Het geheugen van de vakbeweging

Oprichter De Volksstem

Geert Sterringa (1876-1944)

Geert Sterringa, onderwijzer, dirigent De Volksstem en verzetsman (foto Geert Sterringa Stichting)

Een van de voormannen van de Groninger arbeidersbeweging Geert Sterringa, is geboren te Firdgum (Barradeel) op 30 december 1876 en omgekomen in het concentratiekamp Buchenwald op 19 januari 1944. Hij was de zoon van Hermanus Sterringa, onderwijzer, en Maria Kalverboer. Op 26 april 1907 trad hij in het huwelijk met Anna Martha Gonda Winterwerp, naaister, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.

Geboren uit een geslacht van onderwijzers bezocht Sterringa de rijkskweekschool te Groningen. In 1895 slaagde hij voor de opleiding voor onderwijzer, in 1897 voor de hoofdakte en in 1899 voor de lagere akte Frans. Het eerste jaar was hij onderwijzer in Zuidlaren. Daarna ging hij werken op een school in Groningen, waar hij op vier maanden na veertig jaar heeft gewerkt. Schoolhoofd wilde hij uit principe niet worden. Vele generaties arbeiderskinderen hebben op de armenschool in het Noorderplantsoen les van hem gekregen.

Muziek, daar hield Sterringa van. Bij de oprichting in 1899 van de naaistervakbond “Eenheid” te Groningen, willen de negen vrouwen een koortje oprichten met hem als dirigent. Twee keer wordt er een poging gedaan om een naaistersbond op te richten, beide keren met als secretaris Martha Winterwerp, de latere vrouw van Sterringa. Vergaderd en geoefend werd er in het nieuwe gebouw van De Toekomst (1888) in Groningen. In 1900 wordt er tijdens een afdelingsvergadering van de SDAP het voorstel gedaan om een mannenkoor op te richten. Dat is het moment dat de Volksstem de geschiedenis instapt met als eerste dirigent: Geert Sterringa.

Sterringa werd lid van de Bond van Nederlandse Onderwijzers (BvNO) en richtte met anderen een afdeling in Groningen van deze bond op. Vanuit de BvNO, die weldra aangeduid wordt als de Sociaal Democratische Onderwijzers Bond, was Sterringa in 1901 nauw betrokken bij het initiatief van J.H.A. Schaper (lid tweede kamer 1899 – 1934) en E.Rugge (lid gemeenteraad 1901 – 1941 en wethouder 1924 – 1943 ) om de Groninger Bestuurdersbond (GBB) op te richten, de samenwerking van de plaatselijke vakbonden. Sterringa was de eerste secretaris van deze organisatie van 1901 tot 1905. Dat dit tot reacties leidt van het toenmalige NAS (Nationaal Arbeidssecretariaat) lijkt vanzelfsprekend. In het “Nieuwsblad van het Noorden” van 21 januari 1902 werd een artikel van Sterringa gepubliceerd waarin deze de GBB aan het publiek voorstelt. Al op 25 januari en 1 februari 1902 volgt de reactie van het PAS (Plaatselijk Arbeidssecretariaat) in het blad “De Arbeider” waarin de GBB  scheurmakerij wordt verweten vanuit de Sociaal Democratisch hoek. Tevens gaat het volgens het PAS om de baantjes.

Bureau voor Arbeidsrecht

In december 1902 richtten de kersverse voorzitter Rugge en secretaris Sterringa van de GBB het Bureau voor Arbeidsrecht op. Dit bureau wordt geopend in het gebouw van de Toekomst aan de toenmalige Zuidersingel te Groningen. Het bureau is twee avonden per week geopend. Na de start van het GBB vindt er in Groningen een Paascongres plaats. Op dit congres werd de Groninger schoolmotie aangenomen: gelijke financiering van het openbaar en bijzonder onderwijs. Sterringa was met de stad Groninger delegatie tegen.

In januari 1903 maakte Sterringa deel uit van het plaatselijk comité betreffende de spoorwegstaking. Deze zaak kreeg in Groningen minder aandacht dan haar toekwam, omdat hier ter plaatse een ander groot conflict werd uitgevochten: de kleermakersstaking. De januari staking bij het spoor in Groningen was geen groot succes. Drie maanden later, als het kabinet-Kuyper dreigt met de invoering van de Worgwetten waarin o.a. een stakingsverbod voor ambtenaren wordt opgelegd, komt de actie beter uit de verf. Als secretaris van de Bestuurdersbond was Sterringa actief zowel in het stakingscomité als in het Comité van verweer tegen de worgwetten.

In 1903 werd er ook gestaakt in de textiel: de kleermakersstaking. Ondanks een verschuiving naar industrialisatie binnen de textiel, was er in Groningen een groot aantal “ouderwetse” kleermakers die thuis werkten, samen met vrouw en kinderen. Deze thuiswerkende kleermakers maakten vele uren om een behoorlijk (stuk)loon te verdienen. Ze werden door de confectionairs tegen elkaar uitgespeeld. In 1902 is de maat vol, de in 1883 opgerichte Kleermakersbond “Vooruitgang door Broederschap ” wilde een vaste loonstandaard voor de thuiswerkers, naast vaste tarieven per product. Er ontstonden ook Christelijke en Katholieke Kleermakersbonden die mee deden in de strijd. In februari 1903 gaan 250 zelfstandige kleermakers en 50 knechten (in loondienst) in staking. Er komt een stakingscomité, een weerstandskas en financiële steun van drieëntwintig lokale vakbonden. Ook de landelijke kleermakersbond steunde de staking. Roosje Vos, voorzitster van de landelijke naaistersbond, doet een oproep tot solidariteit in het landelijk blad van haar bond. De kranten De Volksstrijd, De Arbeider en de Nieuwe Provinciale Courant hadden een open oor voor de noden van de stakende kleermakers. De net opgerichte Kamer van Arbeid (bemiddelingsorgaan werknemers werkgevers) en de politiek doen een oproep voor het oplossen van het conflict. Mede dankzij de gunstige publieke opinie komt het tot een acceptabel compromis.

Evert Kupers

Kleermaker en actief vakbondslid Evert Kupers ontwikkelde zich in deze strijd tot een vakbondsleider. De kleermakersbond “Vooruitgang door Broederschap” fuseert met de landelijke kleermakersbond en de naaistersbond van Roosje Vos tot één organisatie. Door zijn inbreng werd zijn naam gevestigd en wordt hij lid van het landelijke bestuur. Groningen is met de vestiging van het hoofdkantoor van de nieuwe bond voor één jaar even de landelijke hoofdstad voor de “Nederlandsche Bond van mannelijke en vrouwelijke arbeiders in de Kledingindustrie en aanverwante vakken”. In de gang bij de FNV te Groningen hangt nog een vaandel van de oude Kleermakersbond die als eerste lid in 1906 toetrad tot het dan opgerichte NVV. Voor de jonge voorzitter Rugge en zijn secretaris Sterringa van de GBB is het jaar 1903 een vuurdoop geweest, hun leerperiode was in ieder geval voorbij!

Coöperatie De Toelomst

In 1902 wordt Sterringa, samen met twee partijgenoten van de SDAP verkozen in het bestuur van de Coöperatie De Toekomst. Er zitten vanaf dat moment meer sociaaldemocraten dan de oorspronkelijke oprichters, de vrije socialisten, in het bestuur. Er begint een einde te komen aan jarenlange chicanes binnen De Toekomst tussen “modernen” en de “vrijen”. Ook komt er een einde aan de schulden, er ontstaat een positief saldo bij De Toekomst. In 1905 stapt de laatste vrije socialist uit het bestuur van de Coöperatie.

In 1903 wordt er een provinciaal comité opgericht door het Nederlandsch Comité voor Algemeen kiesrecht (NCA). Sterringa neemt hier in plaats namens de SDAP. Toch vindt er naast de gewone landelijke en provinciale evenementen niet veel plaats. Pas in 1906 ontstaat er beweging. Het pas opgerichte NVV vindt het een taak van de SDAP om hierin het initiatief te nemen. En zo gebeurt het, de lokale en provinciale comités worden ontbonden en de organisatie en financiën worden naar de SDAP overgeheveld.

Schaper vertrok in 1905 naar het westen vanwege zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer. Sterringa werd toen voorzitter van de Groningse afdeling van de SDAP en redacteur van “De Volksstrijd”. De Volksstrijd is een socialistisch blad voor het gehele noorden, opgericht in 1900, eerst als “De Strijd” en daarna als “Volksstrijd”. Sterringa gaat als aankomend nieuw redacteur een belangrijke rol spelen in de redactie van dit blad. Hij bestrijdt de positie van Eltjo Rugge als leider van de sociaal democratische beweging te Groningen. Eltjo Rugge, tot 1905 voorzitter van de GBB, werd voorzitter van de SDAP fractie in de Groninger Gemeenteraad. De controverse tussen de twee mannen werd verlegd naar de directe politiek. De strijd binnen de SDAP gaat zich manifesteren in de stromingen van het marxisme en revisionisme. In 1909 dient Eltjo Rugge (reformist) een motie in tijdens het SDAP congres te Deventer. In deze motie wordt uitgesproken dat de Tribunisten (marxisten) geroyeerd moesten worden als lid van de SDAP. Deze motie wordt aangenomen. Rugge splitste hiermee de Groninger partijafdeling in twee kampen en dwingt Sterringa een keuze te maken. In 1909 werd Sterringa (marxist) lid van de Sociaal-Democratische Partij (SDP) en richtte in Groningen een SDP-afdeling op. Later zal de naam SDP veranderen in CPN (Communistische Partij Nederland).

De hel van Jipsingbourtange

Als lid van de Provinciale Staten van Groningen en als lid van de Groninger gemeenteraad komt Sterringa op voor de belangen van de arbeiders en werklozen. Vooral het verzet tegen de lage lonen en slechte omstandigheden in de werkverschaffingsprojecten in de jaren dertig waren hem een doorn in het oog. Overal werd er door hem en de SDP geageerd tegen deze onrechtvaardige situatie in Westerwolde en in de “Slikken”. “De hel van Jipsingbourtange” was het absolute dieptepunt van de werkverschaffing in Groningen.

Tijdens de Duitse bezetting maakte Sterringa deel uit van het verzetsblad Het Noorderlicht. Ook schreef hij het manifest dat vlak na de Februaristaking van 1941 werd verspreid. In dit manifest riep hij op tot solidariteit met de stakers te Amsterdam. Op 10 maart 1941 werd hij samen met anderen gearresteerd. Via het Huis van Bewaring in Groningen, de gevangenis in Scheveningen en het kamp Amersfoort kwam hij op 26 maart 1942 in Buchenwald aan. Hij was 66 jaar en werd als communist door de nazis hard aangepakt. Door het kampverblijf ging zijn gezondheid achteruit, maar zijn geestelijke belangstelling leed er niet onder. Op 19 januari 1944 overlijdt Geert Jan Sterringa aan de ontberingen in concentratiekamp Buchenwald.

Jan Rootlieb

Groningen, februari 2017