Het geheugen van de vakbeweging

Chroniqueur van de metaalbewerkersbond

Gijsbert van der Houven (1883-1963)

Gijsbert van der Houven, chroniqueur van de vakbeweging in het metaalbedrijf

Gijsbert van der Houven, hoofdbestuurder van de Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond (ANMB), redacteur van De Metaalbewerker en de eerste geschiedschrijver van de bond, was oorspronkelijk gasmetermaker. Hij werkte in Rotterdam bij de gasmeterfabriek Elster en Co. Deze fabriek wordt door Jan Wacht in zijn boek Heet voor de vuren gekenschetst als een sociaal bedrijf en als ‘school voor vakverenigingsbestuurders’. Ook andere latere vakbondsbestuurders werkten hier tijdens hun eerste loopbaan.

Van der Houven werd in 1905 lid van de in Rotterdam gevestigde Vereeni­ging van Koper- en Blikbewerkers, waar hij tweede secretaris van werd. In 1914 kwam hij in bezoldigde dienst van de ANMB. In die bond vervulde hij in de loop der jaren diverse functies, onder meer die van bode, dis­trictbestuurder, secretaris, tweede voorzitter, en bovenal redacteur van het De Metaalbewerker. De laatste functie vervulde hij, met een onderbreking tijdens de oorlogsjaren, van 1920 tot zijn pensioen in 1947.

Voor de details van Van der Houvens bondscarrière (en zijn politieke carrière) raadplege men zijn biografie in deel vijf van het Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland. Hier gaat het me vooral om zijn verdienste als historicus.

Schrijver en journalist

Van der Houven bleek een opmerkelijk goed schrijver en journalist. Hij schreef altijd verzorgd Nederlands, meestal in een stijl die zich het beste als ‘licht ironisch’ laat omschrijven. Het bondsblad De Metaalbewerker werd in belangrijke mate door hemzelf volgeschreven, ook de hoofdartikelen waren vrijwel altijd van zijn hand. Daarbij valt de diversiteit aan onderwerpen op, waarover hij zijn licht liet schijnen. Stakingen, buitenlandse ontwikkelingen, de levensloop van collega’s, werkgevers als Stork en Triebels, concurrerende metaalbewerkersbonden etc. werden in vlotlezend proza beschreven. Zijn redactioneel en journalistiek werk werd door de leden van de bond zeer gewaardeerd. Dat bleek onder meer op congressen, nogal eens momenten waarop hoofdbestuurders tot de orde werden geroepen, maar waar Van der Houven altijd hoofdzake­lijk lof oogstte.

Historicus

Naast zijn functies secretaris en redacteur ontwikkelde Van der Houven zich tot historicus van de bond. Bij het 40-jarig bestaan van de bond in 1927 (tot dan toe ging men er vanuit dat de ANMB niet in 1886, maar in 1887 was opgericht) begon hij in De Metaalbewerker over de geschiedenis van de bond te publiceren. Opvallend daarbij is, dat deze autodidact vanaf het eerste begin, op speelse wijze, verantwoording aflegt over zijn werkwijze. Je hoeft je bij Van der Houven nooit af te vragen waar hij zijn informatie vandaan heeft. Hij neemt ons als het ware bij de hand en voert ons mee op ontdekkingstocht. Tot nu toe, vertelt hij in het artikel Gedachtenis uit januari 1927, gold bondsmakker A. Jantzen, de bestuurder met de langste staat van dienst, als de autoriteit op het gebied van de geschiedenis van de bond. Jantzen ook tipte Van der Houven dat één van de eerste bestuurders van de bond, J.L. van Herwerden, nog in leven was. Bertus van der Houven ging daar op af, interviewde Van Herwerden, liet hem fotograferen, maar vond weinig nieuwe gegevens.

Daarop toog hij naar de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam en snuffelde oude jaargangen van Recht voor Allen door. Hij vond daar een ‘oproeping’ uit 1886 van de eerste bondssecretaris Cornelius Fritz Thomas, waarin Thomas metaalbewerkers en metaalbewerkersverenigingen opriep om zich bij de zojuist gestichte ‘nationale bond’ aan te sluiten. Daarop stelde Van der Houven als oprichtingsjaar van de metaalbewerkersbond 1886 vast, te laat evenwel, zodat in 1927 een wat merkwaardig jubileum werd gevierd. Ook vond hij in Recht voor Allen congresverslagen en advertenties van de bond.

Eerherstel voor Thomas

Deze eerste publicaties hadden onder meer tot gevolg, dat Van der Houven de tip kreeg dat ook C.F. Thomas nog leefde. In het artikel Eenige herinneringen uit januari 1932, bij het 45-jarig bestaan, geeft hij een verslag van zijn bezoek aan Thomas, en gaf daarmee Thomas een indrukwekkend eerherstel. Thomas was, doordat hij na zijn jaren in de arbeidersbeweging in het Leger des Heils actief werd, in diskrediet geraakt.

Thomas stierf drie maanden na de publicatie van Eenige herinneringen. In zijn necrologie in april 1932 beschreef Van der Houven de lange werkweken die Thomas maakte, en vervolgens: “Moeten wij niet met ontzag vervuld zijn voor de man die bij dit alles nog tijd kon vinden om aan de oprichting van een vakbond mede te werken en die op gevaar van ontslag af, voor z’n makkers als spreker optrad? Alles wat Thomas later deed of naliet willen wij in de schaduw stellen van het licht dat hij in 1885 met anderen ontstoken heeft”. Dat is andere koek dan de gebruikelijke schimpscheuten en hatelijkheden die de toenmalige moderne arbeidersbewe­ ging voor de vrij-socialistische voorlopers over had.

Dankzij Van der Houvens nasporingen werd C.F. Thomas al bij zijn leven beschreven als exemplarisch vakbondspionier. Hij behoort waarschijnlijk tot de meest beschreven vakbondsleiders van het eerste uur. Hetgeen overigens latere historici er niet van weerhouden heeft bij herhaling de fabel te verspreiden dat hij ‘nagenoeg vergeten’ stierf.

Gedenkboeken

Van der Houvens historisch onderzoek leidde ook tot twee gedenkpublicaties: Een halve Eeuw uit 1936 en het gedenkboek van de afdeling Amsterdam Het begon op Oostenburg uit 1949. Het laatste schreef Van der Houven na zijn pensioen. Vooral Een halve Eeuw is voor de huidige historicus van veel belang. Dat komt omdat de jaar- en congresverslagen vanaf het begin van deze eeuw goed bewaard zijn, en het periodiek vanaf het ontstaan, maar dat verder het vooroorlogs archief van de ANMB betreurenswaardig dun is. Daarnaast zijn beide boeken van belang omdat bovengenoemde en soortgelijke staaltjes van wat veel later oral history zou gaan heten, veel gegevens hebben opgeleverd die anders onherroepelijk verloren zouden zijn gegaan. Ook voor foto’s van bestuurders en gebouwen die op instigatie van Van der Houven gemaakt zijn, geldt dat die soms de enige zijn die we hebben.

Vooral echter zijn deze publicaties belangrijk omdat Van der Houven zijn beschrijvingen van onderhandelingen en stakingen, vaak wat kruimelig proza, kruidt met persoonlijke opmerkingen en evaluaties die afwijken van de analyses in de officiële stukken. Deze opmerkingen werpen vaak een ander licht op de zaken.

Een voorbeeld daarvan vinden we in zijn beschrijving van de eerste bedrijfstakgewijze onderhandelingen met de werkgeversvereniging de ‘Metaalbond’ gedurende 1918 en 1919. Die onderhandelingen begonnen in maart 1918. Er werd al snel een principieel meningsverschil zichtbaar, want de Metaalbond wilde alleen ‘gemiddelde minimumlonen’ afspreken, waarmee een gemiddeld loon per vakgroep werd bedoeld. De ANMB wilde ‘persoonlijke minimumlonen’, waarmee lonen waar iedereen minimaal recht op had werd bedoeld. Na acht maanden leek een compromis op handen: wel gemiddelde lonen, maar flinke loonsverhogingen. Daarna laaide het principiële conflict weer op, en dat liep uit op een staking van zes weken in maart 1919. Vervolgens accepteerden de bonden, na bemiddeling van S.R. de Miranda, het licht bijgestelde eindbod van de werkgevers.

Van der Houven beschrijft in Een halve Eeuw dit hele proces gedetailleerd, en geeft daarbij sluipend, in bijzinnen commentaar. Waarom de verharding van het conflict na acht maanden? “Men lette op de datum”, schrijft Van der Houven. November 1918, een revolutionair tijdperk “door welke geest de leiders van de organisaties bezield waren”. Waarom na de staking toch het bod van de werkgevers geaccepteerd? De officiële lezing was dat de weerstandskas van de confessionele organisaties leeg was. Van der Heuven sluit zich daarbij aan, maar merkt echter in het voorbijgaan op dat De Miranda “met scherpe blik doorzien had, dat de eis met betrekking tot het persoonlijk minimum weinig kans van slagen bood”. Ofwel, tussen de regels van het officiële verhaal door valt een alternatief verhaal te lezen. Een verdedigbaar compromis lag binnen handbereik, maar werd in november 1918, in een revolutionaire roes, verworpen. De staking, die daarop onafwendbaar werd, ging men aan op een principieel punt, maar werd juist op dat principiële punt verloren, zulks omdat de leiders van de ANMB blijkbaar de ‘scherpe blik’ van De Miranda ontbeerden. Dergelijke doorkijkjes maken Van der Houvens werk bij lezing en herlezing kostelijke literatuur.

Zwakke schakels

Toch kennen zijn gedenkboeken ook hun zwakke schakels. Van der Houvens werk is zeer bruikbaar voor wie naar feiten en naar anekdotes zoekt. Wie op zoek is naar analyses, naar verbanden, zal Een halve Eeuw al snel te mager vinden. Daarvoor blijft het boek teveel een van binnen uit geschreven organisatiegeschiedenis. Het plaatsen van de veranderingen in  de bond binnen breder maatschappelijk perspectief is bij Van der Houven nooit helemaal afwezig, maar komt wel slecht uit de verf. Van der Houven excelleert vooral in het anecdotische, als dagboekschrijver van de bond.

Hans van den Hurk

Najaar 1994