Het geheugen van de vakbeweging

Ger Bertholet – ‘Kunstemaeker’

Een gezicht van de vakbeweging in Zuid-Limburg

Een constante onrust drijft Ger Bertholet (Klimmen, 1948). Onrust
over dingen die gebeuren of juist niet (meer) gebeuren. Zijn vizier staat daarbij afgesteld op zijn directe omgeving, al komt de onrust vaker van elders. Limburg is zijn ‘werkplaats’ en het Limburgs dialect over het algemeen het gereedschap van deze voormalige huisschilder. De jaren als vrijgestelde van de KWJ, beweging van werkende jongeren, vormen een omslag in zijn leven, de toneelacademie in Maastricht vormt hem definitief tot wat hij is: ‘Kunstemaeker’. Het vraaggesprek met Ger Bertholet is opgenomen in de VHV-publicatie Het gezicht van de vakbeweging in Zuid-Limburg II, dat 2010 is uitgekomen.

Ger Bertholet, huisschilder, vakbondsvrijgestelde, theatermaker: Ger Bertholet, huisschilder, vakbondsvrijgestelde, theatermaker: “Onrust zorgt voor constante scheppingsdrang.”


De ommekeer

Ger groeit met vier broers en twee zussen op in het gezin van de Klimmense huisschilder Charel Bertholet, die in het eigen dorp een klein schildersbedrijf runt. Het ziet er aanvankelijk naar uit dat de jonge Ger in de voetsporen van zijn vader zal treden. Na de opleiding tot huisschilder aan de Heerlense LTS en vervolgopleidingen in Heerlen en Roermond – waar hij zijn patroonsdiploma haalt – gaat hij als huisschilder aan de slag. Hij verslijt in korte tijd nogal wat bazen. Steeds stuit hij op zaken waar hij het niet mee eens
is. “En ze ‘naaien’ je altijd op de gevoelige plek: je portemonnee.” Tijdens zijn militaire dienst is hij druk bezig voor de soldatenvakbond VVDM. Na diensttijd keert hij terug in het schildersvak, maar vindt er zijn draai niet meer. Als Jo Meijers en Graad Coumans –  vrijgestelden van de KWJ in Limburg – zich op een dag in Klimmen melden en Ger vragen ook vrijgestelde te worden, staat hij met grote ogen te kijken. ‘Dit menneke oet Klumme, vriegesjtelde, het zal toch neet woar ziën?’ Maar het is waar. Van 1971 tot 1980 maakt hij deel uit van ‘de club’, eerst als vrijgestelde voor de Oostelijke Mijnstreek, daarna als provinciaal secretaris. Het acteertalent komt in deze periode al boven drijven. De vele acties waar Ger bij betrokken is, kennen vaak ook een ludiek tintje. Zo krijgt gouverneur Van Rooy bij zijn afscheid als commissaris van de Koningin een schaal gebakken peren aangereikt. Menige actie wordt opgeluisterd door Ger zijn cabaretgroepje ‘de Sjenge’. Acties gericht op verbetering van het leerlingstelsel en het minimumloon. Samen met de broers Cobben van de ABW wordt de trom geroerd voor verbetering van de mijnwerkerspensioenen. De acties
rijgen zich aaneen. Intussen rondt hij de Interne Opleiding Vormingswerk (LOVWJ) in Utrecht af.

Van 1982 tot 1986 geeft hij leiding aan het Henk Schramcentrum in Houthem-St. Gerlach. Hij wordt in deze jaren door toenmalig programmaleider Pieter Beek van de regionale omroep vaker gekenschetst als de ‘oudste werkende jongere van Limburg’.

Ger ziet voor de tweede keer het licht
Je blijft niet eeuwig jong, maar wat dan? En voor de tweede maal op een cruciaal moment in zijn leven ziet Ger het licht. Hij leest een advertentie van de part time opleiding voor docent/
regisseur van de Toneelacademie in Maastricht. Dat is het, hij weet het zeker. Hij ontdekt hier de dingen die hij graag doet en die hij ook kan. Hij start als part time toneeldocent verbonden aan het Kreatief Centrum Westelijke Mijnstreek en Scholengemeenschap
Groenewald in Stein. Het staat vast: hij wil zijn verdere leven een rol spelen in het culturele leven van zijn eigen streek! “In Anna Paulowna en Appelscha hoef ik niet beroemd te worden, mijn podium staat in Limburg,” zegt hij.

Zijn eerste “meesterproef” is de door hemzelf bewerkte monoloog ‘Ella’ van Herbert Achternbusch. De halve schouwburg zit in tranen. Steeds meer voelt hij de drang om zelf te schrijven, zelf nieuwe dingen te creëren. De drang is niet te stuiten. Er volgen theater- en cabaretteksten, gedichten en luisterliedjes. Zijn scheppingen bereiken dan wel niet Appelscha, maar wel de Zeeuwse klei. Zijn monoloog ‘Knötsj’ wordt gespeeld in 40
Limburgse café’s en krijgt in 1995 een Zeeuwse vertaling met 29 uitvoeringen in even zoveel Zeeuwse kroegen.

Veelzijdig kunstenaar
Ontelbaar zijn Ger zijn optredens voor kleine en grote groepen als ‘Zjér Bataille’ of vergezeld van een paar muzikale vrienden als ‘Zjér Bataille en Men’ (Ger Bertholet en zijn mannen). Menige actiebijeenkomst van de FNV wordt in de loop der jaren opgeluisterd.
Bijna 20 jaar is hij als freelancer verbonden aan de regionale omroep L1. Hier leest hij zijn wekelijkse column ‘’t Verdreet van Limburg’, verzorgt hij toneelrecensies en zijn zijn liedjes
met enige regelmaat op de zender te horen. Dan plotseling, stokt de machine. Zijn columns worden ongemotiveerd uit de nieuwe programmaopzet van L1 Cultuurcafé geschrapt. En juist die columns zijn Ger zijn grote passie. Daarmee is hij bekend bij het grote publiek. Daar blijven mensen zelfs voor thuis om het maar niet te missen. Onder het motto ‘je krijgt ‘Bertholet helemaal of helemaal niet’ stopt hij met zijn activiteiten voor de omroep. Het verdriet dat een en ander zo gelopen is, valt nog van zijn gezicht te lezen.

Enkele jaren eerder was hem bij de omroep ook al een kunstje geflikt. Samen met programmamaker Hans Op de Coul brengt hij een schitterend, vernieuwend Carnavalsprogramma de Limburgse huiskamers binnen: ‘de Waolse Medammecour’. Anderen maken zich, achter zijn rug om, meester van het programma en Ger heeft het nakijken. De nieuwe ‘eigenaren’ hebben het niet gered. Dat doet hem zichtbaar nog deugd! ‘Gestolen goed gedijt niet!’

De onrust
Onrust zorgt voor een constante scheppingsdrang. “Kritische geesten die zo tussen 1965 en 1980 het beeld bepaalden, kom je nauwelijks meer tegen. Onze oude idealen waar we voor knokten als solidariteit en ‘samen sterk’ zijn teloor gegaan. Iedereen heeft zich terug getrokken in zijn eigen stulp en consumeert wat hem wordt voortgezet.” De veroorzakers van dit alles zijn, naar Ger zijn rotsvaste overtuiging, de maatschappelijke elite. “In plaats van ‘voor te gaan in het goede’ zijn ze voorgegaan in onze maatschappelijke verloedering. Ze vullen hun zakken en het volk kan barsten. Als ik in de podiumkunst niet een bijzondere
uitlaatklep had gevonden, weet ik niet hoe ik me hierin had moeten redden.” Misschien was ‘de voëgel’ dan wel gevlogen, zoals hij in een van zijn liedjes zo aandoenlijk zingt. Maar
dat kan niet, want hij moet er natuurlijk ook nog zijn voor zoon Paul en dochter Loes. Paul die samen met zijn vriendin een tweetal dorpscafé’s runt en Loes die op het punt staat een eigen bedrijf als grafisch vormgeefster te beginnen.

Het mooiste is dan als Paul en Loes zeggen “Pap, we begriepe dien onrust.”