Het geheugen van de vakbeweging

Presentatie IISG-rapport Precaire polder op 12 april 2018 – vlnr het onderzoeksteam Rosa Kösters, Bob Scholte, Loran van Diepen, Moira van Dijk en Matthias van Rossum (projectleider), met microfoon moderator Sandra Rottenberg.

What’s up with flex?

Flex is niet van gisteren…

In Nederland heeft zich de afgelopen decennia een ingrijpende transformatie voltrokken, die nog niet voltooid is. Hierin kunnen vier sociaaleconomische processen worden onderscheiden: globalisering, precarisering, robotisering en veranderend werkgeverschap. Processen die de vakbeweging voor belangrijke en zeer specifieke uitdagingen stellen. De vakbeweging staat anno 2018 dan ook volop in de aandacht. Debatten over globalisering en meer recent over de wereldwijd groeiende sociale ongelijkheid, maken het belang van vakbonden meer dan ooit duidelijk.

Op 12 april presenteerde het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) het onderzoeksrapport Precaire Polder tijdens de bijeenkomst What’s up with flex? in De Balie in Amsterdam. Het rapport laat zien dat juist onderzoek naar de recente geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging mogelijkheden biedt om inzicht te krijgen in de effectiviteit van de gehanteerde werkwijzen van de FNV. Het geeft daarmee een voedingsbodem voor toekomstige (her)overwegingen. Het is een manier om een brug te slaan tussen de uitkomsten van historisch onderzoek en de huidige ontwikkelingen op de Nederlandse arbeidsmarkt.

Ontsluiting FNV-archieven

Het rapport is gebaseerd op een historisch vooronderzoek naar de recente geschiedenis van de (Nederlandse) vakbeweging, op basis van grotendeels nog niet ontsloten FNV-archieven. Het project was verkennend van aard en had een relatief kortlopende duur (een half jaar). Het was onderdeel van de samenwerking tussen FNV en IISG om het onderzoek naar de (historische) ontwikkeling van de vakbeweging in Nederland te bevorderen. Het was mogelijk dankzij subsidie van de FNV. Het IISG heeft dit onderzoek volledig onafhankelijk en zelfstandig uitgevoerd.

Het IISG wil niet alleen terugblikken op de praktijk en strategie van de FNV in het verleden, maar ook kijken naar wat dit betekent voor de toekomst van de arbeidsverhoudingen en vakbeweging in Nederland. Naar aanleiding van de presentatie van het verkennende onderzoeksrapport gingen deskundigen uit politiek, vakbeweging en wetenschap in debat.

Manifestatie Vrouwen Vooruit van de Dienstenbond over flexibele contracten, april 1986, Els Hoogerhuis (vierde van links)

Het eerste exemplaar van de Precaire Polder is aangeboden aan Els Hoogerhuis. Zij ondervond al aan het begin van de jaren ’80 de negatieve consequenties van de flexibilisering van de arbeid en kwam daartegen in verzet. Zij was een stuwende kracht achter de oprichting van de FNV Werkgroep Marflex (marginalisering en flexibilisering van de arbeid). In haar dankwoord zei Els Hoogerhuis: “Wat fantastisch dat het IISG historische verkenningen heeft gedaan naar de recente geschiedenis van de FNV en dat flexibilisering één van de thema’s is geworden. Ik ben zeer vereerd dat ik dit rapport mag aannemen, mede namens de toenmalige FNV-werkgoep Marflex, maar bovenal namens de flexwerkers die toen al het lef hadden hun verhaal te vertellen, met alle risico’s van dien. Hun verhalen over de onzekerheid wanneer ze konden werken en de manier waarop dat hun privé leven verstoorde. Bij de – toen nog –vaste telefoon zitten wachten hopend op werk. En bovenal de constante onzekerheid over hun inkomen en of ze hun vaste lasten konden betalen. Schrijnende verhalen die door je ziel snijden. Ik heb het als een groot voorrecht ervaren dat ik samen met andere vrouwen deze problematiek op de agenda heb kunnen zetten bij de FNV, werkgevers en politiek.”

80%-20%

“Even terug in de tijd. Daar ontkom je niet aan bij het IISG. In 1983 werkte ik bij het FNV- vrouwensecretariaat en trok ik vaak ‘s avonds door het land om met groepen vrouwen over hun situatie te praten. In Breda vertelden vrouwen dat er bij de Edah eerst 80% vast en 20% oproepkracht waren, maar dat in een jaar tijd die verhouding was omgekeerd. In diezelfde week hoorde ik nog twee vergelijkbare verhalen. Reden onze FNV jurist te vragen wat er juridisch geregeld was voor oproepkrachten. Het antwoord was ‘Niets’. Mijn intuïtie vertelde mij dat dit een groot probleem zou kunnen worden. De volgende stap was, inventariseren bij vrouwensecretarissen van de verschillende bonden. Toen ook zij voorbeelden uit hun sectoren kenden besloten we de werkgroep Marflex op te richten. Voluit: marginalisering en flexibilisering van arbeid. Met deze groep vrouwen hebben we feiten verzameld en plannen gemaakt het probleem aan te pakken. Te beginnen met de themadag Vrouwenarbeid in de marge, in 1984. Daar kwamen 120 vrouwen op af, winkelpersoneel, champignonpluksters, onderwijzers, verzorgenden uit verpleeghuizen.”

Oubollig en statisch

“Zij vormden een brede waaier van beroepen, afkomstig uit allerlei sectoren. Hun wensen werden omgezet in concrete voorstellen en in de vorm van de brochure Flexibele arbeid onder de maat breed verspreid. Om nog meer vrouwen te betrekken organiseerden we het project Vrouwen knokken voor kwaliteitscontacten, in alle regio’s en bonden. Ook binnen de FNV zelf ging het niet zonder slag of stoot. Onze activiteiten leverden veel publiciteit op, vrijwel alle kranten berichten erover, zo ook het NOS-journaal. Het was zaak het daarna op de agenda te houden en zowel op de CAO-tafels als in de wetgeving resultaten te boeken.

Wat het bereiken van resultaten niet makkelijk maakte, is dat werkgevers er bijzonder goed in geslaagd zijn flexwerk te framen als aantrekkelijk en modern. En vast werk als oubollig en statisch: niets voor creatieve flexibele mensen. En dat willen we toch allemaal zijn! Nou laat mij u vertellen: dat is nepnieuws avant la lettre.”

Trap er niet in

“Werkgevers beweren dat het door de flexwet komt dat ze mensen op straat moeten zetten. Tot op de dag van vandaag leeft dat denkbeeld. Blijf zelf nadenken. Trap er niet in! Werkgevers proberen daarmee te verhullen dat ze structureel werk op een koopje willen laten uitvoeren en hun ondernemingsrisico afwentelen op de maatschappij. Liever mensen een paar maanden de WW insturen, dan ze een vast contract aanbieden. Op kosten van de belastingbetaler.

Een groot deel van de huidige flexwerkers kampt met dermate veel onzekerheid dat ze daadwerkelijk in de knoop komen, financieel, emotioneel en zelfs qua gezondheid. Flexwerk regeert hun leven. Flexwerkers moeten soms 60 uur in drie kleine baantjes werken voor een minimaal inkomen. En stellen belangrijke keuzes m.b.t. wonen, kinderen en hun passies in het leven, uit. En zoals altijd komen juist kwetsbare groepen in de samenleving in de kwalijke vormen van flexwerk terecht. Kortom, de kern van het vraagstuk was en is de onzekerheid. Ik hoop dat in de discussie zo meteen consequent de hamvraag wordt gesteld: levert dit idee daadwerkelijk een bijdrage aan het inperken van deze onzekerheid en het aanpakken van de uitwassen. Een mooie uitdaging voor de dagvoorzitter? Over alle resultaten die de afgelopen decennia binnen en buiten de FNV zijn geboekt valt nog uren te vertellen. Hopelijk is het IISG in de gelegenheid een vervolgonderzoek op te zetten. Het is uiterst waardevol om met behulp van jullie inzichten lessen uit de geschiedenis te vertalen naar de toekomst. Nogmaals mijn dank voor het onderzoek Precaire Polder.”

 

Een digitale versie van het rapport is hier te downloaden