Het geheugen van de vakbeweging

Heinz Umrath – Over de geleide loonpolitiek

Mede verantwoordelijk voor het verdwijnen van de geleide loonpolitiek is oud-bondsadviseur Heinz Umrath. Door insiders is hem wel eens het etiket opgeplakt van ‘moordenaar van de geleide loonpolitiek’. Umrath schaamt zich hier niet voor. Integendeel, hij beschouwt deze titel als een geuzennaam.

Umrath: “Ik herinner me dat J. Mannoury, van het Wetenschappelijk Bureau van het NVV, in de looncommissie eens de opmerking maakte: ‘de Stichting van de Arbeid is een kartel van werkgevers en werknemers. Wij zijn terughoudend met de loonontwikkeling en zij met de prijzen’. Dat is een zegen voor het land geweest, want daardoor is de industrialisatie van de grond kunnen komen. Maar op den duur is de geleide loonpolitiek vastgeroest in instituties en principes.” In de geleide loonpolitiek was het loon van de geschoolde metaalarbeider-in het spraakgebruik ‘de tachtig-puntenman’ geheten – het draaipunt. Als door werkclassificatie kon worden aangetoond dat je meer punten had, kon je een hoger loon verwerven. In 1952 betoogde Umrath in een artikel in ‘Socialisme en Democratie’, het wetenschappelijk tijdschrift van de Partij van de Arbeid, dat de hantering van werkclassificatie op deze wijze onder het mom van wetenschappelijkheid de economie de das om zou doen.

Emmers water
Umrath: “Een loonbeleid dat uitgaat van wetenschappelijke principes, waarin alle productie tot één noemer moet worden herleid, komt uiteindelijk uit bij de vraag: hoeveel emmers water is dat gebouw hoog? Ik bedoel daarmee te zeggen dat de vergelijking tussen de productie van een tegelbakker bij de Sphinx in Maastricht en een staalarbeider bij Hoogovens berust op de persoonlijke visie van de arbeidstechnicus”. De bouw­nijverheid kende deze benadering ook. De lonen en de eventuele toeslagen erop werden tot 1958 door middel van een puntenstelsel berekend. Maar meer nog dan in andere bedrijfstakken is de productie – die bepalend is voor het aantal punten – afhankelijk van allerhande factoren die niet door de werknemers zelf zijn te beďnvloeden zoals: het weer, de organisatie op het werk, de aanvoer van grondstoffen en materialen, de vorderingen van andere werknemers en de grote afwisseling in bouwproducten. Daar kwam nog bij dat de aantrekkingskracht van de bouw op jonge werknemers niet groot was. Als mensen in alle bedrijfs­takken ongeveer evenveel kunnen verdienen, zullen ze daar gaan werken waar de overige arbeidsomstandigheden gunstiger zijn. De bouw kwam om die redenen niet als eerste in aanmerking, hetgeen leidde tot een gebrek aan bouwvak­arbeiders. Umrath: “In de populaire radioserie de familie Doorsnee raadde Ma Doorsnee haar dochter aan: ‘trouw niet met een metselaar, anders krijg je zand in bed’. Dat is het motto geweest, dat we ons rapport ‘Oorzaken en achtergronden van de verminderde belangstelling voor het metselaarsvak’ meegaven. Dat rapport verscheen in februari 1956. Er werd een vergelijking in gemaakt tussen de werkomgeving in de industriële bedrijven en op de bouwobjecten. De industrie bouwde woningen voor zijn werknemers en liet hen pauzeren in schone kantines. In de bouw was dat niet zo”.

Hogere lonen
De bouwwerkgevers hadden wel een antwoord op het gebrek aan bouwarbeiders: ze betaalden hogere lonen dan ze volgens het werkclassificatie-stelsel mochten; zwarte lonen dus. Umrath veroordeelde dit niet, dit in tegenstelling tot de minister van Sociale Zaken, de oud-NVV-vice-voorzitter Ko Suurhoff. Ze kwamen fel tegenover elkaar te staan. “Met districts­bestuurders” – aldus Umrath – “had ik in 1954 gesproken over zwarte lonen. Ik vroeg hen: staat daar een goede prestatie tegenover? Ja, zeiden ze. Ik heb toen een artikel voor Het Vrije Volk geschreven onder de titel: ‘Niet alle hoge lonen zijn zwart, bouwarbeiders werken hard’. Voordat het geplaatst werd, hield Suurhoff op een 1 mei-bijeenkomsten een tirade tegen ‘de roofridders van de bouw’. Ik wilde het artikel terugtrekken maar de toenmalige waarnemend bondsvoorzitter en -secretaris, Jaap Mes en Cor Brandsma, zeiden : “plaatsen”, Suurhoff heeft ons dat nooit vergeven. De hoofdredacteur van Het Vrije Volk, Thijs van der Veen, wijdde er een hoofdartikel aan. Daarin stelde hij: “verstandige mensen beweren het tegenovergestelde over de bouwlonen. Laat ze met elkaar praten”. Hieraan had Suurhoff geen behoefte. Hij liet Van der Veen schamper weten: “Ik ben blij dat jullie me een verstandig mens vinden”.

Woedend
Binnen het NVV was men ook niet gelukkig met het artikel van Umrath. De loondeskundige, Ad Vermeulen, was woedend dat een beleidsmedewerker een dergelijk artikel publiceerde. Dat had onder de naam van een bestuurder moeten gebeuren. Het ANB-bestuur dacht daar echter anders over, aldus Umrath. Ondanks de geleide loonpolitiek en de wetenschappelijke pretenties van het werkclassificatie-systeem was het inzicht in de feitelijke loonsituatie in de bouw in de jaren vijftig erg beperkt. Voor het ANB-bestuur is dit aanleiding om een loonenquéte te laten houden onder bouwarbeiders. Ruim vierhonderd leden hielden in 1955-1956 een jaar lang op kaarten bij hoe hoog hun inkomen was. Uit de op deze wijze verkregen gegevens kwam een globaal overzicht te voorschijn, met name ten aanzien van de gevolgen van vorst, de verschillen tussen de lonen in de nieuwbouw- en onderhouds­sector en tussen de – toch nog bestaande – gemeentekassen. “Opvallend was”- zo meldde het jaarverslag van 1956 – “dat in zeer veel gevallen alleen de nettolonen bekend waren. De indruk is dat dit niet slechts daar het geval was waar ‘schoon’ loon was bedongen maar ook in talrijke gevallen, waar de werkgever er geen behoorlijke loonadministratie op nahield”.

Vrij verkeer
De druk op de geleide loonpolitiek werd na de vorming van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) groter. De EEG stelde immers met een pennenstreek het vrije verkeer van werknemers in werking. Dat leidde ertoe dat veel bouw­arbeiders in het buitenland hun brood gingen verdienen, omdat de lonen daar hoger waren. In het begin van de jaren zestig werd door de bouwbonden in de EEG een onderzoek gedaan naar de bouwlonen. De verbazing was enorm groot toen bleek dat een metselaar in Milaan meer verdiende dan in Amsterdam. De grondslag voor een loonexplosie was gelegd. Een staking in de bouw – met een zeer vreemde aanleiding – droeg het hare daartoe bij. Eind 1959 dienden de gezamenlijke bouwbonden hun cao-eisen in bij de werkgevers, ter verbetering van de cao die op 1 maart 1960 moest ingaan. Op 1 februari 1960 werd overeen­stemming bereikt, hetgeen onder meer een loonsverhoging van 5 procent inhield. Uitgaand van een productiviteitsstijging van 6 procent, zoals de bouwbonden hadden berekend, bleef dit akkoord binnen de loonruimte. Het College van Rijksbemiddelaars dat het cao-akkoord moest beoordelen, kwam tot een andere uitkomst van de loonruimte. Die bedroeg zijns inziens 4,2 procent. Belangrijker was echter dat de werkgevers werd verboden de loonstijging in de prijzen door te berekenen.
Voor de werkgevers was dit de aanleiding om de cao niet te ondertekenen. Dit bracht hen in een rechtstreeks conflict met de bouwbonden. Het gevolg was dat die vanaf 7 maart 1960 de werknemers tot staking opriepen. Na twee weken gaven de werkgevers hun verzet op en werd de cao onverkort aanvaard.

Kanttekeningen
Umrath plaatst enkele kanttekeningen bij de berekeningen van de productiviteit. Het Economisch Instituut Bouwnijverheid is ooit eens gevraagd een berekening te maken van de productiviteitstijging in de bouw. De toenmalige directeur vroeg ons: “wat voor percentage willen jullie?” Hij bedoelde daarmee te zeggen dat hij alles wetenschappelijk kon bewijzen. Hij had daarin gelijk. Er is geen standaardhuis. Toch zou je daarvan moeten uitgaan als je een serieuze berekening zou willen maken. Daarbij komt dat je zeer voorzichtig moet zijn met dergelijke berekeningen, als de loonruimte bepaald wordt door de productiviteitsstijging. Zou namelijk de productiviteit in de bouw langzamer stijgen dan in andere bedrijfstakken – en daarmee de loonruimte – dan zouden bouwvakarbeiders naar andere banen om gaan zien. Tot 1958 kende de bouwnijverheid geen cao. De arbeids­voorwaarden werden vastgesteld door het College van Rijksbemiddelaars. Dit alles als uitvloeisel van de geleide loonpolitiek. Umrath had zijn bedenkingen tegen de geleide loonpolitiek, onder meer vanwege de ten onrechte ten toon gespreide wetenschappelijke pretentie. Toch heeft hij niet alleen kritiek: “De ‘grote’ Jan Berger, van het College van Rijksbemiddelaars, stelde zich redelijk soepel op. De lonen konden weliswaar niet omhoog maar wel kon er – in zijn ogen – wat gedaan worden aan de loonuitval tijdens de winter. Aan die suggesties hebben we het Risicofonds te danken, dat een uitkering verstrekt aan werknemers die vanwege de vorst niet kunnen werken. De premie daarvoor wordt geheel door de werkgevers opgebracht”.

Model
De Nederlandse vorstverletregeling heeft model gestaan voor een soortgelijke Duitse regeling. Tijdens een bijeenkomst van de Internationale Bond van Bouw- en Houtarbeiders (IBBH) in 1952 werd Umrath door Georg Leber, destijds hoofdbestuurder van de Duitse bouwarbeidersbond IG Bau-Steine-Erden, thans vice-voorzitter van het Duitse parlement, gevraagd een artikel te schrijven over de vorstverletregeling. Want dat kenden ze daar niet. Enige tijd later ontwierpen de Duitsers een ‘Schlechtwetterregelung’. Ook op andere terreinen wisten de bouwbonden resultaten te boeken. De vakantie­regeling bijvoorbeeld was een tijd lang beter dan elders. Iedereen ging ook, omdat er een verplichte bedrijfssluiting was. In tegenstelling tot Duitsland, waar veel mensen aan het werk bleven.
Als reden voor de naar verhouding goede secundaire arbeidsvoorwaarden kan genoemd worden, de verhouding tussen werkgevers en werknemers. Die staken heel gunstig af ten opzichte van andere bedrijfs­takken. “Dura was een vent, zegt Umrath “en Nelissen was heel prettig”. De goede verhoudingen bestonden ook tussen de drie erkende bouwbonden, zeker tussen hun bondseconomen. Wil Albeda, van de Nederlandse Christelijke Bouwbedrijfsbond (NCB), Jan Loeffen later Paul Janssen van St. Joseph en Heinz Umrath konden goed met elkaar overweg. Umrath: “Albeda heeft me gevraagd als paranimf bij zijn promotie tot doctor in de economie. Tegen Janssen heb ik eens gezegd: je bent verkeerd georganiseerd”. Zijn gevatte antwoord luidde: “We zijn allemaal verkeerd georganiseerd.” Ook binnen het NVV werkte Umrath prettig samen met de loondeskundigen van andere bonden, die gezamenlijk de looncommissie vormden. Zij het dat de voorzitter van deze commissie, Ad Vermeulen, een zeer autoritair man mag worden genoemd, die weinig samenspraak duldde.
Zijn opvolger, Van Tilburg, stond die samenspraak wel toe. “Het spande wel eens” – zegt Umrath – “in de commissie. Als de loonruimte echter was vastgesteld, dan mocht je hem zelf invullen. Maar die vrijheid was minder groot dan het lijkt. Je wilde namelijk in de buurt van de metaal blijven om niet leeggezogen te worden.”

Productiviteit
Loonruimte en productiviteitsstijging horen bij elkaar. De loonruimte wordt bepaald door de stijging van de productie per werknemer. Vandaar dat Umrath steeds weer een pleidooi voert voor verbetering van de werkorganisatie in de bouw. In een nummer van Stuwing uit 1955 heeft hij dat gedaan op de volgende wijze; een wijze die de mensen die ‘Een broodje beton’ kennen zeer bekend in de oren zal klinken. “Nog dagelijks worden ontelbare manuren verspild en gebeuren er meer dan honderd ongevallen per dag op bouwplaatsen (…) omdat vaak het meest elementaire begin van organisatie ontbreekt. Dat geldt niet alleen voor minder belangrijke werken, uitgevoerd door kleine aannemers. Nog onlangs stond een groep van veiligheidsdeskundigen versteld van de rommel en de onveiligheid op een zeer prominent bouwwerk in het westen van het land. Vaak is het bouwterrein één modderpoel, waarin door het vastraken van mensen en transportmiddelen kostbare tijd verloren gaat. (…) Jaar in, jaar uit gaat men door met de oude sleur. Moderne methoden van planning en arbeids- en tijdstudie worden serieus slechts bij uitzondering toegepast. (…) Het gevolg is dat steeds weer de oplossing daar wordt gezocht, waar deze zonder verandering van de technische methoden van de organisatie en daarmede van de mentaliteit kan worden gevonden, namelijk door langer en met meer inspanning te werken.”

(Eerder verschenen in Stuwing, jaargang 6, nr. 3, 1982)