Het geheugen van de vakbeweging

Heinz Umrath – Over scholing en vorming

Wij zouden een gedegen scholingsprogramma moeten hebben voor mensen die leiding moeten geven aan de vakbeweging. Dat programma zou bijvoorbeeld in samenwerking met een universiteit moeten worden opgezet. Ik heb het altijd betreurd dat wij in de vakbeweging op onze eigen krachten waren aangewezen. In de Bondsrepubliek, in Groot-Brittannië en in de Verenigde Staten kennen ze een samenwerking van de vakbeweging met universiteiten, soms in de vorm van “academies van de arbeid”. Daar worden leden van de basis tot vakbondsbestuurders opgeleid”.

Met enige passie, maar ook met enige zorg, praat Heinz Umrath over een opleiding voor vakbondsleiders. Hij wijst erop dat thans de leiding van de FNV in zeer bekwame handen is. Maar – zo vraagt hij zich af – hoe wordt dat op den duur in de steeds meer gecompliceerde samenwerking?

Het scholingswerk van de Algemene Nederlandse Bouwbedrijfsbond (ANB) bestaat in de jaren vijftig uit vele cursusavonden in de afdelingen, scholingsweekenden in districten, bezoldigdenbijeenkomsten en kaderweken”. Op de avonden werden allerlei actuele onderwerpen besproken. Voor zover mogelijk werd aan alle wensen voldaan. Zo kon het gebeuren dat Umrath in één week tweemaal naar Oost-Groningen afreisde om eerst in Stadskanaal en later in Wildervank voor vijf mensen een inleiding te houden. Hij reisde dan met die ene auto, waarover de ANB toen kon beschikken: een Chevrolet met Opel-motor, die kort na de oorlog door de Zwitserse bond was geschonken en die werd gereden door de bekwame Ab Huiberts. Het vervoer, met name de kosten die eraan waren verbonden, was een groot probleem. Umrath kan zich herinneren dat hij eens met één der inleiders had afgesproken om samen naar het Troelstra-oord in Egmond te reizen. In een cafeetje zat hij vergeefs op hem te wachten. Na verloop van tijd besloot hij, gezien het late uur, alleen met de trein naar Alkmaar te reizen en vandaar per taxi naar het conferentie-oord te gaan. Een wel zeer buitenissige manier van verplaatsen, vond de bondspenningmeester die er zeer veel moeite mee had om de kosten ervan voor zijn rekening te nemen.

Tekening
Het Troelstra-oord in Egmond was de plaats waar de ANB-kaderweken hun beslag kregen. Later werden ze ook gehouden in Avegoor, het conferentie-oord van de ambtenaren in het Gelderse Ellecom. Ongeveer dertig leden konden – op voordracht van hun afdeling – meedoen aan een kaderweek. Aan de orde kwamen de geschiedenis van de vakbeweging, sociale verzekeringen, tariefwerk, economie en Europese samenwerking. De laatste twee onderwerpen werden door Umrath verzorgd. Jan Pluimert nam de sociale verzekeringen voor zijn rekening en Frans Tuunter het tariefwerk. Later verleende ook Jan van Otterlo, die uiteindelijk verantwoordelijk zou worden voor het scholingswerk, zijn bekwame en enthousiaste medewerking. De onderwerpen werden ingeleid, waarna er discussie volgde en er enige schriftelijke vragen moesten worden beantwoord. Umrath: “Frans Tuunter liet tijdens zijn inleiding een tekening zien, waarin je – afhankelijk van hoe je er tegen aan keek – een oude dame of een jonge vrouw kon zien. Hij wilde daarmee aantonen dat de manier van kijken bepaalt wat je ziet. Dat is ook mijn bedoeling geweest van het scholingswerk: niet het verkopen van ideologieën en illusies, maar leren onbevangen tegen de zaken aan te kijken. Vele deelnemers aan de kader­weken vonden – om een voorbeeld te noemen – “winst’ een schunnig woord. Ik leerde ze dat je in elke economie, ook in Rusland, winst voor nieuwe investeringen nodig hebt. De vraag is echter: wat doe je met die winst?”

Onorthodox
Tijdens die kaderweken werd er intensief gediscussieerd. Soms werd Umrath verweten niet scherp genoeg tegen de kapitalisten te agiteren. “Ik heb toen gezegd” – vertelde hij – “kijk eens, wij leven in een dynamische maatschappij. Wij zitten op een zware motor die door atoomkracht wordt voortgestuwd. Links en rechts hebben wij een smalle marge. Het belangrijkste is echter dat wij omhoog gaan, zo niet, dan vallen wij te pletter; een gevaar dat tegenwoordig levensgroot dreigt. Verstandige economische groei is daarom beter dan bestrijding van de zogenaamde inflatie”. Deze onorthodoxe manier van het benaderen van problemen bleef niet geheel zonder kritiek. In een nummer van Stuwing (jaargang 1955) verweerde Umrath zich tegen kritiek op zijn betoogtrant. Die werd, zeker waar het artikelen voor Stuwing betrof, “te wetenschappelijk” bevonden, “teveel met het verstand, het hart spreekt wel wat te weinig mee”.
“Het is niet moeilijk” – zo zegt Umrath in zijn reactie – “om desnoods elke dag een artikel te schrijven vol van hartenkreten en appelleren aan het gevoel. Maar dat zou in deze wereld van harde feiten niet veel meer uithalen. Vandaar dat mijn taak in de beweging juist die van wetenschappelijk medewerker is, die dus aan het bestuur en de leden van onze bond de wapenen moet leveren, waarmede wij onder de omstandigheden van vandaag in staat kunnen worden gesteld onze taak zo te vervullen, zoals onze harten dat graag zouden wensen, (…) Maar dit betekent geenszins, dat achter onze noodzakelijkerwijs enigszins nuchter aandoende betogen, minder toewijding aan onze idealen schuil gaat dan achter de gloedvolle woorden van menig feestredenaar”. Naast de reeds genoemde vakken stond op het programma van de kaderweken ook “spreken in het openbaar”. Enige malen werd dit onderdeel verzorgd door de toneelspeler Ben Groeneveld. Via Koos Vorrink was Umrath met hem in contact gekomen. Groeneveld, auteur van het boekwerkje “spreken en zeggen”, besteedde vooral aandacht aan de technische kant van het spreken, zoals het doen van spraak­oefeningen, het leren zich te concentreren, het op de juiste manier toepassen van de ademhaling en dergelijke. “In vele gevallen ” – schreef Umrath in Stuwing ter bespreking van het boekje – “weerhoudt de spreekangst menigeen, om het zijne op een discussie-avond of zelfs bij een gesprek in de keet te zeggen. Nog erger is dit indien men een inleiding of een korte toespraak moet houden. Door technische oefeningen zal men echter veel van deze angst kunnen wegnemen”.
De kaderweken kenden goede en soms minder goede jaar­gangen. Als een uitzonderlijk jaar beschouwt Umrath het jaar waarin Henk van Genderen, Jans Hummel en Piet de Vreeze naar voren traden. Alle drie schoven door naar de Centrale Kader­school, die door het NVV werd verzorgd, en traden vervolgens in dienst van de ANB.

Afscheidscadeau
De kaderweken werden afgesloten met een bonte avond. Vaak werd ter gelegenheid daarvan de film “A matter of life and death” (een zaak van leven en dood) vertoond. Vervolgens kregen de cursusleiders een afscheidscadeau aangeboden. “Verbeter de wereld en begin bij studeren” staat op “Mozart miniatuur”, een verzameling platen met muziek van Mozart, die Umrath ooit eens van een cursusgroep heeft ontvangen. Umrath: “Dat is toch tekenend voor de tijd. De wederkerige waardering was erg groot en de persoonlijke verhoudingen waren zeer goed”.
Formeel begon Umrath het scholingswerk in 1953. Maar afgaand op de doelstelling van Stuwing, het kaderblad dat in juli 1950 voor het eerst van de pers kwam, is hij er al veel eerder mee begonnen. “Bij de doop” – zo schreef de redactiecommissie, waarvan Umrath deel uitmaakte – “ontving ons kaderblad de naam STUWING. Wij bedoelen daarmede uit te drukken, dat het blad zijn lezers wil stuwen naar grotere kennis, maar beter inzicht, naar beter gefundeerd oordeel en naar doelbewuster handelen”.
De bijdragen van Umrath aan het blad zijn groot in aantal en bestrijken vele terreinen: economische vraagstukken, de Internationale vakbeweging, leiding en leden, volkshuisvesting, vakbeweging en politiek en dergelijke. Zeer bekend is de serie artikelen, waarin hij aan de hand van de situatie van Robinson Crusoë economische processen populair verklaart. Regelmatig wordt door het bondsbestuur een enquęte gehouden onder de afdelingen naar de mening over het kader­blad. In een commentaar op de enquęteresultaten van 1953 schrijft bondsbestuurder Bart Cloo: “De inhoud van het blad (moet) afgestemd zijn op het gemiddelde intellect, en zelfs een tikkeltje hoger. Het moet toch de bedoeling zijn de mensen die een bestuursfunctie vervullen hoger op te trekken. Het gevolg van dat uitgangspunt is dan onherroepelijk dat wat de één zwaar vindt, door de ander juist goed en weer door nog anderen veel te licht wordt bevonden. U kunt ervan overtuigd zijn, dat door redactie en medewerkers alles wordt gedaan de stof zoveel mogelijk te populariseren. Gewaakt moet echter worden tegen een te kinderlijke stijl. Aangezien het intellect van ons kader nu eenmaal op verschillend niveau ligt, ondervinden de schrijvers der diverse artikelen op dit terrein wel de meeste hinder”. In 1964 valt het doek over het ANB-kaderblad Stuwing. Uit een nieuwe enquęte onder de afdelingen blijkt dat het blad als overbodig wordt beschouwd tussen de Bouwer, het ledenblad, en de Vakbeweging, het kaderblad van het NVV. Deze laatste heeft in 1963 een ingrijpende wijziging van zijn redactieformule ondergaan en bestrijkt sindsdien terreinen waarover voorheen Stuwing zijn licht deed schijnen.

Opleiding
Het scholingswerk van de vakbeweging is sinds de pensionering van Umrath ingrijpend veranderd, maar niet in alle opzichten verbeterd. Een echte opleiding voor vakbondsbestuurders bestaat niet meer. Toch zou die ook nu nodig zijn. Umrath beargumenteert die noodzaak met een verwijzing naar de positie van de zwarte bevolking in de Verenigde Staten. “Via een kennis bij de Amerikaanse vakbeweging ben ik ooit eens in de gelegenheid gesteld een lezingencyclus te verzorgen op zo’n afdeling van een universiteit waar vakbondsmensen, meestal “zwarten”, in de gelegenheid werden gesteld een opleiding te volgen. Met hen heb ik gesproken over burgerrechten voor de zwarte bevolking. Uit die discussies bleek dat het met de burgerrechten iets beter ging, maar dat zwarten sociaal-economisch nog steeds in het verdomhoekje zaten. Een kleine groep is sociaal aanvaard, maar een grote groep is gedwongen vuil werk te doen, in krotten te wonen en dergelijke. Zo is het ook met veel arbeiders in West-Europa. Waar kunnen zij hun stem laten horen? In de socialistische partijen komen zij nauwelijks nog voor in de vertegenwoordigende lichamen. Vandaar dat de vakbeweging voor een goed opleidingsprogramma van zijn eigen toekomstige bestuurders moet zorgen”.

(Eerder verschenen in Stuwing, jaargang 6 nr. 4, 1982)