Het geheugen van de vakbeweging

Rosa Kösters: “Waardering voor handwerk verminderde, maakte plaats voor hoofdwerk en dat ging gepaard met meer ellebogenwerk en stimuleerde concurrentie en competitie tussen werknemers. “


De transformatie op de werkvloer, 1973-1985

Hand- en ellebogenwerk
bij Hoogovens en Philips

Samenvatting

We werken in Nederland steeds vaker in flexibele arbeidsrelaties, in flexibele contracten en op flexibele tijden. Dit brengt grote uitdagingen met zich mee, want de groeiende groep flexwerkers kampt met grotere inkomensonzekerheid en lagere inkomens. Nederland valt binnen deze internationale trend bovendien op, want van de landen in West- en Zuid-Europa kent het inmiddels het hoogste percentage tijdelijke werknemers. De opkomst van flexibilisering is onderdeel van een bredere transformatie in werk en arbeidsverhoudingen, die haar oorsprong vindt in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw. Over die transformatie is nog heel weinig bekend. De scriptie Hand- en ellebogenwerk kijkt daarom hoe werk bij Hoogovens en Philips tussen 1973 en 1985 veranderde, welke gevolgen de veranderingen hadden en hoe werknemers en vakbeweging daarop reageerden.

Uit dit onderzoek blijkt dat in de twee industriebedrijven een stapsgewijze omslag plaatsvond van segmentatie naar fragmentatie van de arbeidsmarkt. Die verandering kreeg vorm met de afbraak van het oude systeem van zekerheid, regelmatig en gereguleerd werk gebaseerd op een formeel arbeidscontract. Daarmee is ook voor het eerst de vroege geschiedenis van flexibilisering en de wijze waarop deze in de Nederlandse industrie intrede deed in kaart gebracht. Hoogovens en Philips, twee bedrijven met een sociaal imago en een belangrijke voorbeeldfunctie binnen de nationale economie, bleken al in de loop van de jaren zeventig met flexwerken te experimenteren en dat is veel vroeger dan we veelal denken. Inmiddels zijn vooral de dienstensectoren vooral aan sterke veranderingen onderhevig, maar de opkomst van flexibelere, informele arbeidsverhoudingen voltrok zich dus net zo goed in de industriesector.

Dit historisch onderzoek is zeer actueel. Het laat zien dat met de omslag van segmentatie naar fragmentatie en de opkomst van flexibilisering de kloof tussen verschillende soorten personeel toenam. Laaggeschoold werk droeg in afnemende mate de belofte van stabiliteit en vooruitgang. De waardering voor handwerk verminderde, maakte plaats voor hoofdwerk en dat ging gepaard met meer ellebogenwerk: de stimulering van concurrentie en competitie tussen werknemers. Het geheel levert onthullende inzichten op die tot nadenken stemmen over de kloof tussen laag- en hoogopgeleiden, over management- en salarissystemen als sfeermakers op de werkvloer en over de ethische aspecten van gastarbeid – zowel voor gastarbeiders als voor Nederlandse werknemers. Vanuit het perspectief van de werkvloer ontwart de scriptie de complexe dynamiek tussen werkgevers, werknemers en vakbeweging.

Conclusie

In dit onderzoek naar de transformatie in werk in de lange jaren zeventig stonden de intermenselijke verhoudingen binnen de context van de alledaagse werkvloer bij Hoogovens en Philips centraal. Het verzet zich tegen de dominante veronderstelling dat aanpassingen in de structuur van de economie en de daaruit voortvloeiende effecten vanzelfsprekend zijn.

Op de vragen hoe en waarom veranderingen ingang vonden en hoe die uitgevochten zijn, is een antwoord gezocht. Het onderzoek spitste zich toe op de beginperiode, de fase waarin de afbrokkeling van de standaar­darbeidsrelatie als geldende norm zich voltrok. Ondanks de verschillen tussen Hoogovens en Philips vond binnen beide bedrijven een gemeen­schappelijke ontwikkeling plaats. De lijn die we hieruit kunnen trekken, is dat we de aard van de transformatie ter discussie moeten stellen.

Ten eerste is duidelijk geworden hoe de organisatorische herstructurering van Hoogovens en Philips gepaard ging met een verkleining van het personeelsbestand, nieuwe beloningssystemen, interne en externe flexibilisering en automatisering. De houding ten opzichte van het personeel veranderde. In de loop van de jaren zeventig zien we de eerste tekenen van wat een structurele verslechtering van de positie van werknemers zou worden. Dit ging samen met de vergaande stimulering van onderlinge competitie. In de jaren tachtig deed de infor­mele arbeidsrelatie zijn definitieve intrede door een combinatie van concrete veranderingen in de bedrijfsorganisatie en het politiek beleid. Tegenover de aanname dat de transformatie in de kern werd aange­dreven door sociaaleconomische processen, plaatst dit onderzoek het idee dat het handelen van bedrijven en politiek minstens een even groot aandeel had. Ook het inzicht dat deze ontwikkeling zich in de loop van de jaren zeventig binnen de industriesector voltrok, verandert het beeld van de transformatie in werk. De vroege geschiedenis van flexibilisering ligt niet in de jaren tachtig, maar in het decennium daarvoor. Hoewel de dienstensectoren inmiddels vooral aan sterke veranderingen onderhevig zijn, voltrok de opkomst van flexibelere, informele arbeidsverhou­dingen zich net zo goed in de industriebedrijven. Bij Hoogovens en Philips, die bekend stonden om hun sociale klimaat en een belangrijke voorbeeldfunctie hadden binnen de Nederlandse economie, werd hier al vroeg mee geëxperimenteerd.

Afbraak standaard arbeidsrelatie

De methode waarmee dit onderzoek het verloop en de gevolgen van de afbraak van de standaardarbeidsrelatie in kaart heeft gebracht, onthult een tweede, belangrijke uitkomst. De geschiedenis die aan het licht gekomen is, bevestigt dat we individualisering als abstract proces moeten problematiseren. De individualiseringsthese verwijst naar de onthechting tussen individu en samenleving, waardoor klassieke maat­schappelijke verbanden verbrokkelen. Dit onderzoek laat zien dat de afbrokkelende collectiviteit onder werknemers op de vloer niet een direct gevolg was van economische achteruitgang, maar andere aanwijsbare oorzaken kende. De veranderende inrichting van de bedrijfsorganisatie en nieuw politiek beleid leidden tot de informele arbeidsrelatie en nieuwe beloningssystemen; werknemers dreven hierdoor verder uiteen. De verdeeldheid onder diverse groepen werknemers kreeg de overhand en daarom voerden zij in de loop van de lange jaren zeventig minder actie.

Laaggeschoold werk droeg in afnemende mate de belofte van relatieve stabiliteit en vooruitgang. Het perspectief van de verslech­terende positie van laaggeschoold personeel toont in detail hoe de verhoudingen tussen werknemers op scherp kwamen te staan. Naast de onzekerheid over het voortbestaan van banen bevonden zich onder het nieuw geworven personeel veel buitenlanders. Collega’s met een niet-Nederlandse afkomst werden in toenemende mate als bedreiging waargenomen, waardoor het ongenoegen over hun aanwezigheid groeide. Daardoor groeiden de oude tegenstellingen tussen perso­neelsleden uit het primaire en uit secundaire segment. Tevens maakte diezelfde baanonzekerheid in combinatie met de onvrede over belo­ningen mannelijke werknemers wantrouwig tegenover vrouwelijke werknemers. Gelijktijdig gingen vrouwen zich onder de vlag van de vrouwenbeweging als eigen groep organiseren. Daarnaast droeg het spanningsveld waarin laag- en hoogopgeleiden opereerden bij aan de veranderende verhoudingen tussen werknemers. De verdeeldheid tussen beide groepen nam wegens diverse redenen toe. Vakbondsacties voor inkomensnivellering voerden de druk op, omdat het beter betaalde personeel zich daarin niet gehoord voelde. Nieuwe salarissystemen kenden handwerk steeds minder erkenning toe en ervaring ging sterk concurreren met diploma’s. Met de automatisering nam de behoefte aan vakmanschap af. De zeggenschap op de werkvloer verschoof naar diegenen met verstand van procesmanagement, informatiesystemen en prestatiemetingen. Dit alles leidde tot onvrede onder laagopgeleiden over hun veranderende positie, waardoor hoog- en laagopgeleid perso­neel steeds vaker tegenover in plaats van naast elkaar kwamen te staan. Tot slot ondermijnde de opkomst van de informele arbeidsrelatie de collectiviteit onder uitvoerenden, vaste en flexibele werknemers, binnen afdelingen en onder werknemers in het primaire segment.

Afnemende ledentallen vakbonden

De vakbonden speelden op hun eigen manier een belangrijke rol in die veranderende dynamiek van de werkvloer. De ledentallen en de motivatie onder vakbondsleden van de Industriebonden van het NVV, het NKV en later de FNV namen in de loop van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig af. Waar individualisering als maatschappe­lijk proces te kort schiet in het verklaren van deze ontwikkeling, bieden de observaties uit dit onderzoek wel inzicht. Ten eerste hadden met name de Industriebonden van het NVV en de latere FNV voortdurend te kampen met interne conflicten. Daarnaast veranderde de relatie tot (potentiële) leden op de werkvloer om verschillende redenen. Vanaf het begin van de jaren zeventig kregen werknemers niet altijd de steun van vakbonden bij wilde acties, die vaak gericht waren op andere thema’s dan vakbondsacties. Begin jaren tachtig constateerde de Industriebond FNV dat het toenemend aantal hoger opgeleiden en de afbouw van het vakliedenbestand, de traditionele achterban, problemen opleverde voor het ledenbestand. Essentiëler is misschien wel het feit dat de organisatie eind jaren zeventig en begin jaren tachtig weinig oog leek te hebben voor de problematiek die hun achterban trof. In de loop van dat decennium verschoven de bonden de aandacht van de werkvloer naar de politiek. Vakbondsbestuurders gingen veel meer op nationaal niveau in gesprek om via die weg verandering te bewerkstelligen en binnen de Industriebond FNV kreeg de strijd voor werkgelegenheid prioriteit. Het streven naar arbeidsduur- en arbeidstijdverkorting bleek soms moeilijk te rijmen met de behoefte aan erkenning voor de gevolgen van het veranderende werk. De politieke acties en sociale akkoorden stonden in de praktijk ver van de ontwikkelingen en de werknemers op de vloer.

Historische vragen

Om tot deze conclusies te komen, zijn twee historische vragen samengebracht: de politieke vraag wat individualisering inhoudt en de sociaaleconomische vraag hoe de afbraak van de standaardarbeids­relatie heeft plaatsgevonden. In de beantwoording van beide vragen bood de theorie over segmentatie van de werkvloer en de arbeidsmarkt houvast en werkte het onderzoek met politiekhistorische methoden en sociaaleconomische methoden. De materialistische benadering van belangen kwam samen met een politiek-institutionele benade­ring van ideeën. De werkvloer is naar voren geschoven als de plaats waarop macro- en meso-bewegingen samenkomen, waar economische, politieke, sociale en culturele conjuncturen de ontwikkelingen in arbeidsverhoudingen, de arbeidsmarkt en de bedrijfsorganisatie treffen. Door de werkvloer als analytisch uitgangspunt te nemen, neemt mijn onderzoek ook menselijke verwachtingen en menselijk handelen mee. Deze aanpak laat vragen, methoden en perspectieven uit zowel de soci­aaleconomische als politieke historiografie samenkomen, met het doel de wetenschappelijke dialoog tussen beide velden vooruit te helpen. De beide vakgebieden hebben zich in Nederland grotendeels van elkaar afgezonderd. Dat onderzoekers hierdoor kansen laten liggen, blijkt uit de signalen vanuit de disciplines dat een (nieuwe) ontmoeting gewenst is. Mijn benadering geeft een voorzet om het debat in beweging te krijgen en biedt een nieuwe blik op hoe die wetenschappelijke dialoog vorm kan krijgen. Daarbij onderschrijven de uitkomsten van mijn werk de relevantie van gecombineerd onderzoek naar de maatschappelijke, politieke en economische ontwikkelingen sinds de jaren zeventig.

Op die horizon van vervolgonderzoek doemen verschillende vragen op. Deze scriptie nam als uitgangspunt dat weinig bekend is over hoe en waarom die politieke en economische veranderingen in laatste kwart van de twintigste eeuw ingang vonden. Hoewel een aantal stappen is gezet, geldt deze constatering met de afronding van dit onderzoek nog. Deze scriptie richtte zich alleen op de duiding van de beginperiode van de transformatie en toont dat onderzoek naar ontwikkelingen op de langere termijn wenselijk is. Hoe de informele arbeidsrelatie intrede deed, was niet vanzelfsprekend en hetzelfde geldt voor hoe het nieuwe werken in de daaropvolgende decennia opmars maakte. Het inzicht dat de opkomst van flexibelere, informelere arbeidsverhoudingen parallel liep met de groei van de dienstverlenende sector, maar zijn oorsprong kende in industrie, wekt de indruk dat (vergelijkend) onderzoek naar diverse sectoren relevant kan zijn. Hoe, waarom en wanneer vond de transformatie in werk in verschillende economische sectoren ingang en hoe verhielden veranderingen in die sectoren zich tot elkaar?

Bovendien heeft deze scriptie aangetoond dat de invloed van de organisatie van werk en inkomen substantieel is en daarom aandacht verdient in toekomstig onderzoek naar het politieke en maatschappe­lijke klimaat sinds de jaren zeventig. Dit vraagt ook om vervolgonder­zoek waar de werkvloer als analytisch perspectief nog sterker wordt gekoppeld aan de historische context van de lange zeventiger jaren. Dat zou nog beter licht werpen op de vraag hoe en waarom veranderingen ingang vonden. De discussie over de aard van de transformatie duurt daarmee voort. Een mogelijke conceptuele stap voorwaarts ligt tot slot in het debat over wat de informele arbeidsrelatie precies kenmerkt. Salarissystemen bleken in dit onderzoek een belangrijke rol te spelen in de veranderende dynamiek op de werkvloer en tijdens de totstand­koming van de informele arbeidsrelatie. In de huidige discussie over de invulling van de informele arbeidsrelatie wordt aan deze factor echter weinig aandacht besteed. Dit onderzoek pleit daarom voor het verder ontwikkelen van het concept ‘informele arbeidsrelatie’ op theoretisch niveau, om inzicht te bieden in de wisselwerking tussen salarissys­temen, arbeidsrelaties, en veranderende verhoudingen op de werkvloer.

Onmisbare observaties

Ter afsluiting zijn enkele observaties over de maatschappelijke implicaties van dit onderzoek onmisbaar. Het inzicht dat aanpassingen in de structuur van de economie en de gevolgen daarvan niet vanzelf­sprekend zijn, beïnvloedt niet alleen het historisch onderzoek. Het geeft aanleiding tot een bredere discussie over hoe de transformatie in werk het gevolg is van concrete veranderingen in de bedrijfsorganisatie en het politiek beleid. Met dat besef komen we een stap dichterbij mogelijke antwoorden op vragen die de huidige arbeidsmarkt en maatschappij in hun greep houden en samenhangen met de transformatie in werk: wat te doen met de groeiende ongelijkheid tussen arm en rijk, de razendsnelle flexibilisering van de Nederlandse arbeidsmarkt en de onder druk staande kwaliteit van banen. In de praktijk van deze problematiek op de werkvloer en de bestudering daarvan liggen mogelijkheden voor de toekomst. Bovendien moet tegenover het idee van de verklarende kracht van een abstract proces als individualisering de vraag staan waar die individualisering vandaan komt, wat de oorzaak daarvan is.

In deze inzichten ligt eveneens een aanbeveling voor de vakbonden besloten. De vakbeweging in Nederland staat met de dalende ledentallen en de transformatie voor grote uitdagingen. De kwesties die op tafel liggen zijn niet eenvoudig. Het afsluiten van sociale akkoorden en de dialoog met de politiek zijn van belang, maar juist vanaf de werkvloer kan de organisatie meer grip krijgen op de transformatie in de wereld van werk. Daarbij wijst dit onderzoek uit dat in het bijeenbrengen en organiseren van verschillende groepen werknemers kansen liggen. In acties bleken werknemers in staat verschillen te overbruggen. De afnemende waardering van handwerk, dat plaatsmaakte voor hoofdwerk, ging gepaard met meer ellebogenwerk, concurrentie en competitie tussen werknemers. Juist acties vertalen onrust naar solidariteit en dragen de potentie te verbinden. Daar ligt de uitdaging voor de toekomst voor de vakbonden, om de geluiden van de werkvloer op te vangen en de handen van de werknemers ineen te slaan.

Rosa Kösters

winnaar Scriptieprijs voor de Vakbeweging 2018

De volledige scriptie is in pdf-formaat te downloaden