Het geheugen van de vakbeweging

Flora et Pomona

Wat begint als ‘windhandel’, de import van tulpenbollen uit Turkije, groeit uit tot een internationale toeristische attractie: de bollenvelden. De bloembollenteelt aanvankelijk tot Haarlem e.o. beperkt, neemt in het laatste kwart van de 19de eeuw sterk in omvang toe. De bollenkweker deelt zijn succes niet met de werknemers in het tuinbouwbedrijf. Er zijn maar weinig bedrijfstakken waar de uitbuiting zo scherp is als in de tuinbouw. Eigenlijk tot aan vandaag duurt deze uitbuiting voort; zij het nu met illegale buitenlandse werknemers.

In 1900 richten de plaatselijke organisaties uit Hillegom en Haarlem de Nederlandse Bond van Tuinbouwwerklieden op. De bond kent maar een kort en weinig glorieus bestaan. Reeds in 1904 is hij zo gedecimeerd dat de bond moet worden opgeheven. Het zijn niet de eerste verenigingen van tuinlieden in Nederland. Verenigingen van oudere datum vinden we in Arnhem (1884), Den Haag (1900), beide met de fraaie naam: Flora et Pomona en een vereniging van gardeniersknechts in Leeuwarden (1895). De laatst genoemde sneuvelt nog in het jaar van oprichting door een staking die ze verliest. De beide Flora et Pomona=s zijn ziekenfondsen die geen lang leven zijn beschoren en ook niet veel bijdragen aan de ontwikkeling van de arbeidersbeweging. In de doelstelling van Flora et Pomona te ’s Gravenhage vinden we: “het aankweken van vriendschap tussen bloemisten en warmoeziers en het wederzijds ondersteunen bij ziekte en het vieren van een jaarfeest”, en verder: “het verstrekken aan de leden van een uitkering bij sterfgeval en het in bespreking nemen van belangrijke onderwerpen op onderlinge bijeenkomsten.” De contributie voor de ziekenfondsen bedraagt 10 cent per week en daarmee is men verzekerd tegen de geldelijke gevolgen van ziekte. De uitkering bedraagt f5,00 per week gedurende dertien weken.

Staking in Lisse

De meeste werkgevers in het bloembollenbedrijf beschouwen elke poging om tot organisatie te komen als een regelrechte oorlogsverklaring. Overduidelijk is dat een ieder die zich verdienstelijk wil maken voor de organisatie op ontslag kan rekenen. Desondanks ontstaat als onderafdeling van de R.K. Volksbond te Haarlem, de vereniging St. Elisabeth. Van de vereniging kunnen ook kleine tuinders en hoveniers lid worden. Vanzelfsprekend komt de noodtoestand van de werklieden in het bollenbedrijf ter sprake. De vereniging besluit een circulaire uit te doen naar de werkgevers om op verbetering aan te dringen. De in wel zeer beleefde termen opgestelde brief heeft echter geen resultaat. Tezelfdertijd ontstaat de Bond van Landarbeiders uit twee plaatselijke verenigingen te St. Jacobiparochie en Enkhuizen beide met de naam Broedertrouw, die zich in 1897 aansluit bij het Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS). Bij de oprichting telt de Bond van Landarbeiders 80 leden. In 1900 zijn er 400 leden verdeeld over 14 afdelingen waarvan één te Zuid-Holland, in Haarlem. De bond laat niet na om op de onhoudbare toestand van de werklieden te wijzen, maar zonder resultaat en weldra leidt de organisatie zelf ook een kwijnend bestaan. Bij herhaling wordt getracht afdelingen in Hillegom, Lisse en Sassenheim op te richten. Het lukt niet, al komen er wel enkele zelfstandige verenigingen tot stand. In Lisse komt het in 1900 tot een botsing met enkele werkgevers. Deze hebben een drietal bestuursleden van de zojuist opgerichte vereniging ontslagen, nadat deze geweigerd hebben hun lidmaatschap op te geven. Negentien werklieden – medeleden in de vereniging – leggen daarop het werk neer. Het mag echter niet baten. De staking gaat verloren en de vereniging gaat al na enkele weken teniet.

St. Deusdedit

In 1904 ontstaan landelijke organisaties van werknemers in de tuinbouw en het bloembollenbedrijf; de Algemeene Nederlandsche Bond van Arbeiders in het Bloembollenbedrijf en het Nederlandsch R.K. bloemmisten- en tuinliedensecretariaat St. Deusdedit=. Naast deze twee landelijke organisaties bestaan er nog een tiental plaatselijke verenigingen van tuinarbeiders voornamelijk in Zuid-Holland. Veel macht kunnen deze organisaties niet tentoonspreiden. De organisatiegraad onder de werknemers in de tuinbouw komt niet boven de 1% uit. In het noorden van het land komt in 1907 de Nieuwe Nederlandse Bond van Landarbeiders tot stand die in 1909 fuseert met de Nederlandse Bond van Zuivelarbeiders. Langzaam maar zeker bouwt de bond van land- en zuivelarbeiders haar werkterrein uit over het gehele land. In 1912 voegt de bond >tuinbouw= aan haar naam toe omdat de toetreding van steeds meer tuinbouwafdelingen daartoe aanleiding geeft. St. Deusdedit wordt opgericht op initiatief van de Haarlemse vereniging voor tuinarbeiders St. Elisabeth. Bij oprichting treden vijf afdelingen toe: Amsterdam, Heemstede, Leiden, Sassenheim en Haarlem met een gezamenlijk ledental van 165.
Volgens het Centraal Bureau van de Statistiek zijn er in het tuinbouwbedrijf in 1896 vijf katholieke verenigingen van werknemers actief met gezamenlijk 350 leden. In 1900 zijn dat er zes met 425 leden. Het geeft aan dat er wel sprake is van groei, maar dat de omvang nog niet imponerend genoemd kan worden en dat slechts een klein deel van de katholiek georganiseerde in het bloembollen- en tuinbouwbedrijf bij oprichting toetreedt tot de nieuwe landelijke organisatie. De groei zet evenwel al spoedig in. In 1904 komt in Hillegom een afdeling tot stand, die al in haar eerste jaar van bestaan groeit naar 180 leden. In hetzelfde jaar komt ook de afdeling Lisse tot stand en in 1905 en 1906 volgen: Bennebroek, Overveen en Schoten. In 1913 bereikt St. Deusdedit de mijlpaal van 1.000 leden.

De eerste staking en de eerste cao

In 1913 organiseert St. Deusdedit zijn eerste staking. De inzet van de staking is het verkrijgen van een hoger loon. Bij werkgevers in Haarlem en in de Bollenstreek wordt een tot enkele weken gestaakt. Ter voorbereiding op de acties is door de bond een weerstandskas in het leven geroepen. Alle leden van de bond moeten voor de weerstandskas één uurloon per week bijdragen. Drijvende kracht achter het succes van de staking is de eerste bezoldigde bestuurder die de bond in dienst neemt: Toon Loerakker. De eerste cao, komt niet tot stand in het bloembollenbedrijf, maar wordt afgesloten met de Provinciale Boerenbond, afdeling Ouderkerk. St. Deusdedit is weliswaar geboren in de bollenvelden, maar sedert 1909 organiseert zij ook werknemers in de landbouw en de veehouderij. Vandaar de contacten met de boerenbond die voornamelijk uit veehouders bestaat. Het bestuur van de boerenbond te Ouderkerk is vooruitstrevend te noemen, gelet op het feit dat ze zonder veel problemen afspraken wil maken over de hoogte van de lonen en zelfs over de vrije zondag. Twaalf maal per jaar wordt de boerenarbeider een vrije zondag gegarandeerd. Erg uitzonderlijk voor die tijd, want het zal nog jaren duren alvorens die afspraak ook met andere werkgevers in het land- en tuinbouwbedrijf gemaakt kan worden. Volgens Toon Loerakker in zijn boek Ontstaan en geschiedenis van de Nederlandse R.K. Landarbeidersbond ‘St. Deusdedit’ ging deze cao al na een jaar verloren, niet door tegenwerking van de werkgevers, maar doordat de werknemers de afspraken niet op waarde weten te schatten; de vrije zondagen worden benut om elders te gaan werken.

PBO

In 1919 komt de Katholieke Landbouwbedrijfsraad tot stand. Deze bedrijfsraad, waarin katholieke werknemers en werkgevers elkaar ontmoeten voor overleg, is de voorloper van de Publiek Rechterlijke Bedrijfsorganisatie (PBO) in de land en Tuinbouw. Reeds in 1933 wordt op grond van de Wet op de Bedrijfsraden, gewestelijke bedrijfsraden ingevoerd en direct na afloop van de Tweede Wereldoorlog komt de Stichting voor de Landbouw (het latere Landbouwschap) tot stand. Met de PBO wordt een van de verlangens van de katholieke arbeidersbeweging ingelost. Zij verwerpen immers de klassenstrijd als beginsel en menen dat juist door samenwerking tussen werkgevers en werknemers lotsverbeteringen voor de werknemers te verkrijgen is. Al hebben we hier een fundamenteel verschil tussen de socialistische en katholieke vakbeweging te pakken, het weerhoudt de Nederlandse Bond van Arbeiders in het Landbouw-, Tuinbouw- en Zuivelbedrijf, aangesloten bij het NVV, niet om een zetel te bezetten. Alhoewel het instituut bedoeld is tot overleg tussen werkgevers en werknemers, is er geen sprake van gelijkwaardigheid. De werkgevers bezetten zes zetels in het bestuur van de stichting, de werknemers slechts drie. Het doel van de Stichting voor de Landbouw is het vertegenwoordigen van de belangen van de landbouw met name bij de overheid, het adviseren van de overheid, het bevorderen van goede sociale toestanden tussen de bedrijfsgenoten en uitvoering geven aan maatregelen van de overheid op het gebied van de landbouw. Vooral dat laatste kan natuurlijk op gespannen voet komen te staan met de belangen van zowel werknemers als werkgevers. Als belangenbehartiger kan je daarmee lelijk in de klem komen. De vakbeweging lijkt daarmee extra in de problemen te kunnen komen, daar zij slechts drie van de negen stemmen in het bestuur heeft en dus in een minderheidspositie verkeerd. Slechts als het gaat om de doelstelling van goede sociale toestanden is het aantal stemmen van werknemers en werkgevers gelijk.

Tuinbouw doorbreekt relaties

In de land- en tuinbouw lukt actievoeren eigenlijk alleen door de publiciteitsmachine voluit te laten draaien. Een cultuur van overleg kenmerkt de land- en tuinbouw. De Voedingsbond FNV is in 1975 uit 23 van de 25 publiekrechtelijke organen (PBO’s) gestapt, omdat ze daar te weinig invloed kunnen uitoefenen. In de land- en tuinbouw, wordt die stap niet gezet. Het Bosschap en het Landbouwschap blijven de organen waarbinnen de arbeidsvoorwaarden voor de werknemers worden geregeld. De goede relaties in de PBO zorgen ervoor dat de cao’s zonder veel poespas tot stand komen. De werknemers hoeven daarvoor niet de straat op. In 1989 komt in die gang van zaken verandering. Bestuurders en kaderleden trekken in ‘t-shirts met de tekst “ik laat me niet plukken” het land in. Tuinbouwbedrijven worden bezocht om steun te verwerven. Onverwachts en onbedoeld krijgen ze hulp van de werkgeversonderhandelaar, die in een onbewaakt ogenblik zich laat ontvallen: “Het is toch te gek dat we zoveel moeten betalen voor mensen met twee linkerhanden. En dat zijn nog buitenlanders met taalproblemen ook”. Het is olie op het vuur en het zorgt ervoor dat de werknemers zich blijven verzetten. Op Goede Vrijdag ligt er een nieuwe cao met een loonsverhoging van ten minste 5%.

Illegaal

De Voedingsbond FNV krijgt in haar sectoren steeds meer te maken met allochtonen. Buitenlandse werknemers worden in toenemende mate ingezet bij zwaar en onaangenaam werk. In een aantal gevallen gaat het om illegale werknemers. In 1990 is een op de zeven werknemers in Nederland allochtoon. Met een uitzondering in enkel bedrijven organiseert de bond weinig allochtonen. De pogingen om hen bij het vakbondswerk te betrekken zijn niet erg succesvol. In sommige bedrijven zoals bakkerijen, koekjesfabrieken en tuinbouwbedrijven zijn wel grote groepen allochtonen lid van de bond. Met de werkgevers in de tuinbouw ligt de Voedingsbond FNV meermalen overhoop. Daar werken mensen zonder verblijfsvergunning tegen lage lonen. Deze illegale werknemers zijn vrijwel net zo rechteloos als een eeuw eerder de leden van bijvoorbeeld St. Elisabeth. Het is iedere keer weer trammelant tussen de werkgevers en de werknemers in de kassen in het Westland. De werkgevers verklaren keer op keer dat het onmogelijk is om Nederlanders voor het werk te vinden., maar ook buitenlanders met een verblijfsvergunning zijn kennelijk te duur, want anders kan toch moeilijk verklaard worden waarom de illegale werknemers onder het cao-loon worden betaald. Het is pure uitbuiting van een groep werknemers die zich vanwege hun illegaliteit niet of nauwelijks kunnen verdedigen.
©Dik Nas/Vakbondshistorische Vereniging
10 mei 2002

Geraadpleegde literatuur

Christ Essens,’Loerakker, Anthonius Josephus’ in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam 1990) Deel 4
J. Hilgenga, 40 jaren Nederlandse Landarbeidersbond. Gedenkboek van de Nederlandse Bond van Arbeiders in het Landbouw-, Tuinbouw- en Zuivelbedrijf (Utrecht 1940)
A.J. Loerakker, Ontstaan en geschiedenis van de Nederlandse R.K. Landarbeidersbond Sint Deusdedit (z. pl. 1944)
C.J. van der Ploeg, Oogst van de laatste 10 jaren (Utrecht 1954)
Geert Wijnhoven e.a., Voeding in de strijd, geschiedenis van de Voedingsbond FNV 1894-1994 (Utrecht 1994)
Jos van Meeuwen, Jeroen Sprenger,’Kuiper, Hendrikus Jacobus’ in: Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland (Amsterdam 2000) Deel 8