Het geheugen van de vakbeweging

EVV leiders in 2012 verzameld op het podium voor het gebouw van de Europese Raad in de Wetstraat in Brussel. EVV algemeen secretaris Bernadette Ségol sprak de demonstranten toe

Persoonlijke Brusselse ervaringen van Harrie Bijen

Folderen en polderen in Europa

Tijdens de lancering van de website Vijftig vakbondsverhalen.nl  op 23 januari 2018 werd er weer eens naar verwezen. De vakbeweging moet folderen én polderen. In eigen land, maar ook op Europees niveau. Harrie Bijen beschrijft zijn ervaringen met de Sociale dialoog als algemeen secretaris van de Europese Federatie van Bouw- en Houtarbeiders.

Het Nederlandse poldermodel dat inmiddels behoorlijk gehavend is heeft ook in de Europese Unie een pendant. Het is daar de sociale dialoog  van sociale partners. Werkgevers en werknemers kunnen trachten tot overeenstemming te komen over richtlijnen voor sociaal beleid. Als er een akkoord is dan moet de Europese Commissie dat als uitgangspunt nemen voor een voorstel aan het parlement en de Raad. Waarna het omgezet moet worden in nationale wetgeving.

Het was vastgelegd in het sociale protocol bij het verdrag van Maastricht (1991). Het was een poging aan de kritiek op europa van vooral de vakbeweging, dat de EU geen sociale pijler had, tegemoet te komen. Nu is het vastgelegd in het verdrag over de werking van de EU. Tot nu toe zijn er vier richtlijnen tot stand gekomen op sectoroverstijgend niveau. De laatste dateert van 1999 over arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.  Daarna werd het stil. De werkgevers verenigd in BusinessEurope zijn niet meer bereid mee te werken aan wetgeving waar ze geen of onvoldoende grip op hebben. Het Directoraat sociale zaken en werkgelegenheid van de Commissie heeft daarna de aandacht verlegd naar de dialoog op sectoraal niveau.

Richtlijn detachering

Harrie Bijen, auteur van dit artikel

Met de sectorale dialoog had ik als algemeen secretaris van de Europese Federatie van Bouw- en Houtarbeiders mee te maken (2000-2007).  De EFBH was al behoorlijk succesvol bij de totstandkoming van de richtlijn detachering (1996). Die kwam er voor de sector bouw omdat EFBH en FIEC, de werkgeverskoepel voor de bouw, een gezamenlijk standpunt inbrachten bij de Europese Commissie, het Parlement en de Raad.

De bouw was en is vooral nationaal gericht met overwegend midden- en kleinbedrijf. Grote internationale bouwers zijn er wel en spelen vooral een rol bij de grote projecten vooral in de infrastructuur. Uitbesteding en onderaanneming zijn nu normaal. Openbare aanbestedingen voor grote opdrachten moeten europees gebeuren. In dat klimaat maakte ik kennis met de president van FIEC, Herr Doctor Wilhelm Küchler. Een statige man, klein van gestalte maar hij straalde wel gezag uit. Mijn voorganger Jan Cremers introduceerde mij bij hem. Herr President beloofde de goede verhoudingen ook in de komende jaren voort te zetten in de sociale dialoog bouw. Geheel in stijl van de Soziale Marktwirtschaft waar hij als CDU-senator in Hessen mee vertrouwd was. Küchler was zelf aannemer geweest en had toen ervaren hoe sociale dumping ook zijn bedrijf in de problemen had gebracht. Na de Wiedervereinigung  (1989) werden Duitse bouwplaatsen overspoeld met Poolse bouwvakkers. Formeel kon dat nog niet, maar als je kon aantonen dat je Duitse roots had was het geen probleem. Dat was al mogelijk als je binnen de grenzen van het Duitsland van vóór 1945 woonde.

Jan Cremers, voorganger Harrie Bijen als algemeen secretaris Europese Federatie van Bouw-en Houtarbeiders

De general director van FIEC, mijn opposite number , was meer het type van de jurist  en ultra liberaal. Hij kon mijn collega’s behoorlijk op stang jagen met provocatieve opmerkingen. Met hem kon ik wel werken omdat ik de stelling betrok dat we als werkgevers en werknemers een reeks gedeelde problemen hadden. De toekomst van de sector bouw, kwaliteit, innovatie, vakopleidingen, veiligheid en gezondheid en de reputatie van de sector. We kunnen 340 dagen per jaar samenwerken maar we kunnen als het moet ook 25 dagen staken.

We lanceerden studies naar de feitelijke werking van de richtlijn detachering. Gebleken was dat daar grote lacunes in zaten die op grote schaal gebruikt werden. Op basis van de conclusies deden we voorstellen aan de Commissie om een betere naleving te bewerkstelligen. Daarbij bleek steeds dat de werkgevers zeer nationalistisch waren in hun reflexen. Buitenlandse bedrijven moeten vooral wegblijven uit hun eigen markt.  Maar wel wilden ze graag gebruik maken van goedkope  werkers uit Oost-Europa.  Een regiment advocaten leerde ze wel hoe dat moest. Tot op de dag van vandaag is het een probleem. Bij de Commissie was er verdeeldheid intern. DG Interne Markt wilde niets aanpassen, het Nederlandse ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid was meer bereid tot aanpassingen. Maar de vrije marktideologen in de Commissie hadden de overhand. In ambtelijk stukken werden CAO’s  zelfs als kartelvorming aangemerkt!

European Construction Forum

Op deze punten was het samenwerken met FIEC redelijk te doen. De rol van de meer Rijnlands ingestelde werkgeversorganisaties was constructief. Verandering kwam toen de Duitse voorzitter plaats moest maken voor een Franse werkgever. De patrons moesten niets hebben van al dat gepolder met vakbonden. Voor het secretariaat van FIEC werd het ook moeilijker vrij te opereren. Een project om een gezamenlijke meertalige  databank en website op te zetten over alle regelingen met betrekking tot de arbeidsregelingen in de bouw kon alleen als het gedaan werd door een Frans advocatenkantoor. Dat werd een ramp:  zij hadden geen kennis en geen feeling met de thematiek. Het heeft lang geduurd voor er een enigszins redelijk resultaat was.

Naar de Commissie toe werkten we behoorlijk samen.  We namen deel aan het European Construction Forum dat gesprekspartner was voor DG Industrie en DG Interne Markt. Dat was soms een nuttige bron van informatie. Dat bleek toen Commissaris Frits Bolkestein (Interne Markt) de zogeheten Dienstenrichtlijn voorbereidde. Een ambtenaar gaf aan ECF een inkijk in de opzet. En gaf een duidelijke waarschuwing dat die richtlijn verstrekkende gevolgen zou hebben. Kamerbreed waren de werkgevers in die bijeenkomst geschokt. Vrije markt was best maar dit ging te ver. Stel je voor dat een bedrijf uit een van de nieuwe lidstaten bij ons kon werken op basis van wetten en regels uit hun herkomstland. Dat zou een enorm concurrentienadeel voor hen betekenen want wetten regels waren daar uiterst zwak. In het werkgeverskamp stonden zij tamelijk alleen want BusinessEurope zag er niet zo’n probleem in. Maar zij hadden als sectororganisaties geen stem in de BusinessEurope en waren ook geen lid. Daar waren de VNO-NCW’s in Europa lid van.  Aan vakbondskant was in eerste instantie ook geen rood licht gaan branden.  De betrokken secretaris van het EVV  redeneerde, nou ja het is toch het voltooien van de Europese interne markt, nu voor diensten.  De Europese federaties, wel lid van het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) moesten  het bestuur tot een andere koers aanzetten.

Catelene Passchier: uitstekend lobbywerk

Een andere secretaris, Catelene Passchier, nam deze taak over en deed samen met EFBH en andere federaties uitstekend lobbywerk in het parlement. EFBH maakte met FIEC een gezamenlijke reactie die ook op nationaal niveau werd gebruikt om parlementen te bewerken. Toch waren wij van mening dat we meer op de trom moesten slaan. Een voorstel van ons een grote demonstratie te houden tijdens een bijeenkomst van de Raad wees het EVV af. Dat was te vroeg . EFBH deed dat toen maar zelf met de onmisbare hulp van de Belgische bonden. In een hoorzitting  van het Europese Parlement  gaven Küchler en ik elk afzonderlijk een negatief commentaar op de ontwerp-richtlijn dat in hoge mate parallel liep.

Demonstraties

Het EVV heeft later In Brussel en in Straatsburg  grote demonstraties  georganiseerd die er aan bijdroegen dat het Parlement de angel uit het ontwerp haalde. Het werklandbeginsel  verving het woonlandbeginsel. Ieke van den Burg (1952-2014) was als lid van het Europees Parlement (PvdA) daar ook heel actief in. Demonstraties zie ik maar als folderen, het versterkt de kracht van de lobby, het polderen. Maar het is wel nodig om te laten zien dat je opkomt voor je belangen. De lobbyisten en onderhandelaars kunnen zich gesterkt weten dat zij spreken namens heel veel mensen.

Ook op andere terreinen konden we samenwerken. Zo was de aanpak van zwartwerk een thema waar een vergelijkend onderzoek aan werd gewijd.  Maar op een essentieel onderdeel stuitten we op een grens .De EFBH wilde een aanbeveling om de ketenaansprakelijkheid voor de hoofdaannemer opnemen. Dat ging een groot aantal FIEC leden te ver en kwam er dan ook geen gezamenlijke slotverklaring. Overigens lieten individuele vakbondsleden buiten vergaderingen om soms merken dat ze niet zaten te springen om een harde aanpak van zwartwerk!

Internationale solidariteit is uiteraard voor vakbonden van levensbelang. Samenwerken over de grenzen van landen en sectoren is broodnodig om de belangen van werkende mensen te verdedigen. Maar in de praktijk is het toch nogal eens lastig. Niet altijd zitten we op een lijn. Bijvoorbeeld toen de Commissie een richtlijn inzake chemische stoffen (REACH) voorbereidde, zat de Europese Federatie voor de chemische industrie samen met vooral de Duitse  werkgevers in de lobby voor een afgezwakte versie. Als enige in het EVV. De EFBH had op dat gebied geen eigen expertise in huis. Dank zij het inschakelen van de Chemiewinkel van de UvA kon er toch een advies aan de rapporteur van het Europees Parlement worden aangeboden.

Schakelfunctie voor Europese vakbondsorganisaties

Een levensgroot probleem voor de Europese polder is dat het nationale terrein toch vaak dominant is.  Elke organisatie hetzij werkgevers of werknemers, is stilletjes toch van mening dat de eigen aanpak toch wel iets beter is. Nationalisme en trots op het eigene is geen enkele organisatie vreemd. Dat verduistert nog al eens een open oog voor een betere praktijk in een ander land. Nou ja in heel wat gevallen valt in een ander land wat te leren. Daar moeten Europese vakbondsorganisaties een schakelfunctie in vervullen.

Wel is bijzonder lastig dat nationale organisaties als ze vertrekken uit Brussel niet altijd gehouden zijn of zich verplicht voelen om thuis een effectieve follow up te geven aan besluiten en conclusies.

Tot slot, Europese Vakbondsfederaties zoals de EFBH kunnen alleen effectief werken als ze door de grote lidorganisaties voluit gesteund worden, als ze menskracht, expertise en (financiële) middelen krijgen om hun rol te vervullen. In 2000 werkten er meer mensen in de keuken van het hoofdkantoor van de Duitse vakbond dan op het EFBH secretariaat!

Europa moet, wil het de steun van de mensen behouden, veel democratischer worden en vooral ook veel socialer. Dat is vanaf het begin de eis geweest van de vakbeweging in heel de EU. En daar moet aan gewerkt blijven worden.

Harrie Bijen
(van 2000 tot 2007 algemeen secretaris van de Europese Federatie van Bouw- en Houtarbeiders)

Februari 2018