Het geheugen van de vakbeweging

Heinz Umrath – Over vakbeweging en politiek

Dat vakbeweging en politiek met elkaar te maken hebben, is voor Heinz Umrath een vanzelfsprekendheid. In de periode dat hij als beleidsadviseur werkzaam is bij de Algemene Nederlandse Bouwbedrijfsbond (ANB), (1950- 1965), maar ook nog lang erna, onderhoudt hij veelvuldig contacten met politieke gezagsdragers. Die onderlinge contacten zijn voor hem een zodanig vanzelfsprekend uitvloeisel van het vakbonds- en politiek werk, dat hij het onbegrijpelijk vindt dat de regering zonder voorafgaand overleg met de huidige ziektewetplannen is gekomen. “Een man van de ‘standing’ van Den Uyl”- zegt hij – “had toch Wim Kok bij deze ingrijpende zaak moeten raadplegen. Het is eigenlijk ondenkbaar dat dat niet is gebeurd. Maar het onderhouden van contacten, het toetsen van meningen, schijnt niet meer te gebeuren.”
Umrath wijst – als hem gevraagd wordt naar de relatie tussen de vakbeweging en politiek – op een artikel dat hij in oktober 1951 heeft geschreven voor Stuwing, destijds het kaderblad van de ANB. In dat artikel schrijft hij over een internationale studieconferentie die was georganiseerd in samenwerking met de Deutscher Gewerkschaftsbund – de Duitse vakcentrale DGB.

Onverantwoordelijk
Op die conferentie werd een inleiding gehouden door DGB-hoofdbestuurder L. Rosenberg. Umrath destijds: “Rosenberg maakte het geheel en al duidelijk dat de werknemersorganisaties gewoon niet buiten de politiek kunnen omdat zij “onverantwoordelijk zouden handelen indien zij de verantwoordelijkheid zouden accepteren, zonder invloed uit te oefenen op een gang van zaken, waarvoor zij nu eenmaal verantwoordelijk zijn.” Met klem wees hij er op dat onze gehele strijd voor een beter bestaan dient om de voorwaarden te scheppen voor een samenleving waarin elk mens waarachtig mens kan zijn en dat onzer gehele beschaving tot ondergang is gedoemd, indien het ons niet lukt dit fundament hecht te verankeren”.
De relatie tussen vakbeweging en politiek heeft jarenlang betekent dat de relatie tussen NVV en PvdA, tussen KAB/NKV en KVP en tussen CNV en ARP. Veel actieve vakbondsleden waren even actieve partijleden. In vakbondscommissies namen politici deel in partijcommissies zaten vakbondsmensen. Umrath was één van de vakbondsmensen in ettelijke partijcommissies. Kort na zijn indiensttreding wordt het hem al duidelijk hoe een en ander in de praktijk toegaat. In het beging van de jaren vijftig breekt de zogenaamde Korea-crisis uit. De Nederlandse regering reageert daarop door een bestedingsbeperking aan te kondigen. Umrath: ‘Toen is er een denkfout gemaakt.”

Gehamsterd
Als gevolg van de oorlog gingen de prijzen van grondstoffen omhoog. Uit vrees voor nog hogere prijzen heeft men als een gek grondstoffen gehamsterd. Het gevolg daarvan was dat de deviezenvoorraad als sneeuw voor de zon wegsmolt. Als uitvloeisel van het overheidsbeleid wordt het bouwprogramma teruggebracht van 50.000 naar 36.000 woningen waarvan de helft woningwetwoningen. Bouwminister In ’t Veld kon zich daarin moeilijk vinden. Althans dat moet men haast wel denken. Hij suggereert namelijk de bouwcommissie van de Wiardi Beckmann Stichting – het wetenschappelijk bureau van de PvdA – die ogenblikkelijk bij hem komt, tegen de regeringsplannen te protesteren. Het NVV had de hint snel begrepen en organiseerde een demonstratief congres over de woningbouwplannen van de regering. Vervolgens ging een gecombineerde delegatie van PvdA en NVV naar de regering. Umrath: “Van de kant van de regering namen aan het gesprek deel minister-president Drees, bouwminister in ’t Veld en de minister van financiën Lieftinck. Lieftinck was slechts een kwartier aanwezig. Dat heeft hem toen zeer teleurgesteld dat één van de belangrijkste ministers nauwelijks interesse had voor wat de vakbeweging te berde had te brengen.”

Rapporten
De samenwerking tussen NVV en PvdA resulteerde in de vijftiger jaren in twee kloeke rapporten – het Welvaartsplan’ en Wenkend Perspectief’. De rapporten die een visie ontvouwen over de economische wederopbouw van Nederland, over de opbouw van een welvaartsmaatschappij, verschenen onder verantwoordelijkheid van het NVV. Maar de lijst van medewerkers vertoont de namen van vele prominente PvdAers: Theo van Lier, Evert Vermeet, Hein Vos, Anne Vondeling, Joop den Uyl en Jan Bommer. Door over en weer met elkaar samen te werken, ontstonden er goede persoonlijke contacten waardoor invloed uitgeoefend kon worden. Als voorbeeld noemt Umrath de kwestie van de individuele huursubsidie: “Ik was lid van de destijds zeer invloedrijke commissie Volkshuisvesting van de Wiardi Beckmann Stichting (WBS). Het PvdA-Tweede Kamerlid Jan Bommer, die een volkshuisvesting-specialist bij uitstek was, beschouwde deze commissie als zeer waardevol. Voorafgaande aan de parlementaire debatten over woningbouw vroeg hij altijd advies van de commissie. Hoe waardevol hij de commissie ook vond, adviezen over de individuele huursubsidies en eigen woningbezit legde hij naast zich neer. De PvdA was daartegen. Ik heb eens tegen Bommer gezegd: Als je alleen met objectieve subsidies werkt, dan kan je nooit de krotten opruimen. De mensen verlaten hun oude, slechte woningen niet als de nieuwe woningen niet door subsidies of premies – afhankelijk van hun inkomen – financieel binnen hun bereik worden gebracht. Bommer wilder er niet aan. Ik ben toen naar Kloos gegaan, die lid was van een andere WBS-commissie, die van economische vraagstukken. Hij wist te bewerkstelligen dat de twee WBS-commissies gezamenlijk vergaderden. Tijdens die bijeenkomst werden mijn opvattingen gesteund door Kloos en Den Uyl. Het gevolg was dat de individuele huursubsidies een aankooppremies voor de PvdA aanvaardbaar werden.

Relaties
De persoonlijke relaties werkten niet alleen tussen NVV-ers en PvdAers. Umrath bijvoorbeeld onderhield ook nauwe contacten met de ministers van Volkshuisvesting. Vaak werd hij persoonlijk geraadpleegd door Witte, Bogaers en Schut. Over Bogaers, afkomstig uit de katholieke arbeidersbeweging, vertelt Umrath: `Tot schrik van zijn ambtenaren is hij eens een weekend ondergedoken met twee koffers vol literatuur. Daarbij was een artikel van mijn hand over bouwnijverheid en economische groei. In dat artikel dat in mei 1963 is verschenen, bepleitte ik met het oog op de door onder meer de EEG verwachte inkomensgroei, dat er niet gebouwd moest worden naar de normen van 1950 maar naar die van 1970. Bogaers heeft die gedachte als uitgangspunt genomen voor zijn expansief bouwbeleid.”
Veel van de relatie tussen politiek en vakbeweging onttrok zich aan het oog van het publiek. Dat kon niet gezegd worden van het lidmaatschap van de NVV-leiders van de Tweede Kamerfractie van de PvdA. Roemers, Van Rossum, Suurhoff, Baart, Brandsma, zij allen speelden een rol in het NVV en de Tweede Kamer. Dat is nu niet meer het geval. Umrath: “Er zijn in het parlement nog maar weinig mensen die het bedrijfsleven van binnen en van buiten kennen, die op normale wijze hun brood hebben verdiend. Er werd wel gezegd: de gemeente Amsterdam wordt door de Universiteit geregeerd. Nu geldt die situatie eigenlijk voor het hele land. Wij hebben nu in de Tweede Kamer vaak mensen die met theorieën het land willen regeren.”

Veel invloed
Door de nauwe relaties met de politiek heeft de vakbeweging veel invloed kunnen uitoefenen. Daaruit mag echter niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat de vakbeweging de politiek naar zijn hand kon zetten. Dat kwam enerzijds doordat bepaalde denkbeelden in de vakbeweging zelf onvoldoende steun verwierven. Anderzijds werd dit veroorzaakt doordat werkgevers of andere nationale staten niet wilden meewerken. Umrath geeft van alle drie situaties een voorbeeld. In het allereerste advies van de Sociaal Economische Raad (SER) staat: de regering dient na te gaan op welke manier werknemers in het eigendom van nieuwe investeringen kunnen deelnemen. De loondeskundige van de NVV, Ad Vermeulen, en Umrath hebben aan dit punt veel aandacht besteed. Het officiële NVV-standpunt was echter; dat is veel te gevaarlijk. Met name voorzitter Dirk Roemers vreesde dat er dan ook in verliezen gedeeld zou moeten worden. Vermeulen en Umrath moesten daardoor hun standpunten in het buitenland verkondigen. Vermeulen in de ‘International Labour Review’, het blad van de Internationale Arbeidersorganisatie en Umrath in Duitsland: “Ik heb daar gezegd: wat wij nodig hebben, zijn grote investeringen. de winsten uit de productie mogen daarom niet volledig in consumptie worden omgezet. de werknemers moeten dus niet een hoger loon worden geboden maar een aandeel in het nieuw te vormen vermogen. Daarvoor zou niet moeten worden gekozen voor een systeem van winstdeling maar voor een systeem van vermogensaanwasdeling, bijvoorbeeld gekoppeld aan de AOW. Het verschil zit hierin dat bij een systeem van winstdeling alleen de werknemers van het bedrijf betrokken zijn. Een systeem van vermogensaanwasdeling biedt echter de mogelijkheid dat ook de tramconducteur en de kleine zelfstandige meedelen in de aanwas van het Nederlands vermogen.”
Als voorbeeld van de tegenwerking die de werkgevers bieden, noemt Umrath de rol die door hen thans wordt vervuld. “Ik ben geen klassenstrijder. Wel ben ik me erg bewust van de sterke tegenstellingen die in de maatschappij bestaan. Je hebt krachten die op verandering aandringen en je hebt krachten die ervoor moeten zorgen dat bepaalde waarden niet verloren gaan. Wij hebben zo onze rol te spelen en de werkgevers de hunne. Lange tijd was de Stichting van de Arbeid een ideaal instrument waarin beide krachten in een dialoog samen de ontwikkelingen bepaalden. Wat mij nu zo teleurstelt is dat de fronten zich hebben verhard.
Dat is on-nederlands als je bedenkt dat het een goede Nederlandse eigenschap is om te relativeren, niets absoluut te stellen. Van de benadering van de werkgevers begrijp ik dan ook niet zoveel. We kennen een fantastische stijging van productiviteit, want met minder mensen – 500.000 werklozen – produceren we nog evenveel. Met dat gegeven doen we niets. Het vertalen van de productiviteitsstijging in arbeidstijdverkorting hier en in koopkrachtverbetering in de Derde Wereld zou echter een bijdrage kunnen zijn tot de oplossing van de huidige economische crisis.”

De economische crisis van dit moment kan niet – dat staat voor Umrath vast – door nationale regeringen worden opgelost. Er dient, naar zij mening, veel meer internationaal te worden samengewerkt. “Misschien is alles te ingewikkeld geworden”, zegt hij. De vakbeweging zou zich veel meer internationaal moeten laten gelden om internationale oplossingen af te dwingen. Maar financiële problemen staat dit in de weg. “Het internationale werk is” – zo zegt Umrath – “veel beter geworden. Er zijn ‘vakbondsambassadeurs’ in Brussel bij de Europese Gemeenschap, in Parijs bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), in Genčve bij de Internationale Arbeidsorganisatie en in New York bij de Verenigde Naties. We kunnen echter nog steeds niet concurreren met de werkgevers.”
Vakbeweging en politiek, voor Umrath hebben ze altijd een nauwe relatie onderhouden. Gezien de achtergrond van de huidige sociaal-economische problematiek zijn zijn opvattingen vanzelfsprekend. Licht zou daardoor vergeten worden dat in de jaren vijftig en zestig invloedrijke PvdA-ers de vakbeweging beschouwden als een organisatie die zichzelf had overleefd. Eén van hen was Cees de Galan, vorig jaar nog kabinets­informateur. In zijn proefschrift dat in 1958 verscheen stelde hij dat “de vakvereniging meer haar oude structuur zal moeten hervinden uit de periode waarin zij voornamelijk gezelligheids­vereniging was. “Loonvaststelling en bewaking van de werkgelegenheid waren in zijn ogen taken voor de overheid. Umrath waste hem in Stuwing de oren: “…de Westerse democratie (wortelt) niet alleen in het algemene kiesrecht, maar (is) juist gebaseerd op het feit, dat naast de politieke ook maatschappelijke organisaties zijn ontstaan. Deze vormen op sociaaleconomisch terrein elkaars evenwichten… In landen waar men beseft dat de moderne maatschappij niet buiten deze grote organisaties kan, omdat elke sociale groep één of meerdere punten moet hebben waarop zij zich kan concentreren, rust de democratie op een veilige basis.”

(Eerder verschenen in Stuwing, jaargang 6, nr. 2).