging is onder ambachtslieden. Ze lopen daarmee ver vooruit op de samenleving, die vooral nationaal is gericht en die qua politieke sturing  periodiek zelfs voeding geeft aan nationalistische gevoelens. Het doet zelfs nu nog wonderlijk aan – gezien in het licht van het huidige ‘Euroscepticisme’ – dat de Engelse arbeidersbeweging de overheid onder druk weet te zetten ten voordele van de Poolse vrijheidstrijd en de Duitse arbeidersbeweging het lef heeft tegen de oorlogsbegroting te stemmen in reactie op de Frans-Duitse oorlog. Natuurlijk was de Internationale te zwak om de Frans-Duitse oorlog te beëindigen of te bekorten, laat staan te voorkomen. Maar wie zou dat wel gekund hebben? De houding van de Internationale tegen deze oorlog is enig en uniek, alle naďviteit waarmee dat gebeurde ten spijt. Het zou de Europese beweging van vandaag sieren om deze vroege internationale beweging vanuit de werknemers te eren. De binnengrenzen van de Europese Gemeenschap vormen nu geen belemmering meer. Er is vrij verkeer van goederen en mensen. Dat past in het streven dat Gerhard voor ogen stond.  Veel van de ‘utopieën’ van Gerhard zijn inmiddels van utopisch gewoon geworden. Waaruit mag blijken dat hij die het onmogelijke wenst, wel degelijk een realist kan zijn.