Het geheugen van de vakbeweging

Een leermeester geeft uitleg aan leerlingen in een samenwerkingsverband

Onder Dak! – FNV Bouw 1982-2015

DE GELEIDELIJKE AFBROKKELING VAN DE COLLECTIEVE OPLEIDINGSSTRUCTUUR

 OPKOMST EN NEERGANG VAN VAKOPLEIDING EN SCHOLING IN DE BOUW

Verheffing. Emancipatie. Dat waren van oudsher de drijfveren van de vakbeweging om vakopleiding en scholing toegankelijk te maken voor bouwvakkers. Sterker nog: verheffing was misschien wel de oorsprong van waaruit vakbonden zijn ontstaan: emancipatie van de arbeider. Naast dit min of meer ideële uitgangspunt, was er ook altijd een praktisch doel: een vakbekwame werknemer vergroot zijn kansen op werk en inkomenszekerheid.

Opleiding en scholing zijn bij uitstek thema’s waarbij de belangen van werkgevers en werknemers gelijk zijn. Emancipatie en werk- en inkomenszekerheid zijn voor werknemers de belangrijkste doelen, werkgevers hebben een vanzelfsprekend belang bij voldoende, goed opgeleid personeel. Ondanks deze belangensymbiose slaagden werkgeversorganisaties en vakbonden in de bouw erin om elkaar toch geregeld ook op dit dossier in de haren te vliegen. Daardoor duurde het wel eens langer dan nodig, voordat veelbelovende initiatieven van de grond of noodzakelijke beleidswijzigingen tot uitvoering kwamen.

De bouw- en houtnijverheid bestaat uit vele duizenden kleine bedrijfjes, met misschien maar een paar man personeel, en enkele honderden mkb-bedrijven. Dat is eigenlijk altijd zo geweest en nooit wezenlijk veranderd. De grootste verandering die nu valt waar te nemen, is de opkomst van de zzp’er, die vaak weer wordt ingehuurd door de aannemer ten koste van het aantal werknemers met een vast dienstverband. De enkele tientallen echt grote bouwconcerns in het land zijn over het algemeen goed in staat om een eigen opleidingsbeleid te voeren. Ze hebben een professionele personeelsafdeling – tegenwoordig heet dat ‘HR’ – en tijd, ruimte en middelen om hun eigen mensen op te leiden en te blijven bijscholen.

SECTORALE VOORZIENINGEN

Michiel Mons

Juist vanwege die grote groep kleine bedrijven, waarvoor verreweg de meeste medewerkers in de bouw- en houtnijverheid werkzaam zijn, heeft de bond zich van oudsher beijverd voor collectieve, sectorale voorzieningen. Dat resulteerde in de jaren veertig van de vorige eeuw in de oprichting van vakopleidingsinstellingen in de burgerlijke en utiliteitsbouw (B&U) en de grond-, weg- en waterbouw (GWW), zoals de Stichting Vakopleiding Bouwbedrijf (SVB) en de Stichting Beroepsopleidingen Weg- en Waterbouw (SBW). Ook in nevensectoren van de bouw ontstonden dergelijke instellingen. Hun opdracht was de kwaliteit van het leerlingwezen te bewaken en bevorderen en de instroom in de vakopleiding op peil te houden. Financiering verliep via de prijsregelende organisaties. In 1967 werd het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor de Bouwnijverheid opgericht. Via premieheffing onder alle werkgevers ontstond een fonds, waaruit de vak- en kaderopleidingen in de bouw werden gefinancierd en subsidies verstrekt aan werkgevers die leerlingen opleidden. Ook in andere branches kwamen dergelijke O&O-fondsen tot stand. Daaraan lag het gedachtegoed ten grondslag dat door premieheffing onder alle ondernemingen en subsidieverstrekking aan bedrijven die daadwerkelijk opleiden, solidaire verevening van kosten tot stand komt. Immers, het gebeurt geregeld dat een werkgever mensen in dienst heeft die elders zijn opgeleid.

In dit verband is ook van belang op te merken dat premieheffing tot stand kwam in een periode van geleide loonpolitiek. De grote loonsverhoging die de bond in de jaren zestig had bedongen, werd door het rijk niet geaccepteerd en omgezet in premieafdracht. In feite betekende dit dat de bouwvakker zelf voor zijn opleiding ging betalen.

Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw stond de vakopleiding in de bouw als een huis en kwam ze tot grote bloei, ook al was de oliecrisis in die tijd spelbreker en nam het aantal leerlingen in korte tijd drastisch af. De bond voerde samen met de werkgevers het bestuur van de vakopleidingsinstellingen, waarin ook het onderwijsveld was vertegenwoordigd, en het O&O-fonds. De Nederlandse bouwbranche was zowel voor andere sectoren als voor het buitenland een lichtend voorbeeld van hoe je een goede vakopleiding inricht en in stand houdt. Door collectiviteit, samenwerking, en vooral door een enorme financiële inspanning van meer dan honderd miljoen gulden per jaar in de hoogtijdagen.

Helaas is er anno 2017 nog maar weinig van over. Om te begrijpen hoe dat heeft kunnen gebeuren zijn diverse ontwikkelingen van belang, zonder te pretenderen dat daarmee een complete verklaring wordt gegeven.

OPKOMST SAMENWERKINGSVERBANDEN

In het begin van de jaren tachtig was er opnieuw een grote economische crisis. De bouw had daar zwaar onder te lijden, zoals ook bij latere crises het geval zou zijn. Naast ontslagen en faillissementen, stond ook het opleiden van leerlingen onder druk. In die omstandigheden ontstonden de eerste zogeheten samenwerkingsverbanden in Nederland: regionale collectieven van bouwwerkgevers die gezamenlijk de opleiding van leerlingen ter hand namen om de vakopleiding uit de concurrentiesfeer te halen en opleiden ook tijdens de crisis te kunnen voortzetten. Samenwerkingsverbanden nemen leerlingen in dienst en plaatsen ze uit bij echte productiebedrijven tegen inleentarieven, maar als daar geen ruimte is, kunnen zij hun opleiding ook in de werkplaats van het samenwerkingsverband volgen.

Samenwerkingsverbanden – later heetten ze ‘opleidingsbedrijven’ – werden een groot succes. Tientallen jaren lang vonden verreweg de meeste leerlingen via het samenwerkingsverband de weg naar de vakopleiding. Gaandeweg echter werden veel samenwerkingsverbanden slachtoffer van het eigen succes. Zij deden onverantwoorde investeringen in huisvesting, verhoogden de uitleentarieven en manifesteerden zich als een soort uitzendbureau. De oorspronkelijke doelstelling, het opleiden van voldoende vakmensen, raakte soms ondergeschikt aan het behalen van rendement.

Tegenwoordig zijn er van de van oorsprong ongeveer zeventig samenwerkingsverbanden in het land nog zo’n veertig over. Hoewel de vakbond – bewust, want hij wilde niet in een werkgeversrol ten opzichte van de leerling-werknemer terechtkomen – niet betrokken was bij het bestuur van samenwerkingsverbanden, is het toch een ontwikkeling geweest die in deze beschouwing niet mag ontbreken.

VAN SCHOLINGSFONDS NAAR LOOPBAANBELEID

Midden jaren tachtig kwam naast de vakopleiding ook de permanente scholing van vakvolwassen medewerkers in de aandacht. Het Akkoord van Wassenaar (1982), waarin landelijke sociale partners afspraken maakten over allerlei maatregelen voor herverdeling van arbeid, was de belangrijkste inspiratiebron daarvoor. De bouw-cao van 1987 bevatte voor het eerst het roemrucht geworden ‘artikel 35B’: werknemers hebben recht op gemiddeld twee scholingsdagen per jaar met behoud van loon. Daartoe werd 0,8 procent van de loonsom aan een scholingsfonds afgedragen. Na een voorzichtig begin met ruim vijftienhonderd scholingsdagen in 1988 groeide het gebruik van de scholingsmogelijkheden in de jaren daarna spectaculair, tot tweehonderdduizend in 1998.

Bij de invoering was het doel vooral om werknemers door bijscholing in nieuwe technieken en materialen weerbaar te maken op de veranderende arbeidsmarkt. De populairste cursusthema’s waren echter heel andere onderwerpen, zoals veiligheids- en arbeidsomstandighedentrainingen, EHBO-cursussen en leermeesteropleidingen.

Na de eeuwwisseling was het vooral de bond die aandrong op beleidswijziging: terug naar het oorspronkelijke doel om werknemers via bij- of omscholing duurzaam inzetbaar te maken. Nieuw in het denken van de bond over dat thema was beslist dat hier ook een eigen verantwoordelijkheid bij de werknemer lag. Dit resulteerde in 2005 in het zogeheten Akkoord van Bergen, een deelafspraak in de cao over het beperken van subsidiëring tot vaktechnische scholing en de vrijkomende middelen te benutten voor een loopbaanvoorziening. Het idee was dat werknemers die de ambitie hadden om een stap vooruit te zetten in hun carrière, ofwel vanwege (dreigende) arbeidsongeschiktheid naar een ander beroep moesten uitzien, na een assessment de juiste opleidingen daarvoor konden volgen. Dat ging niet vanzelf. Werkgevers bleven lang op het standpunt staan dat dit een verantwoordelijkheid was van de ondernemer zelf en geen sectorale voorziening rechtvaardigde. Toch gingen zij uiteindelijk akkoord met de oprichting van het Loopbaantraject Bouw & Infra, eerst op experimentele basis in een tweetal provincies, later landelijk en structureel ingevoerd. In de jaren erna volgden duizenden werknemers zo’n loopbaantraject. Ondanks het succes, werd de voorziening in 2016 onder druk van vooral Bouwend Nederland weer afgeschaft, tegelijk met de opheffing van het sectorale instituut Fundeon waarbij het loopbaantraject was ondergebracht.

WETTELIJKE MAATREGELEN

De sectorale vakopleidingsinstituten SVB (later Bouwradius), SBW (infrastructuur), SVS (schilders en stukadoors) en SH&M (meubel- en houtsector) waren hybride organisaties: ze hadden bedrijfstaktaken, maar ook een wettelijke opdracht van de overheid. Die laatste werd in 1998 geherformuleerd en beperkt door de invoering van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB). De ‘kenniscentra’, zoals de wet ze sindsdien aanduidt, werden verantwoordelijk voor de kwalificatiestructuur in het mbo en de erkenningsregeling van leerbedrijven. De leerlingbegeleiding, van oudsher de belangrijkste zorg van de vakopleidingsinstituten, ging naar de mbo-scholen.

De WEB kan als beginpunt worden gezien voor de afkalving van de positie van de kenniscentra. Het verhaal gaat dat er bij het ministerie van Onderwijs van oudsher veel weerzin bestond tegen de kenniscentra, waarvan er landelijk zeventien waren. Dat vond men te veel, ze waren te duur en ze werkten niet samen. In de bouw werd dit geluid opgepikt; het leidde onder andere tot de fusie tussen Bouwradius en SBW. Zo kwam in 2006 Fundeon tot stand. Maar het was te laat. Het regeerakkoord van 2012 voorzag in de opheffing van alle kenniscentra en de oprichting van een landelijk instituut voor de samenwerking tussen mbo en bedrijfsleven: de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB).

Door het wegvallen van de wettelijke taken kwam het voortbestaan van Fundeon als bedrijfstakinstelling ook ter discussie te staan. Daarbij speelde zeker ook mee dat het O&O-fonds voor de Bouwnijverheid moest bezuinigen. De inkomsten liepen daar al jaren terug, door de crisis, de afname van het aantal cao-werknemers en de opkomst van geen premieverschuldigde zzp’ers. Bij de werkgevers bestond bovendien de sterke wens de in hun ogen veel te hoge fondspremies terug te dringen. In de bouw-cao 2015-2016 wist Bouwend Nederland een aantal maatregelen af te dwingen die de definitieve doodsteek voor Fundeon betekende: opleidingssubsidies werden afgeschaft in ruil voor een persoonlijk opleidingsbudget per werknemer en de premie voor het O&O-fonds werd stapsgewijs verlaagd. Op 1 augustus 2016 viel het doek definitief: Fundeon – en daarmee ook het Loopbaantraject Bouw & Infra – werd opgeheven, tegelijk met de start van de landelijke SBB. Uit de erfenis van Fundeon en het eveneens ‘geliquideerde’ Arbouw verrees Volandis, een kleine organisatie die zich bezighoudt met bewustwording van de noodzaak van duurzame inzetbaarheid.

RESUMÉ

Waarom heeft FNV Bouw dit laten gebeuren, kun je je afvragen. In de eerste plaats lijkt de bond, uitgeput door de dramatische gevolgen van de crisis voor zijn leden en in beslag genomen door het eigen integratieproces tot de brede FNV, niet bestand te zijn geweest tegen de immense druk van vooral Bouwend Nederland. Maar ook in vakbondskringen bestonden al heel lang twijfels over het vakopleidingsinstituut. De organisatie werd beheerst door onderwijskundigen die beter meenden te weten dan de bestuurders wat goed was voor de bedrijfstak, zo was de indruk – al dan niet terecht. In de loop der jaren was Fundeon uitgegroeid tot een grote organisatie met een breed spectrum aan activiteiten: productie van leermiddelen, arbeidsmarktprojecten, loopbaantrajecten, subsidieverstrekking, wervingscampagnes en cao-opdrachten. Je kon door de bomen het bos niet meer zien. Uithuilen en opnieuw beginnen; dat zal ook voor de vakbond het devies zijn geweest.

Het is nu afwachten in hoeverre dat een verstandig besluit is geweest.

 

Michiel Mons (Haarlemmermeer, 1954) trad in 1985 in dienst van de Bouw- en Houtbond FNV. Hij begon als notulist van het bondsbestuur en verliet de bond in 1993 als voorlichter. Aansluitend werkte hij als secretaris voor de directie en het bestuur van de Stichting Vakopleiding Bouwbedrijf (SVB). Van 2003 tot 2007 was hij secretaris van cao-partijen in de bouw. Daarna ging hij aan de slag bij Fundeon, de opvolger van de SVB, waar hij tot 2015 manager van de communicatieafdeling was. Momenteel is Mons zelfstandig communicatieadviseur en tekstschrijver.