Het geheugen van de vakbeweging

Heinz Umrath – Over de woningnood

Meer dan met enig ander onderwerp heeft Heinz Umrath zich beziggehouden met het vraagstuk van de volkshuisvesting. De belangstelling ervoor wordt al vroeg bij hem gewekt door zijn grootvader van moederszijde, Albert Kohn. Deze heeft tussen 1902 en 1920 de schrijnende woonsituatie in enkele Berlijnse volkswijken beschreven en in beeld gebracht.

In het vraagstuk van de volkshuisvesting komen drie elementen samen: de behoefte aan woningen, de werkgelegenheid van werknemers in de bouwnijverheid en het inkomensbeleid. Naar de mening van Umrath is de geringe animo om in de woningbouw te investeren te wijten aan de lage huren. “Jarenlang zijn de huren in Europa” – aldus Umrath in het eerste artikel – “laag gehouden omdat de lonen uit concurrentie-overwegingen niet te veel mochten stijgen.”

‘Tot in het begin van de zeventiger jaren is er – met alle ‘ups’ en `downs’ van dien – in het kader van de mogelijkheden een grote prestatie geleverd op het terrein van de woningbouw. De mogelijkheden om de bewoners bij stijgende inkomens meer te laten betalen voor hun huisvesting hebben we echter niet aangegrepen. Zonder na te denken hebben we in Europa veelal geďnvesteerd in de verkeerde dingen. Er is een overcapaciteit aan middelen om kunstvezel- en staalprodukten te maken ontstaan. We moeten nu tot kapitaalvernietiging overgaan, terwijl in dat ‘kapitaal’ mensen hadden kunnen wonen. Bij de investerings­beslissingen is de onzichtbare winst van ‘human happiness’, van menselijk geluk, buiten beschouwing gebleven.”

Tot deze conclusie komt Heinz Umrath als hij het na-oorlogse volkshuisvestingsbeleid in ogenschouw neemt. Onvermoeibaar heeft hij zich – vanaf zijn indiensttreding bij de Algemene Nederlandse Bouwbedrijfsbond – met vraagstukken op dit beleidsterrein beziggehouden, zowel nationaal als internationaal. Ook na zijn pensionering – in 1965 – tot op de dag van vandaag wordt hij door velen die zich op enigerlei wijze met volkshuisvesting bezighouden, geraadpleegd. Zonder overdrijving mag Umrath een grote deskundige op dit terrein worden genoemd. Vele na-oorlogse ministers van Volks­huisvesting hebben zich met hem verstaan over het beleid dat zij wensten te voeren.

Conflicten
De volkshuisvesting is na de Tweede Wereldoorlog een voortdurende bron van conflicten geweest. Tot op heden bestaat er ondanks alle aandacht die eraan is besteed nog steeds een kwantitatieve en kwalitatieve woningnood. Kwantitatief in de zin dat er te weinig woningen zijn en kwalitatief in de zin dat er te weinig goede woningen zijn. Daarnaast hebben de schommelingen in het woningbouwbeleid geleid tot schommelingen in de werkgelegenheid voor de werknemers in de bouwnijverheid en toeleveringsbedrijven. Naast perioden van grote werkloosheid zijn in de na-oorlogse tijd perioden van grote vraag naar arbeidskrachten, met name vaklieden, aan te wijzen. Er heeft zich zelfs een periode voorgedaan – in de zogenaamde Bogaerstijd – dat bouwvakkers vrijstelling van militaire dienst kregen. Nog niet zo lang geleden, in 1978, zijn stemmen opgegaan om opnieuw een dergelijke maatregel te nemen, hetgeen degenen die in de huidige massale werkloosheid moeten ondergaan welhaast ongeloofwaardig in de oren moet klinken.

Wisselend
Umrath wijst in zijn verklaring voor het wisselend beleid op de ervaringen van na de Eerste Wereldoorlog. Deze mogen als bepalend worden beschouwd voor dat beleid. “Er zijn in de oorlog veel woningen verwoest. Daar werd wel aandacht aan besteed. Meer industrialisatie kreeg de hoogste prioriteit. Iedereen die zich met volkshuisvesting bezighield, was onder de indruk van de situatie die zich kort na de Eerste Wereldoorlog had voorgedaan. In 1920-1921 voltrok zich een ‘housing boom’ een woningbouwexplosie. Daarna stortte de bouw in. En dat bleef zo tot voor de Tweede Wereldoorlog. Minister In ’t Veld was bang dat zich na de oorlog een herhaling ervan zou voordoen. Als er te snel te veel gebouwd zou gaan worden, zouden er in korte tijd veel bouwarbeiders komen, die binnen afzienbare tijd werkloos zouden zijn. De minister stond daarom een beleid voor waarin geleidelijk aan de woningnood zou worden opgelost. Onze gedachten liepen parallel, maar wij vonden zijn houding te afwachtend. Naar onze mening hield hij te weinig rekening met de grote bevolkingsgroei. Bommer, de volkshuisvestingspecialist van de Partij van de Arbeid, bracht het heel eenvoudig onder woorden. ‘/oor de woningnood is maar één oplossing: bouwen, bouwen, bouwen.” De oplossing van de woningnood is ook een financierings­kwestie. De te bouwen woningen moeten immers worden betaald. Maar er moeten ook inkomens worden verdiend die de betaling voor het woongenot mogelijk maken.

Huuregalisatie
Verschillende malen heeft Umrath zijn opvattingen over deze samenhangende problematiek naar voren gebracht. “Na de oorlog werden subsidies verstrekt voor woningbouw als een overbrugging voor een als tijdelijk beschouwde situatie. Ook hier speelden op de achtergrond de ervaringen van na de Eerste Wereldoorlog mee. Toen waren aanvankelijk de bouw­kosten gestegen en vervolgens gedaald. De bouwkosten bleven echter na 1945 stijgen, zodat spoedig de huren in de nieuwbouw dertig ŕ veertig procent hoger waren dan van de bestaande woningen. Wij hebben toen gezegd: dat verschil is te groot. De huren van die oude woningen moesten naar onze mening omhoog. Die huurverhoging zou in het loon gecompenseerd moeten worden en – althans gedeeltelijk – voor nieuwbouw en/of onderhoud moeten worden gereserveerd. Dat kon niet: de huiseigenaren zouden een cadeautje krijgen omdat de woningen meestal afbetaald waren. In dit probleem wilden wij voorzien door de invoering van huuregalisatie. Zo’n systeem zou twee voordelen hebben. Allereerst zouden onrechtvaardige verschillen in koopkracht worden opgeheven. En daarnaast zou er een fonds gevormd kunnen worden – omdat er voor de oude woningen meer huur wordt betaald dan op economische gronden noodzakelijk zou zijn -waaruit de bouw van nieuwe woningen zou kunnen worden betaald. De financiering van de woningbouw zou daardoor niet langer het sluitstuk van de begroting hoeven zijn.” Om inkomenspolitieke redenen was het denkbeeld van de huuregalisatie niet te verwezenlijken. In 1957 wordt wel door minister Witte een huurverhoging van twintig procent afgekondigd, waarvan de helft in een zogenaamd ‘grootboek woningverbetering’ zou moeten worden gestort. Umrath: “Deze maatregel die wettelijk werd vastgelegd, leidde tot een van de grootste acties van burgerlijke ongehoorzaamheid. De particuliere eigenaren van woningen weigerden op grote schael hun bijdrage te leveren aan het grootboek. Minister Van Hartsen schafte het grootboek daarom af. Later heeft iedereen erkend dat dit een grote fout is geweest. Het grootboek had bijvoorbeeld de fondsen kunnen leveren voor de stadsvernieuwing.

Huurverhoging
De overheid heeft om inkomenspolitieke redenen een belangrijk aandeel genomen in de kosten van de woningbouw. Zij heeft het bijvoorbeeld niet aangedurfd om de huren zodanig te verhogen dat de bouwkosten erdoor konden worden opgebracht. Een huurverhoging zou namelijk leiden óf tot een vermindering van de koopkracht óf – in het geval dat de verhoging in de lonen zou worden gecompenseerd – tot een verslechtering van de concurrentieverhouding met het buitenland. Het verzuim om na de wederopbouw vanaf de jaren zestig de huren te verhogen heeft geleid tot de huidige situatie waarin we een ‘normhuur’ hebben van zestien ŕ zeventien procent van het modale inkomen – mensen die meer dan dit percentage aan huur betalen, komen in aanmerking voor huursubsidie – terwijl de ‘economische huur’ bijna 33 procent is. Umrath heeft er nooit een geheim van gemaakt dat – naar zijn opvatting – er naar gestreefd moet worden dat mensen in staat moeten worden gesteld aan wonen te betalen dat wat het werkelijk kost. Hoewel hij beseft dat er waarschijnlijk altijd een groep ‘lagere inkomens’ zal zijn die niet in staat is de werkelijke woonkosten in het gezinsbudget in te passen. In de in 1953 door de Internationale Arbeidersorganisatie (IAO) uitgegeven brochure ‘Rent policy in Western Europe’- ‘Huurbeleid in West­Europa’- geeft Umrath drie wegen aan om de kloof te dichten tussen het inkomensgedeelte dat mensen aan woonlasten kunnen besteden en de economische huur. “De bouwkosten zouden kunnen worden verminderd, de rentestand zou moeten worden gestabiliseerd en van de toename van het nationaal inkomen door productiviteitsverhoging zou een belangrijk gedeelte zodanig over de inkomensgroepen tot aan modaal moeten worden verdeeld, dat zij een groter deel van de woonlasten voor hun eigen rekening kunnen nemen. De minister van Volkshuisvesting heeft jarenlang bewust geen invloed willen uitoefen op de ontwikkeling van de bouwkosten. Pas nu wordt getracht die kosten in bedwang te houden. Umrath: “Hoe vaak heb ik niet van aannemers gehoord: we moeten van de architecten de meest onnutte zaken bouwen.” Een tegenstander van ‘industrieel bouwen’ kan Umrath niet genoemd worden, hoewel hij niet gelooft dat industrieel bouwen goedkoper zou zijn dan traditioneel bouwen. Destijds moest er tot industriële woningbouw worden overgegaan omdat er domweg niet voldoende vakmensen waren. Vrij nuchter is zijn commentaar als eentonigheid als bezwaar tegen industriële woningbouw naar voren wordt gebracht. “Er hoeft niet gepraat te worden over monotonie. Met kleuren en dergelijke kun je veel bereiken. Daarnaast: de mensen bekijken hun huis van binnen en niet van buiten. Ik heb altijd gezegd: ‘housing for the millions is housing for the millions’, volkshuisvesting is huisvesting voor het volk. Ik bedoel daarmee te zeggen dat mensen in Aerdenhout niet de mensen in de Pijp moeten vertellen hoe ze moeten wonen en hen ook nog de kosten ervoor laten betalen.

Rentestand
Het in bedwang houden van de bouwkosten is een volslagen nutteloze zaak als de rentestand niet wordt gestabiliseerd. Reeds dertig jaar geleden – in de hiervoor al genoemde IAO­brochure – toonde Umrath aan dat een rentestijging van drie tot vijf procent toen een gelijke uitwerking had op de huren als een stijging van de bouwkosten in de orde van grootte van veertig procent. Umrath in die brochure: “Om het op een andere manier te zeggen: als de bouwkosten met tien procent zouden kunnen worden verlaagd, wat een hele prestatie zou zijn, dan zou deze winst worden weggevaagd door een rentestijging van een half tot één procent. Het zal duidelijk zijn dat alle pogingen om de kloof tussen inkomen en huur te dichten gefrustreerd worden als het onmogelijk blijkt te zijn om de rente op een gematigd niveau te stabiliseren.” De expansieve groei, die zich na de Tweede Wereldoorlog heeft voltrokken, is niet aangewend om de mensen een groter aandeel te laten nemen in hun huisvestingskosten. Iedereen zit nu – zegt Umrath – binnen budgetten die het bemoeilijken om daarin verandering te brengen. Philips heeft wel zijn kleurentelevisie kunnen afzetten, maar het aandeel in de woonkosten is achtergebleven. ‘Tachtig procent van de na-oorlogse woningbouw” – zegt Umrath – “is gesubsidieerd door de overheid. Daardoor zijn met name de middengroepen in staat gesteld nieuwbouwwoningen te betrekken. Maar de mensen onder modaal, daaraan is niet gedacht. Deze zijn niet in staat nieuwbouwhuren te betalen. Veel te lang zijn groepen gesubsidieerd die veel hogere prijzen konden betalen. Daardoor zijn we nu niet in staat voldoende te bouwen voor de mensen die het nodig hebben.”

Gruyters
Door de onevenredige aandacht voor de woonbehoeften van de middengroepen is na 1973 de situatie ontstaan dat er gesubsidieerde woningen leegstaan, terwijl er nog steeds grote groepen mensen jarenlang op de wachtlijsten staan voor goede en goedkope woningen. In het midden van de jaren zeventig meende minister Gruyters – Umrath: “de meest rechtse minister van Volkshuisvesting die we ooit hebben gehad” – op grond van deze leegstand, dat de woningnood zou zijn opgelost. Hij ging daarbij voorbij aan de conclusies van een bouwplancommissie waarvan naast Umrath onder anderen deel uitmaakten professor Van den Beid, directeur van het Centraal Planbureau en De Vries, president­directeur van Bredero. Deze commissie – Umrath: “ik heb nooit in een commissie van zo’n hoge kwaliteit gezeten” – meende dat er – wil in het midden van de jaren tachtig ook de kwalitatieve woningnood zijn opgelost -tegen 1980 zeker 160 ŕ 170.000 woningen moesten worden gebouwd. Daarbij werd rekening gehouden met de stijgende vraag van jongeren naar zelfstandige woonruimte. Umrath: “Het rapport van deze commissie kwam eind 1972 af. Ik heb toen destijds staatssecretaris van Volkshuisvesting Jan Schaefer geschreven dat de aanbevelingen van de commissie door de regering-Den Uyl zouden moeten worden uitgevoerd. Dat is niet gebeurd. het rapport is in een oplage van ongeveer 250 verspreid. Het komt er in feite op neer dat Gruyters het rapport in de prullenmand heeft gegooid.”
Ruim 35 jaar volkshuisvestingsbeleid heeft niet gebracht wat onder meer Umrath heeft nagestreefd: oplossing van de woningnood, een redelijke en aanvaardbare bijdrage van de bewoners aan hun woonlasten en een stabiele werkgelegenheidssituatie voor de mensen die in de bouw­nijverheid en aanverwante bedrijfstakken werkzaam zijn. “Macro-economisch” – zegt Umrath – “wordt er zeer kortzichtig gedacht. We gaan nu bezuinigen om straks veel meer te betalen. Als we industrieel mee willen blijven tellen, zullen we een behoorlijke infrastructuur nodig hebben. Als we de levensomstandigheden van het jaar 2000 willen hebben, dan zullen we ervoor moeten betalen. Maar hiervoor is ook een Europese coordinatie van huur- én loonbeleid noodzakelijk.”

(Eerder verschenen in Stuwing, jaargang 6 nr. 5, 1982)