Het geheugen van de vakbeweging

Grote Europese vakbondsdemonstratie in juni 1983 in Stuttgart, waaraan ook FNV en Bouw- en Houtbond FNV deelnamen

Onder Dak! – FNV Bouw 1982-2015

GRENZELOOS ACTIEF

EEN SOCIAAL EUROPA STAAT LAAG OP DE POLITIEKE AGENDA

Begin jaren negentig begon de interne markt in Europa vorm te krijgen. Er werden maatregelen genomen om belemmeringen voor de onderlinge vrije handel weg te nemen. De lidstaten van Europa moesten elkaars productnormen voor gezondheid, veiligheid en milieu erkennen. Een gigantische kans voor het bedrijfsleven om nieuwe markten te veroveren. Maar de vakbonden waren niet enthousiast. Zij wilden dat er ook een sociaal programma kwam: Europa is er niet alleen voor de bedrijven maar ook voor de werknemers. De vraag was: wat moet dat inhouden? Moesten we streven naar een Europese verzorgingsstaat? Zou dat niet een te slap aftreksel worden van de nationale verzorgingsstaten, omdat lonen en uitkeringen in veel landen aanzienlijk lager waren dan in Nederland? 

In het najaar van 1993 kwam ik bij de Bouw- en Houtbond FNV en maakte kennis met de bouw. De bouw was een ‘nationale’ sector. Er waren niet veel buitenlandse bedrijven actief op de Nederlandse markt en de Nederlandse bouwbedrijven – met uitzondering van de baggeraars – bouwden vooral in eigen land. Maar er was voor de bond genoeg Europees werk te doen. Want individuele werknemers zochten wel het buitenland op. Er waren grenswerkers: Nederlanders die in Nederland woonden maar in België of in Duitsland werkten en omgekeerd. Voor hen maakte de bond overzichtelijke ‘paspoorten’, kleine boekjes in kontzakformaat waar alle regels en rechten overzichtelijk in stonden. Belangrijker was dat er steeds meer Engelsen, Ieren, Portugezen en ook Oost-Europeanen gesignaleerd werden op de Nederlandse bouwplaatsen. Verder was er ook in de bouw een schaalvergroting gaande: steeds meer bedrijven in de bouw- en houtsector werden multinationals. Dat betekende dat er ook Europese ondernemingsraden moesten komen. En ten slotte werd in Brussel gewerkt aan nieuwe richtlijnen, die van groot belang waren voor de werknemers in de bouwsector. Daar moest de bond natuurlijk bij zijn.

DE KOPPELBAAS TERUG

Dorette Corbey

Op zichzelf had de FNV niets tegen buitenlandse werknemers op Nederlandse bouwplaatsen maar er waren wel grote zorgen. Hun lonen waren aanzienlijk lager, waardoor Nederlandse werknemers snel zouden worden weggeconcurreerd. Daarnaast kwamen veiligheid en gezondheid in het nauw door gebrekkige communicatie als gevolg van taalproblemen. Vooral de Oost-Europese bouwvakkers reageerden niet op kreten als ‘stop’ of ‘ho’, laat staan op meer ingewikkelde commando’s. Er waren bovendien verhalen over slechte huisvesting van buitenlanders en te lange werkdagen.

Cao’s werden algemeen verbindend verklaard en golden dus ook voor buitenlanders.  Maar zo eenvoudig was het niet. Het bleek al snel dat een oud verschijnsel in nieuwe gedaante terug was: koppelbazen. In Duitsland en diverse Oost-Europese landen werden bouwvakkers geronseld en naar Nederlandse bouwplaatsen vervoerd. Zonder rechten, zonder goede loonafspraken. Ze bleken in dienst van een buitenlands uitzendbureau en werden betaald volgens daar geldende normen. Allemaal legaal, of bijna legaal. Dus ging de bond aan de slag om dit probleem in Brussel aan te kaarten. Daar vond hij steun bij de Europese Bond voor Bouw- en Houtarbeiders (EBBH). Gezamenlijk werd gepleit voor regelgeving om ervoor te zorgen dat de lonen en andere arbeidsvoorwaarden van het werkland toegepast moesten worden. De detacheringsrichtlijn kwam er – en dat was een grote overwinning.

DE DEENSE AANPAK

Door het Europese werk maakten we kennis met andere vakbondsculturen. Een groep steigerbouwers reisde bijvoorbeeld naar Kopenhagen om te kijken hoe de bond daar werkte. Niels, de voorman van de steigerbouwers in Kopenhagen, legde ons het Deense systeem uit. De meeste steigerbouwers waren zelfstandig, maar desondanks (vrijwillig) lid van de bond. Die maakte de prijsafspraken en zorgde ervoor dat er geen concurrentie op prijs plaatsvond. Een enkele keer kwam het voor dat er een steigerbouwer aan het werk ging die geen vakbondslid was. ‘Dan breken we gewoon zijn steiger af’, aldus Niels, ‘wij laten niet toe dat er onder de prijs gewerkt wordt’. Naast loonafspraken deed de Deense bond veel aan veiligheid en gezondheid en aan opleiding. Jongeren mochten pas op hun 25e steigerbouwer worden. Wie jonger begon had later grote kans op blessures en arbeidsongeschiktheid, zo was de gedachte. Daar zaten we dan in een bouwkeet, ergens in Kopenhagen, ’s ochtends om zeven uur. Diep onder de indruk. Van het effectieve optreden van de bond, van de aandacht voor vakbekwaamheid en opleiding, maar vooral ook van de beroepstrots die uit het verhaal van Niels sprak. Kon de Bouw- en Houtbond FNV een beetje Deenser worden?

ONDER DRUK

Veiligheid en gezondheid, opleiding en training, het stond in Nederland allemaal steeds meer onder druk. De detacheringsrichtlijn moest zorgen voor gelijk loon bij gelijk werk en voor gelijke arbeidsomstandigheden. Daar kwam helaas steeds minder van terecht. De buitenlandse uitzendbureaus namen als reactie op de detacheringsrichtlijn geen bouwvakkers meer in dienst. De bouwvakkers werden als zelfstandigen naar Nederland of naar Duitsland gestuurd. Daardoor was er geen recht op een cao-loon, geen minimumloon, en opleidingen deden er niet toe. Een ondermijning van de cao. De bond zou zich moeten aanpassen. Ofwel een radicale omslag naar Deens model en er zelf voor zorgen dat er eerlijke  lonen betaald werden ofwel het lobbycircuit in en zorgen dat de wetten werden aangepast. De bond koos voor het laatste. Helemaal geslaagd is dit niet: het is niet gelukt om arbeidsvoorwaarden van werknemers en zelfstandigen gelijk te trekken. De opkomst van zelfstandigen – ook steeds meer Nederlanders – ging in rap tempo door. Een troost: ook de Deense oplossing was niet makkelijk geweest. Maar het is nog altijd actueel om na te denken over nieuwe werkwijzen en organisatievormen: veiligheid, gezondheid, vakmanschap, eerlijke lonen zijn nog steeds niet vanzelfsprekend.

ONDERNEMINGSRAAD OP REIS

Medezeggenschap is van belang. Als werknemer maak je deel uit van een bedrijf en kun je via de ondernemingsraad adviseren en vaak ook meebeslissen. Maar wat als het moederbedrijf niet Nederlands is? In de jaren negentig werd de richtlijn over Europese ondernemingsraden goedgekeurd. De Europese vakbonden kregen budgetten om ontmoetingen te organiseren voor ondernemingsraadsleden uit verschillende landen. De EBBH was zeer actief op dit terrein. De Bouw- en Houtbond FNV motiveerde de ondernemingsraden van de internationale bedrijven Hollandse Betongroep (HBG) en PontMeyer om mee te doen aan proefprojecten. HBG had vestigingen in België en Engeland. PontMeyer was een internationaal bedrijf in de houtsector. Daarnaast was de bond betrokken bij de Europese ondernemingsraden van fabrikanten van bouwmaterialen, zoals Lafarge.

De Nederlandse ondernemingsraadsleden maakten kennis met hun collega’s uit andere landen. Ze reisden naar Brussel, Manchester of Nice met goede intenties over internationale solidariteit. Maar in de praktijk was solidariteit moeilijk te organiseren. Dat bleek vooral bij de productiebedrijven. Het voornemen van de sluiting van een vestiging in een van de landen leidt niet automatisch tot solidariteit: werknemersvertegenwoordigers van andere vestigingen zijn allang blij dat hun bedrijf open blijft. We werden daarom snel praktischer in onze aanpak. Informatie uitwisselen was al heel wat en dat leverde verrassende resultaten op. Vaak hadden Nederlandse ondernemingsraden meer informatie over strategische kwesties in hun bedrijf dan hun buitenlandse collega’s. Informatie over veilig werken, voorzieningen in het bedrijf om gezondheid van werknemers te bevorderen, beleid om ouderen gezond in dienst te houden, opleidingen – dat bleken de inspirerende thema’s te zijn.

SOCIALE DIALOOG

Ondertussen werd er in Brussel gewerkt aan nieuwe richtlijnen rondom arbeidstijden en veiligheid en gezondheid. Voor de bouw was de richtlijn ‘werken op hoogte’ van belang. Geen ladders meer maar veilige steigers. Er kwamen regels rondom houtstof en de schildersziekte OPS werd teruggedrongen door oplosmiddelen in verven te verbieden of te verminderen. De Bouw- en Houtbond FNV was erbij, rechtstreeks of via de EBBH dan wel de FNV. De FNV opende een kantoor in Brussel om ‘Sociaal Europa’ samen met het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) actief vorm te geven. Zo kon de FNV permanent aanwezig zijn, in het Europees parlement of bij de Europese Commissie. En zo nam de FNV ook deel aan de Sociale Dialoog, de gesprekken tussen werkgevers en werknemers op Europees niveau.

KRACHTEN BUNDELEN

Terugkijkend kan FNV Bouw trots zijn op de resultaten die geboekt zijn. Er is veel bereikt, ondanks het neo-liberale karakter van de EU. Het werklandbeginsel is inmiddels vanzelfsprekend en in de dienstenrichtlijn verankerd. Vakbonden worden gehoord in Brussel en hun inbreng vindt een weg naar de wetgeving die Europa produceert. Maar er is ook nog veel te doen. ‘Sociaal Europa’ staat erg laag op de politieke agenda. Concurrentie op arbeidsvoorwaarden vindt nog steeds plaats. Misschien is het tijd om na te denken over volgende stappen. In de internationale sectoren ligt het voor de hand om meer coördinatie te zoeken met de omringende landen. In de ‘nationale’ sectoren, zoals de bouw grotendeels is, is het zaak om het algemeen belang van opleidingen, goede arbeidsvoorwaarden, veiligheid en gezondheid nadrukkelijk te blijven agenderen. Daarvoor is het nodig de krachten te bundelen van werknemers en zelfstandigen, en van Nederlandse en buitenlandse bouwvakkers. Op landelijk niveau, maar het kan geen kwaad om de Deense werkwijze eens uit te proberen op kleinere schaal. De steigerbouwers uit Kopenhagen kunnen nog altijd een voorbeeld zijn.


Dorette Corbey (Eindhoven, 1957) is opgeleid tot verpleegkundige en heeft enige jaren in de gezondheidszorg gewerkt. Na de studie Sociale Geografie aan de Universiteit van Amsterdam kwam ze als onderzoeker in dienst van het Instituut Clingendael in Den Haag. In 1993 promoveerde ze op het onderwerp Europese integratie. Daarna werkte ze enige jaren als beleidsmedewerker Europese Zaken bij de Bouw- en Houtbond FNV tot ze in 1999 voor de PvdA werd gekozen in het Europees parlement. Ze diende twee termijnen en was onder andere woordvoerder milieu en volksgezondheid. Op dit moment is Corbey voorzitter van zowel de Commissie Duurzaamheidsvraagstukken Biomassa als het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit.