Het geheugen van de vakbeweging

Flexibilisering van de arbeid in historisch perspectief

San Precario, patroonheilige van de flexkrachten is transgender geworden

De gouden jaren van de werk-, baan- en sociale zekerheid en hoge ledenaantallen voor de vakbeweging lijken voorbij. Wat is er gaande op de arbeidsmarkt en hoe kunnen we dit in historisch perspectief plaatsen? Op 29 februari 2004 is in Italië een nieuwe heilige opgestaan: San Precario, de beschermer van alle tijdelijke, freelance en andere werknemers zonder uitzicht op een vaste aanstelling. San Precario kwam als man ter wereld maar is inmiddels transgender geworden; hij of zij kan overal opduiken: op straten en pleinen, maar ook bij McDonald’s, in supermarkten of boekwinkels. IISG-medewerker Marcel van der Linden analyseert de historie van de flexibilisering op de arbeidsmarkt

San Precario, de patroonheilige van de flexwerkersSan Precario, de patroonheilige van de flexwerkers


Tot de nieuwe heilige worden gebeden gericht, zoals:

Oh, Heilige Precarius,
beschermer van ons allen, de precairen op aarde
Geef ons betaald moederschapsverlof
Bescherm het personeel van grootwinkelbedrijven,
de engelen in de call centers,
en alle flexibele werknemers die aan een zijden draadje hangen
Geef ons betaald verlof, en pensioenbijdragen,
inkomen en bescherm ons tegen ontslag.
Heilige Precarius, vergeet niet de zielen wier contract ten einde loopt,
gekweld als zij worden door de heidense afgoden:
de Vrije Markt en de Flexibiliteit
Degenen die rondzwerven, zonder thuis of toekomst,
zonder pensioen en waardigheid
Geef hoop aan ongedocumenteerde werkers
en breng hen vreugde en glorie
tot aan het eind der tijden.

Dagloners

De komst van San Precario vestigt de aandacht op een brandend probleem: de internationaal alsmaar voortgaande groei van het percentage zeer kwetsbare werknemers en werkneemsters dat moet leven en werken zonder zekerheid of voorspelbaarheid, in onregelmatige jobs.
Zulke kwetsbare arbeidskrachten zijn helemaal niets nieuws. Zij bestaan al duizenden jaren. In het Nieuwe Testament, dat waarschijnlijk omstreeks 200 geschreven werd, verhaalt een bekende parabel van “een heer des huizes, die met den morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard. En als hij het met de arbeiders eens geworden was, voor een penning des daags, zond hij hen heen in zijn wijngaard” (Mattheus 20, 1-2).
Dagloners in de tomatenpluk

Vaak zullen zulke dagloners hun oogstarbeid alleen gezien hebben als een aanvulling op hun inkomen uit andere bronnen. Misschien was er naast hun loon nog het inkomen van andere gezinsleden, verkregen door huishoudelijke arbeid, kleinschalige productie van goederen voor de markt, het verbouwen of verhuren van eigen land, en dergelijke. Wanneer zulke extra inkomsten ontbraken was de toestand van de werkende armen ellendig.[ii] En ook zulke zogenaamde dagloners zijn al heel oud. Mozes had het er al over, Thomas van Aquino had het erover in de middeleeuwen, en Diderot had het erover in de late achttiende eeuw.

Onvrije arbeid

Voor de meeste mensen wereldwijd bestond er maar één alternatief voor de vogelvrije bezitloze dagloners: de gebonden (dat wil zeggen: onvrije) arbeid in dienst van een landheer of andere meester. Zulke gebonden arbeid bleef in Europa overheersend tot ongeveer een eeuw geleden. In China, India, of delen van Latijns Amerika bestond ze veel langer.
Onvrije arbeid

In Groot-Brittannië en het Britse Empire waren tot ver in de negentiende eeuw zogenaamde Master-and-Servant wetten van kracht die ongehoorzame werkkrachten met gevangenisstraf bedreigden. In Duitsland werd de gebondenheid van arbeid (de zogeheten Gesindeordnungen) bij wet na de Eerste Wereldoorlog afgeschaft – en vervolgens tijdens het Derde Rijk weer op grote schaal ingevoerd.

Standaardbetrekking

Eerst in de twintigste eeuw, en eigenlijk pas na de Tweede Wereldoorlog, kreeg een groot deel van de werknemers de mogelijkheid om zich “in vrijheid te binden”: men kon ongestraft een werkgever verlaten, zonder in de armoede van het losse-arbeidersbestaan te vervallen. Voor het eerst beschikte nu een groot deel van de niet-zelfstandig werkenden een zogenaamde standaardbetrekking. Kenmerken daarvan zijn:

  • continue en stabiele werkgelegenheid,
  • een voltijdse baan bij één werkgever,
  • een loon of salaris dat toereikend is om een klein gezin met een partner zonder eigen inkomen en een kind te onderhouden,
  • wettelijk vastgelegde rechten op bescherming en medezeggenschap, en 
  • sociale zekerheid op basis van het aantal gewerkte jaren en het eerder verdiende inkomen.

De Standaardbetrekking werd gewoonlijk gendered geďnterpreteerd en ging gepaard met de bredere verspreiding van het mannelijke kostwinnersmodel.
Decennia lang zijn ondernemers, vakbonden en beleidsmakers ervan uitgegaan, dat de standaardbetrekking alsmaar verder aan invloed zou winnen en dat alle andere arbeidsrelaties (losse arbeid in de havens, deelpacht en loonwerk in de landbouw, enz.) verder naar de achtergrond zouden worden gedrongen. Dat was een verkeerde veronderstelling, gebaseerd op een onhoudbare interpretatie van lange-termijn ontwikkelingen in de ondernemingsgewijze productie – die ik hier verder voor het gemak maar kapitalisme noem. De combinatie van standaardbetrekkingen, bijna volledige werkgelegenheid en hoge lonen werd vanaf de jaren ’70 geleidelijk ondermijnd. Dat had verschillende redenen. Een belangrijke oorzaak was de verzwakking van de vakbeweging.

Oorzaken verzwakking standaardbetrekking

Alleen in de landen waar de vakbonden ook betrokken zijn bij de uitkering van werkloosheidsgeld (België en Scandinavië)  is de situatie stabiel. Andere oorzaken voor de verzwakking van de standaardbetrekking zijn de opkomst van de Aziatische “tijgers” sedert de jaren zestig, later gevolgd door de opkomst van China, India en Brazilië; de ineenstorting van het ‘socialisme’ in Oost-Europa en elders; en de ‘globalisering’ van informatiestromen en economische processen. De zogenaamde “Nieuwe Internationale Arbeidsdeling” – die onder meer gepaard ging met de grootschalige verplaatsing van textielnijverheid en scheepsbouw naar economisch minder ontwikkelde landen – maakte definitief duidelijk, dat de standaardbetrekking in de zogenaamde Derde Wereld en zelfs in de Oost- en Zuidoost-Aziatische groei-economiën eerder uitzondering dan regel was – en dat industriële ontwikkeling dus helemaal niet tot standaardbanen hoeft te leiden.

Veranderende arbeidsmarkt

In Europa en Noord-Amerika is inmiddels een nieuwe structuur van arbeidsmarkten aan het ontstaan. Die ziet er heel schematisch als volgt uit:

  • De kerngroep van personeelsleden met een vaste aanstelling die van strategisch belang zijn voor de onderneming (door kennis, ervaring, netwerken). Deze mensen beschikken over goede promotiemogelijkheden, een goed pensioen, enz.
  • De periferie bestaat uit twee gedeelten:
    • de werknemers (vaak met voltijdsbanen) die tamelijk gemakkelijk vervangen kunnen worden: administratieve medewerk(st)ers, mensen van de technische hulpdienst, enz. Zij hebben een beperkt loopbaanperspectief. Hun aanstellingsduur is vaak tamelijk kort. 
    • De getalsmatig flexibele werknemers, zoals uitzendkrachten, oproepkrachten, werknemers met 0-urencontracten, seizoensarbeiders, of stagiaires.
  • Tenslotte zijn er zogenaamde buitenstaanders die al naar behoefte kunnen worden ingeschakeld: zzp’ers, onderaannemers, uitzendburo’s. Ook kan werk permanent ge-outsourced worden (b.v. bewaking, kantine, receptie, schoonmaak).

Binnen de kern lijken de mannen sterk in de meerderheid te zijn, terwijl in de periferie de vrouwen overwegen.

Flexibilisering en verstarring

Vanuit historisch perspectief horen “flexibilisering” en “verstarring” bij elkaar zoals de kip en het ei. Neem bijvoorbeeld de late middeleeuwen: in de Nederlandse steden werden de meeste ambachten beheerst door gilden die de concurrentie tussen de meesters in hetzelfde vak beperkten, de kwaliteit van geleverde producten controleerden, en de toegang tot de arbeidsmarkt regelden. Toen het aantal bezitloze boeren en andere paupers in de vijftiende eeuw in en om de steden groeide, werd voor stedelijke ondernemers de verleiding steeds groter om hun bedrijven naar het omliggende platteland te verplaatsen.
“Door dezen toevloed van armen werd het aanbod van arbeidskrachten in de nabijheid van de stad sterk vergroot en daar de levensstandaard op ’t platteland lager was dan in de stad, doordat geen accijnzen er de prijzen der gebruiksartikelen deden stijgen, was het loon hier aanmerkelijk lager dan in de stad.  Voor den poorter, die in de stad loonen moest geven, welke hem voorgeschreven werden door de stedelijke besturen en vrij hoog waren, was dit een gunstige gelegenheid om zijn bedrijf buiten de stad te laten uitoefenen. Hij kwam daar nog eerder toe, doordat hij op ’t platteland niet te maken had met de keuren betreffende qualiteit en quantiteit der goederen, omvang van het bedrijf en arbeidsduur, terwijl hij bovendien geen accijnzen behoefde te betalen. Zo verrezen er gaandeweg weverijen, brouwerijen en scheepstimmerijen om de stad en in de dorpen op het platteland.”[iii]
Weefgetouw

Als reactie op deze ontwikkeling die natuurlijk de stedelijke nijverheid bedreigde, vaardigde keizer Karel V in 1531 zijn Order op de Buitennering uit. Deze behelsde onder meer een verbod op de vestiging van weverijen, looierijen, metselarijen enz. buiten bepaalde steden. Desondanks groeide op den duur de nijverheid op het platteland. Zo klaagden Amersfoort en Naarden in de jaren dertig en veertig van de zeventiende eeuw over de toenemende concurrentie van lakenwevers in het dorp Hilversum.
“Meer algemeen waren de klachten over de toeneming van der weverij in de Generaliteitslanden, zoals te Tilburg en in de Meierij van ’s-Hertogenbosch, en vooral over die van enige buiten de grenzen der Republiek gelegen plaatsen als Verviers, Eupen, Aken en Weert. […] In 1647/8  hebben de drapiers [textielondernemers]  van een vrij groot aantal steden de hoofden bij elkaar gestoken en een uitvoerige ‘deductie’ ingediend bij de Staten Generaal. De adressanten betogen dat in de genoemde streken de produktiekosten veel geringer zijn, doordat daar zowel de arbeidslonen als de belastingen lager zijn dan in de steden der Republiek., waardoor een oneerlijke concurrentie is ontstaan. In het belang van ‘ons lieve vaderlandt’ verzoeken de adressanten de heffing van een uitvoerrecht op Spaanse, ‘Oosterse’ (Duitse) en inlandse wol van vijf gulden per honderd pond.”[iv]
Uiteindelijk kon de stedelijke nijverheid het niet winnen van de plattelandsnijverheid. Mede daardoor verloren de gilden in de achttiende eeuw steeds meer terrein, al zijn zij in ons land pas na 1800 echt verdwenen. Een zekere “starheid” (gilden) maakte zo, na veel conflicten, plaats voor meer “flexibiliteit” (plattelandsnijverheid, huisindustrie). Later zouden uit die nieuwe productievormen weer andere “starre” bedrijven ontstaan.

Institutionele aderverkalking

De Amerikaanse econoom Mancur Olson heeft in zijn boek The Rise and Decline of Nations uit 1982 geprobeerd dit proces te analyseren. Eén van Olsons ideeën is, dat er in de loop der tijd steeds weer op verdeling gerichte coalities ontstaan (van ondernemersgroepen, vakbonden of anderen) die zich keren tegen buitenlandse concurrentie en technologische vernieuwing. Deze coalities proberen de autoriteiten te beďnvloeden en slagen daar vaak in, zodat “institutionele aderverkalking” het gevolg is. Een externe schok kan dan vervolgens tot nieuwe flexibiliteit leiden: Duitsland en Japan zagen zich bijvoorbeeld door hun nederlaag in de Tweede Wereldoorlog genoodzaakt oude belangengroepen aan de kant te schuiven, waardoor zij na 1945 een snelle groei konden realiseren. In Groot-Brittannië daarentegen bleven de traditionele coalities oppermachtig, zodat de economische groei van het land vertraagde. Over de details van Olson’s analyse is veel discussie geweest, maar de grote lijn van het verhaal wordt door de meeste deskundigen op zijn minst stimulerend gevonden.

Golfbewegingen

Natuurlijk leidt de constatering dat dit soort golfbewegingen bestaat onmiddellijk tot de vraag: waarom komt er na “flexibilisering” altijd weer “verstarring”? Flexibele arbeidsverhoudingen zijn voor ondernemers aantrekkelijk omdat zij er de loonkosten mee kunnen verminderen en het aantal regels waaraan zij zich moeten houden kunnen beperken. Bovendien verschaffen zij werknemers onder sommige historische omstandigheden de mogelijkheid om privé-taken en arbeid te combineren, zoals bijvoorbeeld in de klassieke huisnijverheid, waarbij arme boerengezinnen in de wintertijd geld konden bijverdienen door textiel te weven. Waarom treedt dan echter na een tijdje weer een zekere “verstarring” op? Het antwoord luidt, dat “verstarring” behalve nadelen ook voordelen heeft. Historisch-statistisch onderzoek heeft aangetoond dat organisaties aan het principe van de traagheid zijn onderworpen. Zij blijken stelselmatig méér kans te hebben om verder voort te bestaan naarmate ze al ouder zijn. De waarschijnlijkheid dat Philips (opgericht in 1891) in 2020 nog bestaat is groter dan de kans dat Facebook (opgericht in 2004) er dan nog is – al vormen statistische verbanden natuurlijk geen zekerheden!
Jonge organisaties zijn kwetsbaarder dan oudere. Deze zogenaamde liability of newness heeft vier redenen. 

  1. In jonge organisaties – en vooral in jonge organisaties van een nieuw type – moeten nieuwe rollen worden geleerd. In oudere organisaties kunnen ervaren collega’s hun opvolg(st)ers inwijden in de nodige technieken en vaardigheden, en ook in de manier waarop besluiten worden genomen en uitgevoerd, conflicten worden bijgelegd of uitgevochten, enz. Jonge organisaties zijn genoodzaakt vaardigheden uit andere organisaties te introduceren, en veel meer aan “zelf leren” te doen.
  2. Het uitvinden van nieuwe rollen en rolverdelingen, het vastleggen van onderlinge relaties, en het creëren van sancties en beloningen kost veel tijd, zorgen, conflicten en tijdelijke inefficiency.
  3. De medewerkers van jonge organisaties zijn aanvankelijk vreemden voor elkaar, zodat het onderling vertrouwen nog zwak ontwikkeld is.
  4. Oudere organisaties onderhouden stabielere banden met hun clientčle en leveranciers dan jonge organisaties, waardoor het voor jonge organisaties moeilijker is een stabiele basis te vinden.

De liability of newness geldt vooral voor organisaties die niet ouder zijn dan een jaar of vijftien. Daarna lijken zij een soort evenwicht te bereiken en gaan zij op hun oudere concurrenten lijken. Routinematig opererende organisaties zijn in de ogen van buitenstaanders over het algemeen betrouwbaarder dan organisaties die voortdurend aan het veranderen en experimenteren zijn. Ook geven medewerkers van organisaties er gewoonlijk de voorkeur aan in een structuur te werken met duidelijke besluiten, regels en verantwoordelijkheden die eenduidige uitkomsten opleveren.
Flexibilisering is, tegen deze achtergrond, vermoedelijk altijd kortstondig. Binnen hoogstens enkele decennia treedt weer verstarring op die na enige tijd – zodra de binnen- en buitenlandse concurrentie het ondernemingsprofijt in de knel brengen – weer aanleiding zal geven tot een nieuwe roep om flexibilisering.

Baan- en werkzekerheid

Ter afsluiting nog één opmerking: ook binnen de “kern” van relatief veilige werknemers kan flexibilisering catastrofale gevolgen hebben. Enkele jaren geleden berichtte de Wall Street Journal het volgende: 
“Een 32 jaar oude werkneemster van het voormalige staatsbedrijf France Télécom overleed nadat zij vrijdag uit het raam van de vierde verdieping van haar Parijse kantoor was gesprongen. Dit zei Christine Pernot, een woordvoerdster van SUD-PTT, één van de vakbonden die de werknemers van France Télécom vertegenwoordigen. Met dit sterfgeval komt het aantal zelfdodingen onder France Télécom van de laatste 18 maanden op 23.
Protesten tegen flexibilisering bij France Telecom
France Télécom telt in Frankrijk 100.000 personeelsleden, en het aantal zelfdodingen is lager dan het nationale gemiddelde. […] Toch was de jongste zelfdoding groot nieuws in Frankrijk en is France Télécom erdoor in het defensief gedrongen – vooral ook omdat enkele dagen eerder een arbeider zichzelf in de maag had gestoken tijdens een personeelsvergadering. Op maandag trachtte een 53-jarige werkneemster haar leven te beëindigen met een overdosis barbituraten, aldus een zegspersoon van France Télécom. Al deze drie employés hadden korte tijd eerder vernomen dat hun banen zouden veranderen.”
De achtergrond van deze crisis, die korte tijd later zou leiden tot herbezetting van het topmanagement van France Télécom, was een vanaf 2006 op gang gekomen omvangrijke reorganisatie van het bedrijf, die niet alleen het ontslag van een tiende van het personeel tot gevolg had, maar ook de “flexibilisering” van een groot deel van de overige werknemers. Zo moesten velen die eerder bij de technische dienst werkten nu in call centers hun brood verdienen en abonnementen op mobiele telefoons verkopen. Een vertegenwoordiger van de vakbond CFTC wees er op dat deze veranderingen bij een deel van het personeel tot grote stress hadden geleid. “De gemiddelde leeftijd bij het bedrijf is 47 en veel medewerkers beschikken niet over de noodzakelijke kennis en vaardigheden om in call centers te werken, zei hij”, nog steeds volgens de Wall Street Journal.[v]
Het geval van France Télécom laat zien, dat de overgang van een oud systeem van arbeidsverhoudingen naar een nieuw grote sociale gevolgen kan hebben, in het bijzonder wanneer zo’n overgang gepaard gaat met een verlies van zekerheid voor een aanzienlijk deel van de werknemers. Ook bij eerdere overgangen van “starre” naar “flexibele” ondernemingsstructuren waren de sociale kosten hoog.

Marcel van der Linden
Maart 2016

Geraadpleegde literatuur

1. Deze bijdrage is gebaseerd op zelf-plagiaat. Ik heb stukken overgenomen uit “HNW en de flexibilisering van arbeidsrelaties: twee historische observaties en een vermaning”, in:  Arjen Verhoeff  en Geert de Bruin (red.), Ontwerpers in arbeidsverhoudingen (Den Haag: ANWV, 2012), pp. 105-114, en uit “San Precario en de ondergang van de vaste baan”, Brood en Rozen [Gent], 2014/4, pp. 4-17.
2. Uit de Griekse oudheid weten we hoe laag in aanzien landloze arbeiders (enkelvoud: thčs; meervoud: thčtes) stonden die voor allerlei los werk konden worden ingehuurd. Omdat ze nergens bij hoorden (niet waren opgenomen in een oikos, dat wil zeggen in een hiërarchische sociale eenheid met onderlinge plichten en een zekere mate van solidariteit), was hun status nog lager dan die van huisslaven. Toen, volgens Homeros, Odysseus en Achilles elkaar ontmoetten in de onderwereld, zei Achilles:

“Tracht mij de dood toch niet goed te praten, doorluchte Odysseus! / ‘k Zou nog liever een ander als thčs dienen, / iemand, die zelf geen akkers bezit, die maar amper kan leven, / Dan over al de lijken der Doden regeren.” (Odyssea, boek XI, regel 488)

3. Eduard Chr. G. Brünner, De order op de buitennering van 1521. Bijdrage tot de kennis van de economische geschiedenis van het Graafschap Holland in den tijd van Karel V (Utrecht: A. Oosthoek, 1918), p. 117.
4. J.G. van Dillen, Van rijkdom en regenten. Handboek tot de economische en sociale geschiedenis van Nederland tijdens de Republiek (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1970), pp. 186-187.
5. Max Colchester, “France Télécom Addresses Suicides”, Wall Street Journal, 15 september 2009.