Het geheugen van de vakbeweging

Heinz Umrath – Sociaaldemocraat van geboorte

Praten met Heinz Umrath over zijn jeugd en over zijn studententijd is tegelijkertijd praten over een stuk geschiedenis van de sociaal-democratische beweging in Duitsland en Oostenrijk. Verwonderlijk is dat niet. Zijn vader en moeder zijn overtuigde sociaal-democraten en hebben een uitgebreide kennissenkring in de beweging. De in 1905 in Berlijn geboren Heinz Umrath voelt zich daarin al spoedig thuis.

Negentien jaar oud gaat Umrath economie en rechten studeren. Aanvankelijk in Wenen maar reeds in 1925 vervolgt hij zijn studie aan de universiteit van Berlijn. Spoedig treedt hij toe tot het bestuur van de sociaal-democratische studentenvereniging. De vereniging telt dan dertig ŕ veertig leden. Drie jaar later zijn dat er vierhonderd. Deze bloei is toe te schrijven aan de grote activiteit die door het bestuur van de vereniging, waarvan vele leden na de oorlog politieke functies in en namens de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) vervullen, wordt ontplooid. Vooraanstaande sociaal-democraten als Max Adler (1873-1973), hoogleraar aan de Weense universiteit en Karl Renner (1870-1950) die na de Tweede Wereldoorlog president van Oostenrijk zal worden, worden door het energieke bestuur naar Berlijn uitgenodigd om spreekbeurten te vervullen over onder meer de maatschappelijke achtergronden van het recht.

Proefschrift
De studie van Umrath lijdt niet onder zijn politieke activiteiten. Weliswaar vertrekt hij van de universiteit van Berlijn naar die van Heidelberg maar daar promoveert hij in december 1928 – 23 jaar oud – op het proefschrift ‘Public Utilities Law in the USA’, in het Nederlands ‘Het recht van de openbare nutsbedrijven in de Verenigde Staten van Amerika’. Heinz Umrath is van dat moment af ‘dr. H. Umrath’. “Het proefschrift’- zo zegt Umrath in 1982 – “heeft mijn verdere leven bepaald. Het heeft mij een geheel ander Amerika doen kennen. Tevens heb ik daardoor – hoewel ik er pas in 1949 voor het eerst naar toe ben gegaan -veel connecties in de Verenigde Staten opgebouwd.”
Na zijn studententijd aanvaardt Umrath een betrekking als volontair bij AEG, waar zijn vader directeur is: de ‘rode’ directeur wel te verstaan. Op verschillende plaatsen – Neurenberg, Bremen, Erfurt, Munchen, Dresden – wordt hij ingezet om magazijnen te reorganiseren of om opdrachten te verwerven. “Ik voelde de opkomst van het nazisme’, vertelt Umrath. “In Munchen heb ik in een koffiehuis naast Hitler gestaan die de ‘Volkische Beobachter’ (het blad van de Duitse nazi-partij, schr) las. De vreselijkste herinneringen heb ik echter aan Dresden. De AEG had daar een bedrijf gekocht dat marginaal tot slecht draaide. De overname door AEG bracht daar – midden in de crisistijd – geen verbetering in. Ik kreeg toen de opdracht om honderden mensen te ontslaan.” In 1934 verlaat Umrath AEG. Hij gaat naar Zurich, zogenaamd om te studeren. Door de vreemdelingenpolitie wordt hem daar de vraag gesteld: “Sind sie arisch?”(Bent u ariër, schr) Umrath: “Ik heb geantwoord: Ik wist niet dat dit in Zwitserland ook al een begrip van staatsrecht was”.

Warenhuis
Het ‘studeren’ en het werk voor het reclamebureau in Zurich bevallen Umrath niet zo. Hij keert terug naar Berlijn, waar hij procuratiehouder wordt van een warenhuis. Tot 1936 blijft hij daar werken. Als hij opdracht krijgt van de nazi’s om ‘Der Stiirmer’ onder het personeel te verspreiden, verlaat hij Berlijn en Duitsland definitief. Hij vestigt zich dan in Amsterdam, waar hij in de Leidsestraat – later ook op de Nieuwendijk – een winkel begint in wol- en handwerkartikelen. Umrath: “Ik heb me met zaken doen meestal verveeld. Ik vond dat anderen dat beter konden doen. Mijn compagnon was dan ook de grote deskundige”.
Umrath wijdt zich in Amsterdam ook aan de wetenschap. Onder meer doet hij onderzoek voor – alweer zo’n bekende Oostenrijkse sociaal-democraat – Otto Neurath, die bezig is met zijn studie ‘Persecution and brotherhood’ (Vervolging en broederschap, schr). Gevraagd naar zijn relatie met Neurath, vertelt Umrath: “Na de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog en de zogenaamde revolutie van november 1918 heeft Neurath een plan ontwikkeld voor de socialisatie van Saksen. Hij wordt door de sociaal-democratische regering van de deelstaat Beieren gevraagd om het plan aldaar in te voeren. Mijn vader werd verzocht om als zijn plaatsvervanger medewerking te verlenen. Begin april 1919 wordt in Munchen de Radenrepubliek uitgeroepen met de links-socialistische schrijver/dichter Ernst Toller aan het hoofd. Deze stelt voor dat mijn vader het departement economische zaken op zich zal nemen. Als overtuigd democraat weigert hij echter. Hij laat Toller en Neurath weten: “Jullie zullen binnen vier weken hangen. Maar wat erger is, jullie ideeën zullen ook hangen”. Inderdaad is de Radenrepubliek Beieren slechts een kort leven beschoren. Toller wordt tot jarenlange gevangenschap veroordeeld en Neurath wordt naar Oostenrijk uitgewezen.

Neu Beginnen
De linkse en joodse mensen die het nazi-terrein ontvluchten, treffen elkaar in emigrantenclubs, Amsterdam kent er ook een. Umrath maakt daar deel van uit. Met enkele emigranten vormt hij de Amsterdamse afdeling van ‘Neu Beginnen’ (Opnieuw beginnen, schr). Op verschillende plaatsen in Duitsland en in andere landen verzamelen groepjes sociaal-democraten zich onder deze titel om studies over de gevolgen van het nationaal­socialisme te stimuleren. Tevens verspreiden deze groepjes informatie over de gebeurtenissen in Duitsland. De Nederlandse verhoudingen bevallen Umrath erg goed. “Toen ik drie weken in Nederland was” – zo zegt hij – “werd mij gevraagd hoe ik het vond. Ik heb gezegd : ik ben hier thuis. Mijn vader heeft me opgevoed voor een sfeer zoals die in Nederland bestaat. Destijds heb ik wel overwogen naar de Verenigde Staten te gaan. Ik heb zelfs een visum aangevraagd. Maar ik schrok terug voor de grote werkloosheid die daar bestond. Dat was echt een nachtmerrie voor me. Daarom heb ik de voorkeur aan Nederland gegeven. Als ik echter kijk naar de carričre die veel vrienden van mij in de Verenigde Staten hebben gemaakt, dan zou het waarschijnlijk wel losgelopen zijn.”

Nu moet Umrath tot 1949 wachten voor hij in de gelegenheid is de Verenigde Staten te bezoeken. Het treft hem dat alle deuren voor hem opengaan. Velen zijn hem terwille om gesprekken te arrangeren met mensen uit allerlei geledingen van de samenleving. Het gelukt hem echter niet om vooraanstaande mensen uit de Amerikaanse vakbeweging te spreken. Deze zijn ten tijde van zijn bezoek in Londen, waar de oprichtingsbijeenkomst plaats heeft van het IVVV.

Henk Kaper
Wel ontmoet Umrath in de Verenigde Staten ANB-bestuurder Henk Kaper. Deze maakt deel uit van een vakbondsdelegatie die – in het kader van het Marshall-plan voor economisch herstel van Europa – een bezoek brengt aan de Amerikaanse vakbeweging. Drie maanden later – in maart 1950 – zullen Kaper en Umrath collega’s zijn.
Bij zijn aanstelling spreekt ABN-voorzitter Geert Klein de vrees uit dat Umrath zijn werk bij de bond als opstapje zal gebruiken voor een grootse loopbaan. Inderdaad worden hem al spoedig verleidelijke aanbiedingen gedaan. In 1952 vraagt de Belg Walter Schevenels, de secretaris-generaal van de Europese Regionale Organisatie (ERO) van het IVVV, hem om economisch adviseur te worden. “Ik heb hem gezegd” – aldus Umrath – “dat ik in Amsterdam wil blijven. Ik verklaarde wel bereid te zijn om internationaal werk te doen. Ik werd vervolgens uitgenodigd om toe te treden tot de Permanente Commissie voor de Woningbouw van de ERO-IVVV. Deze commissie bracht het rapport ‘Mogelijkheden voor de arbeiderswoning in de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal” uit, dat de basis werd voor het woningbouwprogramma van de EGKS.”

Huiver
Het ANB-bestuur volgt het internationale werk van Umrath met enige huiver. Het is bang de waardevolle adviseur kwijt te raken. Deze angst wordt nog versterkt als er eervolle uitnodigingen binnenkomen om in het buitenland spreekbeurten te vervullen. Umrath wordt onder meer door de Oostenrijkse bond benaderd om de Britse Labourleider Hugh Gaitskell, die verstek moet laten gaan, te vervangen. Het bondsbestuur besluit daarom hem er wat werk bij te geven; het scholings- en vormingswerk. Hij vindt het niet erg, integendeel de cursusbijeenkomsten met kaderleden hebben de prettigste herinneringen bij hem achtergelaten.
Umrath heeft zich als sociaal-democraat altijd meer vakbewegingsman dan partijman gevoeld. In de vakbeweging zag hij de kracht die een bepalende invloed zou kunnen uitoefenen op de hervorming van de samenleving. Achteraf zegt hij zich door te hoge verwachtingen daarin vergist te hebben. Net zoals hij zich heeft vergist in de intelligentie van de werkgevers, hoewel ze hier in Nederland misschien intelligenter zijn dan elders. “Je moet beseffen” – zegt Umrath – “dat er voortdurend verandering is. Maar dat begrijpen de werkgevers niet. Ze zijn te weinig ondernemer. Ze vechten voor gevestigde belangen. Dat was in de vijftiger en zestiger jaren wel anders. Nu zouden ze soepel moeten zijn maar ze zijn star. Ik ben het ook niet eens met hun opvatting dat alleen meer investeren leidt tot meer werk. We hebben een periode van twintig jaar wederopbouw gehad. De behoeften van de mensen zijn nu zo’n beetje verzadigd, met uitzondering van de behoefte aan woningbouw en de behoeften van de mensen in de Derde Wereld. De investeringen zouden erop gericht moeten zijn aan deze behoeften te voldoen. Niet de industrie moet dus het vliegwiel zijn van de economische opleving, maar de woningbouw.”

Huren
De geringe animo om in de woningbouw te investeren wijt Umrath aan de lage huren. “Jarenlang zijn de huren” – aldus Umrath – “laag gehouden, omdat de lonen niet teveel mochten stijgen. Als de suggestie was gevolgd om – in de jaren zestig – de huren in alle landen van de Organisatie van Europese Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) met bijvoorbeeld twintig procent te laten stijgen en tegelijkertijd de lonen met vijf procent te verhogen, dan waren we thans uit veel problemen geweest. Maar de werkgevers weigerden hieraan mee te werken.”
De economische problemen van dit moment worden door Umrath als zo ernstig beschouwd, dat ze niet in Nederland zijn op te lossen. Tot zijn teleurstelling moet hij echter erkennen dat van het instrument dat wel een oplossing zou kunnen bieden – de Europese samenwerking – ook niet veel te verwachten valt. De in de Europese Gemeenschap samenwerkende landen hebben er weinig aan gedaan om er iets van te maken. De harmonisering van de sociale zekerheid is – erkent Umrath – een erg ingewikkelde aangelegenheid. De nieuwe ontwikkelingen op dit terrein, die na de vorming van de Europese Gemeenschap in gang werden gezet, hadden echter natuurlijk best in gezamenlijk verband opgezet kunnen worden. Toen hij een suggestie in deze richting opperde, liet een top­ambtenaar van het ministerie van Sociale Zaken zich ontvallen: ‘We laten ons toch niet in de kaarten kijken?”
Doctor Heinz Umrath. In het jaarverslag over 1950 wordt van hem gezegd: “Zijn grote belangstelling voor maatschappelijk werk en voor de arbeidersbeweging, deed hem een plaats in de vakbeweging ambiëren. Zijn sollicitatie viel bij ons in goede aarde en wij geloven te mogen zeggen, dat de bond geen betere keuze had kunnen doen. Welke positie dr. Umrath bij ons inneemt? Laat ons volstaan met te zeggen, dat doctor Umrath voor ons Heinz Umrath is geworden”.

(Eerder verschenen in Stuwing, jaargang 6, nr. 1, 1982)