Het geheugen van de vakbeweging

Geleide loonpolitiek na de Tweede Wereldoorlog

“Beroepsverenigingen en vakorganisaties buitenspel”

Nadat in Nederland vrijwel alle vakcentrales, beroepsverenigingen en vakbonden (waarvoor tijdens de bezetting geen plaats meer was) zijn ‘herrezen’, worden ze in hun natuurlijke taken en activiteiten belemmerd. Dat gebeurt in verband met het herstel en de wederopbouw van het door oorlogsschade geteisterde land. Na de toen bekende regeringsverklaring van 4 oktober 1946 en de loonstop van minister Beel blijkt duidelijk dat de regering heeft gekozen voor een centraal geleide loonpolitiek, waarbij alleen de drie toonaangevende (bonafide) vakcentrales CNV, KAB en NVV, via de Raad van Vakcentralen en de Stichting van de Arbeid, een adviserende rol is toebedeeld.

Minister Louis Beel, verantwoordelijk voor de Loonstop van 1946Minister Louis Beel, verantwoordelijk voor de Loonstop van 1946

In het KAB Verslag 1939-1947 (pagina 275) werd hierover geschreven: “Onze regering had zich onmiddellijk na de bevrijding van het zuiden des lands rekenschap gegeven van de noodzakelijkheid van aanpassing van de lonen bij de gevolgen, welke de door haar toegepaste devaluatie van de gulden met zich meebracht. Zij trachtte zoveel mogelijk de goederenprijzen op de binnenlandse markt te beheersen, wijl een ongecontroleerde stijging van die prijzen, ingevolge de noodzakelijke aanpassing bij de wereldprijzen, funeste gevolgen moest hebben.”

Loonstop en positief effect

In het zuiden van Nederland werd een stijging van 25 % toegestaan op basis van de lonen op 10 mei 1940. Deze ‘zuidelijke’ maatregel werd naderhand aangepast. De lonen mochten maximaal worden verhoogd tot 125 % en later herzien door de bepaling dat men tot maximaal 115% van het peil der in oktober vastgestelde normen mocht gaan.  Als de oude regeling (125%) gunstiger was mocht die worden toegepast. “Voor beambten en bedienden gold de regel, dat voor de eerste f 3000,– 15 % verhoging, voor de tweede f 3000,– 10 % mogelijk zou zijn. Daarboven wenste men een verhoging achterwege te laten, alles uitgaande van de stand van zaken in October 1942”
Na mei 1945 had het College van Rijksbemiddelaars bij de naoorlogse loonvorming een zeer belangrijke rol gekregen. Het College kreeg die bijna onaantastbare positie in de geleide loonpolitiek door de bepalingen in het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen-1946. “Zijn taak was niet gemakkelijk; het heeft -daarvan geen wij uit- voor zover de regering het vrijheid liet, naar eer en geweten gehandeld”…”Het heeft beslissingen genomen, welke wij als fout en onrechtvaardig aanmerken, doch omwille van ’s lands belang moesten de lonen centraal door een overheidsorgaan, worden geregeld”, constateerde KAB. Maar dat de aangesloten vakbonden, die voor 1940 bij de loonvorming een primaire rol hadden gespeeld, na de oorlog als het ware waren gemuilkorfd, werd in deze paragraaf niet gemeld. De bonafide bonden schikten protesteerden voornamelijk intern en schikten zich lang in deze positie. Het bleef een erg onprettige periode in de vakbondshistorie!
Voorstellen met betrekking tot het regelen en wijzigen van beloning en andere arbeidsvoorwaarden werden voor advies gezonden aan de Stichting van de Arbeid. De Stichting liet zich bij het uitbrengen van deze adviezen voorlichten door haar ‘loon-commissie’, waarin ook vertegenwoordigers van de drie grote vakcentrales zitting hadden. Die looncommissie hoorde “teneinde een gedocumenteerd advies te kunnen vaststellen, de geďnteresseerde partijen van werkgevers en werknemers, waarbij veelal ook een vertegenwoordiger van het College van Rijksbemiddelaars aanwezig is.”

Werkclassificatie

In de KAB verslagen 1939-1947, 1948-1954 en 1955-1956 werd zeer uitvoerig over die centraal geleide loonpolitiek geschreven. Een bevredigende samenvatting is niet doenlijk. “Geleidelijk is getracht de vaststelling der lonen en arbeidsvoorwaarden zoveel mogelijk af te stemmen op bepaalde normen, teneinde ongemotiveerde verschillen weg te werken. Dan kwamen er vaak problemen naar voren, welke niet altijd naar tevredenheid van partijen konden worden opgelost, waarbij we denken aan de problemen der werkclassificatie, de gemeenteklassenindeling, tijd- en accoordlonen, mannen- en vrouwenlonen en andere. Hoe zich dit alles in de naaste toekomst zal ontplooien, hoe aan de gerechtvaardig verlangens kan worden tegemoet gekomen en grieven tegen het beleid van het College van Rijksbemiddelaars weggenomen, dit alles hangt af van vele omstandigheden, die wij nu eenmaal niet altijd in de hand hebben.” De centraal geleide loonpolitiek had ook een positief effect, omdat “talrijke hand- en hoofdarbeiders, die tot mei 1940 een totaal onbeschermde positie hadden, thans in een al dan niet geheel bevredigende regeling  rechtszekerheid gevonden.” Bij het Nederlands Verbond van Vakverenigingen [NVV] was, zo valt te lezen in ‘Naar Groter Eenheid’, over het verzet van de aangesloten bonden. Die centraal geleide loonpolitiek was niet in overleg met de betrokkenen, de bonden, tot stand gekomen”. Het streven naar loonverhoging van het NVV kreeg weinig steun van de confessionele vakcentrales en ook partijgenoot Drees steunde dat streven niet.  Misschien speelde bij dat NVV-streven de concurrentie van de communistische Eenheids Vakcentrale [EVC] een rol?
De KAB stelde vast ”dat allerlei kleine, in wezen niet onbelangrijke, verbeteringen tot een verhoging van het algemene loonpeil…ondanks de loonstop” hadden geleid. “Per 1 juli 1947 werd voor de minst draagkrachtige belastingschuldigen een niet onbelangrijke verlaging der loonbelastingingevoerd; er kwamen uitbreiding en verhoging van de kinderbijslag, een vergunning vergunning om 2 % van het jaarloon als gratificatie te verlenen, alles bijeen een gemiddeld totale verhoging van 15 tot 20 % van het loon betekende”. De Noodwet Ouderdomsvoorziening  ontlaste vele arbeiders (sters) van de onder de huidige zorgelijke omstandigheden wel eens zwaarwegende onderhoudsplicht, waardoor het besteedbare inkomen voor velen ruimer werd. Ook verbetering van arbeidsprestaties en de verhoging van de productiviteit werden in het loonbeleid betrokken. Dat gaf meer mogelijkheden.

Prijzen

“Er is door de Nederlandse regering getracht het evenwicht tussen lonen en prijzen zoveel mogelijk te bewaren, teneinde de bestaande spanning tussen beid niet nog groter te maken. Men heeft hierbij de wind niet in de zeilen gehad. Zo bleef een verwachte daling van de prijzen op de internationale goederenmarkt uit” De gemiddelde loonsverhogingen werkten niet prijsverlagend. De subsidies op prijzen werden verlaagd. Prijzen van bepaalde landbouwproducten werden hoger. Omzetbelasting werd verhoogd.  Op 19 november 1946 werd een Centrale Adviescommissie voor de Prijspolitiek geďnstalleerd in de hoop de prijzen beter te kunnen beheersen.

Gemeenteklassenindeling

Nederland kende vijf gemeenteklassen. Het verschil in beloning tussen de hoogste en laagste gemeenteklasse werd vastgesteld op f 4,– per week. Dat gaf veel stof tot discussie maar een speciale commissie kwam er niet uit en de klassen bleven gehandhaafd waarbij een rol speelden: het gemiddelde huurpeil; het stedelijk karakte van het verzorgingscentrum; de industriële ontwikkeling en de nabijheid van gemeenten met een hoger loonniveau.
De KAB nam het vraagstuk zelf in studie en haar “sociaaleconomische Raad I” kwam met acht conclusies.  In de conclusies werd voorgesteld gelijk loon voor gelijke arbeid zo veel mogelijk in toepassing te brengen en de vijf klassen in twee jaar terug te brengen tot drie klassen.

Toekomstig systeem van loonvorming

In het verslag 1948-1954 kwam het vraagstuk van het toekomstige ‘systeem’ van de loonvorming uitgebreid aan de orde. Met dat systeem werd geen stelsel van loon- of salaris-schalen bedoeld maar de wijze waarop na WOII centraal de lonen voor handarbeiders en salarissen voor beambten en bedienden werden geregeld. Die methode van centrale regel-geving kwam steeds meer onder vuur te liggen. In verschillende sectoren en ondernemingen was ruimte voor een hogere loon- en salarisverhoging dan de centraal vastgestelde. De betrokken beroepsverenigingen en vakorganisaties wilden die graag benutten voor hun leden. Het systeem van centraal geleide loonpolitiek, na de loonstop van 1946 was te strak, verhinderde bonden hun natuurlijke taak te vervullen en was eigenlijk niet te handhaven.
In augustus 1947 kwam loonsverhoging in de metaalindustrie tot stand en in dat jaar werd vrijwel geruisloos overal een nieuwe loonronde gerealiseerd. De Marshallhulp van 1948 leidde tot vermindering van subsidies om gestegen prijzen te compenseren en zette de prijspolitiek van de regering op een hellend vlak. Door prijsverhogingen werd het levensonderhoud duurder en dat zou weer leiden tot verhoging van lonen en salarissen. De ‘Joekes-gulden voor werknemers van 23 jaar en ouder met een inkomen van maximaal f 3000,– per jaar bleek onvoldoende. De devaluatie maakte de problemen nog erger. Om de sociale gevolgen op te vangen stelde de Raad van Vakcentralen voor per 1 januari 1950:

  1. een loonsverhoging van 5 % met een minimum van f 2,50 per week voor volwassen werknemers;
  2. een evenredige verhoging van de kinderbijslag; c. inhaerent hieraan een verhoging van de inkomensgrens der sociale verzekeringswetten van f 3.750 tot f 6.000;
  3. evenredige verhoging van de uitkeringen krachtens de Noodwet Ouderdomsvoorziening.

“De beschrijving van de ontwikkeling van de loonpolitiek in de verslagperiode is daarom zo ingewikkeld en moeilijk omdat hierin vanaf het begin twee elementen een rol spelen, namelijk a. de feitelijke loonpolitiek en de formele loonpolitiek”. Dit werd in het verslag 1955-1956 uiteengezet. 1955 werd naar mijn wijze van zien een kanteljaar in de geleide loonpolitiek. De ‘welvaartsloonronde’ van 1954 had een ander karakter dan de loonrondes daarvoor. Er ontstond een verschil van opvatting. Het NVV wilde bleef voorstander van de geleide loonpolitiek. Het CNV en de KAB wilden er vanaf. Dat bleek tijdens hun congressen.
Het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking nam toe maar de prijsstijgingen dreigden het ingecalculeerde welvaartspercentage ongedaan te maken. Het werd steeds duidelijker: het actieve loonbeleid moest van de vakcentrales naar de aangesloten bonden verschuiven. Loonsverhogingen er bedrijfstak kregen de voorkeur. De beroepsverenigingen en vakbonden konden daardoor hun natuurlijke taak weer gaan vervullen. Het aantal cao’s werd groter dan ooit tevoren. Overigens speelde de opkomst van de PBO hierbij ook een rol. Maar dat is een ander hoofdstuk.
Geert Wagenaer

Geraadpleegde literatuur

”Naar Groter Eenheid” Geschiedenis van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen [NVV-1982] en “Voor Het Volk om Christus wil” -Een geschiedenis van het CNV- besteden ook  zeer ruime aandacht aan die moeilijke naoorlogse periode van centraal geleide loonpolitiek.