Het geheugen van de vakbeweging

Heinz Umrath – Over internationale aanpak werkloosheid

Kort na het neerslaan van de Hongaarse opstand in de herfst van 1956, verscheen er in het Vrije Volk een gedicht waarin de volgende zinsneden voorkwamen: ‘Toen heb ik machteloos gehuild… Want ik kon niets beginnen”. Deze regels brachten de gevoelens van Heinz Umrath met betrekking tot de onderdrukking van het Hongaarse vrijheids­streven treffend onder woorden; gevoelens die hij deelde met vele leden van de Algemene Nederlandse Bouwbedrijfsbond (ANB).

In een persoonlijk schrijven maakte hij de scheidende voorzitter van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen, Henk Oosterhuis, ervan deelgenoot. Hij vroeg hem in zijn afscheidsspeech een oproep te doen aan de internationale vakbeweging om initiatieven te ontplooien die duidelijk moesten maken dat een verenigd democratisch Europa ook een toekomst inhield voor de armen.

Umrath zei in zijn brief: “Ook gedurende onze kaderweken werd ik dezer dagen voortdurend met dit gevoel geconfronteerd. Maar bovendien met de vraag: wat kunnen wij voor de Hongaren doen? Ik heb toen de vrienden erop gewezen dat ‘Hongarije’ slechts een episode in het kader van een langdurige strijd is en dat wij eindelijk moeten beseffen, dat wij met ons ‘doen’ niet telkens weer moeten wachten tot er doden vallen. Deze strijd om de zielen en voor de vrijheid van de overgrote meerderheid der mensheid moeten wij als een permanente zaak beschouwen. Alleen zó zouden wij misschien kunnen voorkomen dat zich de gebeurtenissen, die gedurende de laatste weken zijn voorgevallen, in andere – tot nu toe nog vrije landen – zich zouden gaan herhalen. Tevens wees ik erop, dat mijns inziens hier ook voor het IVVV een taak is weggelegd”.

Eén-uur-actie
Het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen (IVVV) diende in de ogen van Umrath bijvoorbeeld de Italiaanse en Griekse vakbeweging – gezien de in hun landen bestaande armoede – behulpzaam te zijn bij het opzetten van coöperatieve ondernemingen. Deze ondernemingen zouden in het bijzonder arbeiderswoningen moeten bouwen. Het benodigde geld zou het IVVV kunnen inzamelen door middel van een jaarlijkse ‘één­uur-actie’ op 1 mei, waarbij werknemers in de rijkere streken één uur loon ter beschikking stellen van de ‘miljoenen in de nacht’. Eerder had een dergelijke actie, op initiatief van de Nederlandse vakbeweging georganiseerd, enkele miljoenen opgebracht voor de vluchtelingen.
Binnen het IVW heeft Umrath zich met name bezig gehouden met het vraagstuk van de volkshuisvesting. Het begon in 1952. Umrath verbleef in New York, waar hij een brief kreeg van Walter Schevenels die door Bep Erbé – beleidssecretaresse van de ANB – was doorgestuurd. Schevenels, secretaris van de Europese Regionale Organisatie (ERO) van het IVVV, vroeg hem in die brief rapporten te maken over de mogelijkheden voor arbeiderswoningbouw onder meer in de Kolen en Staal Gemeenschap. Tevens bood hij hem de functie van economisch adviseur van de ERO in Brussel aan. Umrath: “Ik heb toen gezegd, ik maak die rapporten, maar ik blijf bij de bond. Dat heb ik ook gedaan.”

Marshallhulp
De activiteiten die het IVVV op het terrein van de volkshuis­vesting ontplooide, werden mede mogelijk gemaakt door de Marshallhulp-hulp. Bij de behandeling van het Europees Herstel Programma, zoals de naar de Amerikaanse minister Marshallhulp genoemde hulp officieel heette, wist het Amerikaanse parlement namelijk te bewerkstelligen dat een gedeelte van de fondsen ter beschikking gesteld moest worden aan de vrije vakbeweging. Als uitvloeisel van dit besluit werd het Amerikaanse echtpaar Donald en Astrid Monson naar Europa gestuurd. Zij hebben het initiatief genomen tot een conferentie en een rapport over de huisvesting van arbeiders. Van de door Umrath vervaardigde rapporten hebben zij later, bij werk dat zij in het kader van de Verenigde Naties hebben verricht, veelvuldig gebruik gemaakt. Uit de woningbouwconferentie, die de Europese Regionale Organisatie van het IVVV in 1952 organiseerde, vloeide voort de oprichting van een Woningbouw­Commissie. Van deze commissie werd Umrath secretaris. Door het IVW werd hij tevens gevraagd als vertegenwoordiger op te treden bij de Europese Woningbouw-Commissie van de Verenigde Naties. Deze commissie kwam twee maal per jaar in Genčve bijeen.

Persoonlijk
Dankzij ijveren van het IVW en de Internationale Alliantie van Coöperaties gelukte het in het kader van de Verenigde Naties een ‘Centre for housing, building and planning’ – een centrum voor volkshuisvesting, bouw en ruimtelijke ordening – op te richten die de gehele wereld tot zijn werkterrein mocht rekenen. Jarenlang heeft Umrath daarvan deel uitgemaakt. Het werk voor deze commissies stelde Umrath veelvuldig in de gelegenheid om de volkshuisvestingsproblematiek in vele landen persoonlijk in ogenschouw te nemen. Van enkele van de gemaakte reizen deed hij in ‘Stuwing’ verslag, onder andere van zijn bezoek aan Zuid-Italië. Een Italiaanse arts, Carl Levi, die tijdens de dictatuur van Mussolini naar Zuid-Italië was verbannen, heeft een boek geschreven met als titel: ‘Christus stopte bij Eboli’. Het stadje Eboli was het eindpunt van de trein. Daar voorbij was er van beschaving nauwelijks sprake meer. Bij zijn bezoek aan Zuid-Italië heeft Umrath kunnen constateren dat de titel van het boek niets te veel zei. In Matera, voorbij Eboli, zag hij een hele stad van holen, spelonken, steegjes en trappen. “Hier wonen’ – schreef Umrath in 1957 -“liefst 15.000 mensen in vochtige donkere krotten. Ramen kent men haast niet. De enige opening naar buiten is de ingang met als deur vaak een oud vod. Daarachter wonen, koken, eten en slapen vijf, zes, zeven mensen – groot en klein – in één ruimte samen met hun beesten (…). Deze massale krottenwijk in ‘de rots, il Sasso’, heeft gemaakt dat Matera het symbool van het achtergebleven Zuiden werd”.

Nieuwbouw
De reden van Umrath’s bezoek aan Matera was gelegen in het feit dat de Italiaanse overheid en vakbeweging actief waren om de bewoners van ‘il Sasso’ een menswaardiger onderdak te bieden. De nieuwbouw was er in volle gang. ‘Toch ziet men de toekomst niet erg rooskleurig in” -voegde Umrath aan zijn verhaal toe – “Uiteraard is men met de woningbouw op zichzelf zeer ingenomen. Maar men vreest dat binnen vier ŕ vijf jaar het woningprobleem is opgelost. Aangezien tot nu toe niets werd gedaan om andere bronnen van bestaan te stichten, bijvoorbeeld door het vestigen van industrie, vreest men dat uiteindelijk werkloosheid zal ontstaan. Iedereen verwijt de instanties gebrek aan samenwerking. Tal van organisaties werken langs elkaar heen zonder een programma op lange termijn. Aan de andere kant valt weinig lokaal of regionaal initiatief te bespeuren”. Door het ontbreken van een vervolg op de woningbouw-activiteiten stokte de ontwikkeling van het gebied. Umrath: “Als je de ontwikkeling van de industrielanden goed beschouwd, dan ontdek je dat via de bouw voormalige landarbeiders in de georganiseerde productie terecht komen. In mijn ogen moeten ontwikkelingslanden – willen zij tot ontwikkeling komen – deze weg volgen. Enkele Latijns­Amerikaanse landen hebben dit voorbeeld gevolgd. Ook Israël heeft dat gedaan bij de opvang van immigranten. Ik heb dat gezien bij de opbouw van de havenstad Eliat, waarvan ik in 1957 de start heb meegemaakt. De vakcentrale Histadrut had een eigen bouwonderneming opgericht voor de bouw van hele nederzettingen. Ook nu sta ik nog op het standpunt dat de bouw de grote motor van ontwikkeling kan zijn. Maar dan moet er wel een vervolg aan worden gegeven”.

Bedrijfsblind
Vele malen is Umrath na 1957 nog in Israël geweest. 5.j een van die gelegenheden – in 1964 – hield hij een lezing op een conferentie over woningbouw- en huurbeleid in Europa. In die lezing gaf hij indirect het belang aan van het internationale werk met de volgende woorden. “Als je op de traditionele wijze blijft werken, word je bedrijfsblind. Degenen die uit Europa komen, weten dat we daar trams hebben. Omdat de koetsier van de paardentram altijd heeft gestaan om zijn paarden te kunnen mennen, heeft de trambestuurder zestig jaar lang eveneens gestaan. Toen pas ontdekte men dat hij net zo goed kon zitten en dat dat zelfs doelmatiger was. Zestig jaar lang waren we blind. Op andere plaatsen kom je soortgelijke zaken tegen. Als mensen die zich met volkshuisvesting bezig houden, moeten we ons er iedere keer van bewust zijn dat er in de huidige dynamische samenleving in één jaar veranderingen kunnen optreden, die – toen wij jong waren – zich in tien jaar voltrokken en – toen onze ouders jong waren – in honderd jaar. We moeten de technische veranderingen niet alleen begrijpen maar ze ook in ons denken, in onze benadering verwerken. En tevens moeten we onze idealen en plannen daardoor van dag tot dag herzien”.
Juist door overal kennis te nemen van de manier waarop de problemen worden aangepakt, wordt voorkomen dat tradities de overhand krijgen. En wordt voorkomen dat er dubbel werk wordt gedaan. Umrath wijst, wat dit laatste betreft, op het onderzoek dat in bijna alle landen wordt verricht naar alternatieve energiebronnen. “Experimenten met zonne-energie, warmtebronnen en dergelijke moeten niet nationaal worden aangepakt. Waarom wordt er geen gebruik gemaakt van de ervaringen – positief en negatief – die Israël allang hiermee heeft opgedaan?”

Na de oorlog
Volkshuisvesting mag de hoofdmoot zijn geweest van Umrath’s internationale activiteiten, het is niet het enige geweest. “In onze emigrantengroep ‘Neu Beginnen’ werd vaak gesproken over wat er ‘na de oorlog’ zou moeten gebeuren. Mijn standpunt was: of we krijgen een verenigd Europa of we gaan eraan. Na de oorlog ben ik direct lid geworden van de Europese beweging”.
In ‘Stuwing’ informeert Umrath de kaderleden regelmatig over de vorderingen die zich in het kader van de Europese integratie voordoen; de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), van de Europese Betalingsunie (EBU), van de organisatie voor Europese Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en dergelijke. Vaak worden de betreffende artikelen afgesloten met zinsneden als “(We) zijn weer eens aangeland bij het beslissende vraagstuk van onze tijd: het probleem van de economische eenwording van West-Europa. Het is uitermate belangrijk dat wij ons steeds voor ogen houden hoe groot de invloed van de internationale vraagstukken op de economische en sociale politiek binnen ’s lands grenzen is. “Alleen indien het lukt de moeilijkheden, die de eenwording van West-Europa in de weg staan, stap voor stap op te ruimen, maken we een redelijke kans op een duurzame oplossing van talloze problemen, waarmede wij op het ogenblik te kampen hebben.”

Teleurstelling
Nu zegt Umrath: “Mijn grote teleurstelling is dat er geen vooruitgang meer wordt gemaakt. De oplossing van de werkloosheid is niet nationaal te bewerkstelligen. De FNV benadert deze zaken zeer realistisch en pleit bijvoorbeeld voor een Europese aanpak van de arbeidstijdverkorting. Dat is historisch noodzakelijk. Maar elke regering ziet alleen zijn eigen straat. Af en toe hoor je dat de crisis voorkomt uit stijgende olieprijzen, concurrentie van Japan en nieuwe industrielanden als Brazilië, Korea en Taiwan. Zelden hoor je dat er sprake is van een verzadiging van behoeften. In 1974 heb ik Otto Kersten, de onlangs overleden secretaris-generaal van het IVVV, de volgende ontwikkeling geschetst. In de wederopbouwperiode hebben we een voortdurend voortgaande ontwikkeling gezien van de koopkracht en de techniek. Daardoor kwamen producten binnen het bereik van tachtig procent van de bevolking, welke voor de oorlog slechts voor een elite waren weggelegd. Die verwachting van stijgende koopkracht is maar doorgetrokken, nooit is er rekening gehouden met de verzadiging van behoeften, die nu is opgetreden. Overcapaciteit, die hiervan het gevolg is, is het klassieke begin van een economische crisis.”

Koopkracht
Tegenover deze verzadigingsverschijnselen staan – aldus Umrath – nog vele niet vervulde behoeften. Hij wijst in dit verband op de woningnood, maar in bijzonder op de behoeften in ontwikkelingslanden. De koopkracht ontbreekt echter om hieraan te voldoen. Door ontwikkelingshulp zou een stuk koopkracht kunnen worden overgedragen van de rijke landen naar de ontwikkelingslanden. Die zouden daardoor in staat zijn om in zekere zin aan hun behoefte te voldoen, waarop het Westerse bedrijfsleven weer zou kunnen inspelen. Zelf heeft Umrath in 1968 een concrete vorm van ontwikkelingshulp georganiseerd. In samenwerking met de ANB en de Associatie van Bedrijven op Coöperatieve grondslag (ABC), alsmede de Duitse en Zweedse bonden slaagde hij erin heel wat nieuw en tweedehands, maar nog goed bruikbaar gereedschap in te zamelen ten behoeve van de vakopleiding in India, Ghana en Brits-Honduras, het tegenwoordige Belize.
Bij alle activiteiten die Umrath nationaal en internationaal in de vakbeweging heeft ontplooid, was de materiële productie slechts het fundament voor een menswaardige samenleving. Hij wijst op zijn bijdrage in een discussie over sociale ontwikkeling, welke in 1965 in de Economische en Sociale Raad (ECOSOL) van de Verenigde Naties werd gehouden. ‘Wij zijn het er volledig mee eens” – zo zei hij – “dat de verbetering in de materiële levensstandaard en de kwaliteit van het gezinsleven een breed pakket van sociale maatregelen vergt. We beseffen en onderschrijven ook het belang van de productie van materiële goederen en een evenwichtige verdeling van de nationale middelen. Toch willen we benadrukken dat de rijkdom van landen niet alleen bestaat uit materiële goederen. We hadden bijvoorbeeld een hogere productie kunnen hebben als kinderarbeid niet zou zijn afgeschaft. Maar dit zou hebben betekend dat zulke immateriële zaken als gezinsleven en onderwijs zouden zijn verwaarloosd en dat de jeugdcriminaliteit zou zijn toegenomen. (…) een stijging van de levensstandaard moet dientengevolge een verbetering van het sociale čn materiële welzijn betekenen.”

(Eerder verschenen in Stuwing, jaargang 6, nr. 6, 1982)