Het geheugen van de vakbeweging

VKAJ-districtraadsvergadering Amsterdam, Leida van Groenestein is aan het woord

Leida Wagenaer – van Groenestein, diocesaan leidster VKAJ (1955-1959)

“Graven wij waar we staan, want waar wij staan is ons Klondyke”

Leida van Groenestein was van 1955-1959 diocesaan leidster van de Vrouwelijke Katholieke Arbeiders Jeugd (VKAJ) in  de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland. Daar hield zij zich bezig met de emancipatie en de arbeidsomstandigheden van jonge werkende vrouwen. Vol enthousiasme vertelt zij over deze bijzondere periode, waarin het vakbondswerk voor meisjes en  jonge vrouwen binnen de Katholieke Arbeiders Beweging (KAB) werd opgebouwd. In Leida’s rijk gevulde boekenkast staan de ingebonden exemplaren van Ons Klondyke, de leidstersgids van het bisdom Haarlem. Het geeft een prachtig beeld van een periode waarin er veel moest worden gedaan voor het zelfbewustzijn van deze meisjes. En waarin de wereld om hen heen, inclusief de vakbeweging, zich nog moest realiseren dat deze meisjes er waren.

Zonder solliciteren een baan

Voor haar aanstelling als leidster en diocesaan voorzitster van de VKAJ, de ‘kajotsters’, had Leida geen sollicitatiebrief nodig. Zij had al jong haar sporen verdiend in het jeugdwerk voor meisjes in de Indische buurt, een arbeidersbuurt in haar geboortestad Amsterdam. Ze was daar leidster van de gidsen – de katholieke variant van padvinderij voor meisjes – en coachte collega-leidsters. Feministe avant la lettre, zoals ze zichzelf in die tijd omschrijft, liet ze haar stem helder klinken als het zaken betrof die ze als onrechtvaardig beoordeelde.

Het bisdom Haarlem was in die tijd op zoek naar een leidster voor de op te richten diocesane VKAJ en het stichten van afdelingen. De diocesaan aalmoezenier A. Huyboom nodigde haar uit voor een gesprek, dat bleek een sollicitatiegesprek te zijn. Dat ze weinig van werkende meisjes en de op te richten vereniging wist, was geen enkel bezwaar. Ze was zelf een werkende jongere. Voor de kennis die ze miste kon zij ‘in de leer’ bij de Katholieke Arbeiders Jeugd (KAJ), de VKAJ die al enige tijd bestond in de zuidelijke bisdommen en bij de Vlaamse zusterorganisatie, die volop functioneerde, goed gestructureerd was en naast activiteiten voor werkende meisjes ook allerlei kadercursussen kende. Ze startte haar werk in het van Nispenhuis, het gebouw van de Sint Jozefgezellen. Die hadden een andere werkmethode en kenden geen meisjesleden. Toen ze daar in de gang de praeses (voorzitter) van de Sint Jozefgezellen tegenkwam, zei deze “Wat kom jij hier doen?”.  Leida begreep de vraag niet helemaal en was te verbouwereerd om te antwoorden.

Geen blad voor de mond

Levenservaring, een Mulodiploma en haar praktische ervaring met het jeugdwerk, daar moest ze het mee doen. Met de handtekening van aartsbisschop Alfrink en een directe opdracht van bisschop Huibers van Haarlem, nam ze contact op met de pastoors in de steden en dorpen van haar diocees, dat zich uitstrekte over Noord- en Zuid-Holland en Zeeland. Ze reisde veel en kon dan niet elke avond meer naar huis. Ze nodigde zichzelf uit bij kajotsters thuis, informeerde in de parochies welke priester verantwoordelijk was voor het jongerenwerk, gaf hen een toelichting op de plannen en vroeg medewerking om de werkende meisjes afzonderlijk te organiseren.

Leida nam geen blad voor de mond en was niet bang wat olie op het vuur te gooien, door de meisjes te wijzen op onrechtvaardigheden en hen te motiveren mee te doen aan activiteiten en een eigen mening te vormen. Regelmatig stelde zij vragen als “Wat vind jij ervan?”, volgens de methode Zien-Oordelen-Handelen. Maar die praktische werkmethode, in plaats van de schoolse vorming, werd niet altijd op prijs gesteld, bijvoorbeeld als er kritiek werd geleverd op gebruiken en gewoonten in de kerk. “Die juffrouw Van Groenestein hoeft hier niet meer te komen” vond de jongerenkapelaan van Heerhugowaard, die over haar optreden had gehoord.

Vorming door actie

De VKAJ kon voor het jongerenwerk subsidie krijgen maar daarvoor moesten activiteiten worden ontplooid. Het was de taak van Leida dat te stimuleren. Bij de eerste bijeenkomst, de oprichting van een plaatselijke afdeling, lette ze daarom goed op de meisjes die geschikt waren voor een bestuursfunctie. Hun namen en adressen werden genoteerd en zij kregen een uitnodiging voor de kadercursussen. Die werden georganiseerd in vormingscentrum Vijverduin in Bloemendaal. De cursussen begonnen op vrijdagavond en duurden tot zondagmiddag. Sommige meisjes hadden nooit eerder deelgenomen aan weekendbijeenkomsten. Die cursussen keek Leida onder meer af van de leiders van de KAJ. Thema’s waren: hoe zet je een afdeling op, wat zijn de taken van de voorzitster, de secretaresse en penningmeesteresse van de afdeling, hoe gebruiken we de diocesane leidstersgids in de afdelingen. De parochiële / plaatselijke bestuursleden werd geleerd hoe ze een gesprek moesten leiden, bijvoorbeeld aan de hand van een gespreksonderwerp in de leidstersgids Ons Klondyke. De voorzitsters werd geleerd hoe ze een vergadering moesten voorbereiden, zoals een agenda opstellen. De secretaressen leerden hoe ze een verslag moesten schrijven en de  penningmeesteressen hoe ze een kasboekje moesten bijhouden. Dat was een flinke verandering voor degenen die tot dan toe op KAJ-avonden alleen koffie hadden geschonken, bloemen in een vaas gezet en de afwas gedaan.

De katholieke werkwijze

Regelmatig was er bij de bijeenkomsten een aalmoezenier aanwezig. Leida verzocht hem altijd wat eerder te vertrekken omdat het gesprek pas echt op gang kwam als hij weg was. De meesten, jonge mannen met nog niet veel ervaring, vonden dat prima. Leida had ook een goede relatie met de Diocesane KAB, de Katholieke Arbeiders Beweging, voorloper van het NKV. Wat haar daarbij hielp was de goedkeuring van het episcopaat voor de oprichting van de VKAJ. In hun afdelingen en kringen kwam zij haar verhaal vertellen, met als slotzin: “Maar u moet ons wel financieel steunen”. Dat lukte haar goed.
In de parochies of plaatsen waar Leida heen ging, waren soms al betaalde leidsters voor de Mater Amabilisschool. Dan kwam de vraag: “Is dat vormingswerk soms niet goed genoeg?”. Het antwoord van Leida was: “Maar dit is wat de meisjes zelf kunnen doen.”  De (V)KAJ-slogan was: ‘vorming door actie’. De meisjes moesten zelfwerkzaamheid ontwikkelen. Daar werd in cursussen, ontmoetingsdagen en de leidstersgids voortdurend aandacht aan besteed. De (V)KAJ wilde een ‘school voor het leven’ zijn.

Wel meepraten, maar zelf niet mee mogen doen

Leida van Groenestein maakte als diocesaan voorzitster, met de vier leidsters van de andere bisdommen, deel uit van het landelijk bestuur van de VKAJ. In 1955 was besloten tot de inrichting van een Nationaal Secretariaat voor de VKAJ met een landelijke voorzitster en secretaresse. Beide ‘vrijgestelde’ leidsters hadden een ondersteunende functie voor de diocesane organisaties en hadden landelijk vertegenwoordigende taken voor de VKAJ. Jan Mertens, op dat moment secretaris van de KAB, zat in de nationale besturen van de KAJ en de VKAJ. Beide jongerenorganisaties waren aanvankelijk gehuisvest bij de KAB in het ‘Huis van de Arbeid’ in Utrecht.

In het landelijke VKAJ-bestuur werd mede beslist over de oprichting van vormingscentrum De Kopsche Hof. Hoewel Leida er zelf wel behoefte aan had, mocht zij tot haar verontwaardiging niet de cursussen voor jeugdleidster volgen die daar werden gehouden. “Het was toch vreemd, er moest een gesubsidieerde opleiding komen voor jeugdleidsters en ik mocht erover meepraten maar er niet aan meedoen! De VKAJ had naar mijn mening ook in die lesprogramma’s grotere invloed kunnen uitoefenen.”

Feiten, geen fabels

De meisjes werkten in confectieateliers, in fabrieken, in kantoren, in de verzorging, in winkels en in de huishouding. De VKAJ was vooral bezig met persoonlijke vorming en ontwikkeling, gericht op werk en vrije tijd. Voor het schoolse ‘lesgeven’ was in de methode en werkwijze van de (V)KAJ een andere, meer ondergeschikte, plaats ingeruimd. Uitgangspunten in de gesprekken waren de feiten. Hiervoor werden door het landelijk (V)KAJ-bestuur zogenaamde ‘feitenbladen’ ontwikkeld, waarop feiten, meningen en situaties door de meisjes zelf werden genoteerd en beschreven. Er werd geen genoegen genomen met ‘van horen zeggen’.  De ingevulde feitenbladen werden gebruikt bij de besprekingen in de pionierstersgroepen van de afdelingen. De (V)KAJ had zelfwerkzaamheid als uitgangspunt en hanteerde daarbij dus de werkmethode Zien-Oordelen-Handelen en dit resulteerde als vanzelf in Meepraten-Meedenken-Meedoen.

De band met de KAB en de aangesloten vakbonden kwam tot uiting in het meewerken van  vakbondsbestuurders aan de cursussen over vakbondswerk. Zij gaven voorlichting over vragen als: wat heb je eraan om lid te zijn van een vakbond? Wat betekent een cao voor jou? Op cursusavonden, in kadercursussen en in themabijeenkomsten werden ook deskundigen ‘van buitenaf’ gevraagd, bijvoorbeeld een arts voor seksuele voorlichting. Naar aanleiding van de inleiding door een arts kwamen ’s avonds gesprekken op gang van de meisjes onderling, bijvoorbeeld over seksuele intimidatie op het werk of incest.

Onderzoek naar meisjes in de huishouding

Met veel enthousiasme vertelt Leida over een landelijk onderzoek van de VKAJ in 1958 naar meisjes die als hulp-in-de-huishouding werkten en de sociale voorwaarden waaronder zij werkzaam waren. Dit gebeurde volgens de VKAJ-methode door de leidsters en leden er actief bij te betrekken. De vragenformulieren moesten bij enkele honderden katholieke meisjes van 14 tot 25 jaar worden uitgezet. Ook Leida ging daar in Amsterdam mee aan de slag. Zij vertelt: “In die tijd kwam elke ochtend een aantal meisjes uit Volendam die huishoudelijk werk deden in de gezinnen van de beter gesitueerden, bijvoorbeeld middenstanders waarvan de vrouw hielp in de zaak. Leidsters en leden van de Amsterdamse VKAJ werkten veelal in confectieateliers, op kantoor en in winkel. Maar de dagelijkse stoet van Volendamse meisjes was wel opgevallen en riep de vraag op of er ook meisjes uit de hoofdstad in de huishouding werkten. Districtsaalmoezenier pater Andries van Kempen stimuleerde een VKAJ- onderzoek, om daar een beeld van te krijgen. Dat gebeurde met de vragenformulieren in het kader van de werkmethode Zien-Oordelen-Handelen, die regelmatig werd gebruikt door de pioniers(ters)groepen van de (V)KAJ om feiten en meningen te verzamelen om op een eenvoudige wijze inzicht te krijgen in situaties. En het bleek dat er ook Amsterdamse meisjes in de huishouding werkten maar dat we die nog te weinig in de afdeling ontmoetten.” Het ging er vooral ook om de bewustwording van de meisjes zelf te stimuleren. Nadenken over je eigen omstandigheden en daardoor in actie komen. Aan de resultaten van het onderzoek werd uitgebreid aandacht besteed in het damesblad Beatrijs. Meer informatie over het onderzoek is hieronder te lezen.

Ledenwerven en naar Rome

Door de (V)KAJ werd ook een reis naar Rome georganiseerd. Deze reis werd uitgevoerd door de Reiscentrale van de KAB. Leida ging als begeleidster van de reis mee met de trein van het bisdom Haarlem. De propagandadienst van de KAB had  bedacht dat de deelneemsters kilometers konden sparen door het aanwerven van vakbondsleden. Jongere leden van katholieke vakbonden waren automatisch lid van de (V)KAJ. De landelijke KAB droeg een deel van de vakbondscontributie af aan de (V)KAJ.

De KAJ en de VKAJ waren geen gewone vakbonden, vertelt Leida: “De KAJ en VKAJ waren enerzijds diocesane, nationale en internationale verenigingen en anderzijds ‘bewegingen’ van werkende jongeren, die invloed hadden via elke kajotter/kajotster op de plaats waar hij of zij staat. Vandaar de naam Klondyke. Naast leden kende de (V)KAJ ook sympathisanten, die nog geen lid waren maar wel werden ingeschakeld bij een aantal activiteiten. Daar paste ook weer een leus bij: Voordoen-Meedoen-Nadoen. Dat moesten ze vaak en goed uitleggen aan de vakbondsbestuurders die ze betrokken bij ontmoetingsbijeenkomsten. Hierin verschilde de KAJ van De Jonge Werkman en de St. Josephgezellen in het bisdom Haarlem, daar telden alleen de ledentallen.

Groei van de VKAJ en ‘Ons Klondyke’

In het bisdom Haarlem was Leida begonnen als enige ‘vrijgesteld leidster’. Zij richtte afdelingen op en bracht een ‘districtswerking’ tot stand. Toen zij na vijf jaar vertrok waren er vier vrijgestelden. Intussen was het bisdom Rotterdam afgesplitst van het bisdom Haarlem. Daardoor werd het werkgebied van Leida een stuk kleiner. Echter, dat kon pas worden gerealiseerd nadat de besturen van KAJ en VKAJ voor de nodige financiële middelen hadden gezorgd, waarmee collega’s konden worden aangesteld.

Nog steeds verontwaardigd haalt Leida het boek van Jan Peet uit de kast, Het uur van de arbeidersjeugd. Emancipatie van de werkende jongeren in Nederland. Hierin staat: “…Mejuffrouw Van Groenestein deed haar best…”, maar er staat niet, dat na haar vijf arbeidsjaren, de VKAJ in Noord- en Zuid-Holland en Zeeland stevig was gevestigd met afdelingen, districten, afdelings- en districtsleidsters, een maandblad en een staf van vier vrijgestelde leidsters. Een prima resultaat van hard werken.

Om de afstemming te regelen van artikelen die in alle diocesane leidstersgidsen werden geplaatst werd er op landelijk niveau een redactieraad gevormd. Voor het bisdom Haarlem was de leidstersgids het maandblad Ons Klondyke, genoemd naar een plaats in Canada waar eind 19e eeuw goud werd gedolven. Voor de leden van de KAJ en VKAJ in het Haarlemse bisdom gold de spreuk: “Graven wij waar we staan, want waar wij staan is ons Klondyke”.

Els Brouns en Tineke van der Kraan,

september 2017


Dienstmeisje is geen saai beroep

VKAJ-onderzoek naar meisjes in de huishouding

In 1958 werd er een landelijk onderzoek gedaan door de VKAJ in 1958 naar meisjes die als hulp-in-de-huishouding werkten en de sociale voorwaarden waaronder zij werkzaam waren.
Dit gebeurde volgens de VKAJ-methode door de leidsters en leden er actief bij te betrekken. In 1958 werd er een landelijk onderzoek gedaan door de VKAJ naar meisjes die als hulp-in-de-huishouding werkten en de sociale voorwaarden waaronder zij werkzaam waren.
Dit gebeurde volgens de VKAJ-methode door de leidsters en leden er actief bij te betrekken.
De vragenformulieren moesten bij enkele honderden katholieke meisjes van 14 tot 25 jaar worden uitgezet.
Die vragenformulieren waren ontwikkeld in het kader van de werkmethode Zien-Oordelen-Handelen, een methode die regelmatig werd gebruikt door de pioniers(ters)groepen van de (V)KAJ om feiten en meningen te verzamelen
om op een eenvoudige wijze inzicht te krijgen in situaties.
Aan de resultaten van het onderzoek werd uitgebreid aandacht besteed in het damesblad Beatrijs, waarvan hierboven een afdruk is te lezen. EBr/TvdKr