Het geheugen van de vakbeweging

Ferrie Spit (1922-2018)

Een leven lang in de internationale christelijke vakbeweging

Als schooljongen in de Amsterdamse Watergraafsmeer wil Ferrie Spit (1922) priester-missionaris worden. Het komt er niet van. Maar als hij terugblikt op veertig jaar werken binnen de internationale christelijke vakbeweging stelt hij vast dat hij niet ver van zijn jeugdideaal verwijderd is gebleven. Vooral de twee langjarige periodes in Tanzania (1961 – 1964) en Zimbabwe (1983-1987) komen daar dicht bij in de buurt. Op 1 september 2018 is hij in Antwerpen overleden.

Ferrie Spit, 'missionaris' van christelijke vakbewegingFerrie Spit, ‘missionaris’ van christelijke vakbeweging

Priester-missionaris

Ferrie Spit is in 1922 in Den Haag geboren in het gezin van vakbondsman Ferdinand Spit. Twee jaar later wordt zijn onlangs overleden broer Wim, die de laatste NKV-voorzitter zal worden, geboren. Vader Ferdinand, afkomstig uit Twente, is in Den Haag actief in St. Eloy, de katholieke metaalbewerkersbond en in de R.K.Volksbond. Later wordt hij vrijgesteld bestuurder binnen de Katholieke Bond van Overheidspersoneel (KABO). Die aanstelling brengt hem naar Amsterdam.
Vader Ferdinand komt met veel verhalen thuis en ontvangt met enige regelmaat vakbondskaderleden en bestuurders. Ferrie en broer Wim volgen de verhalen met grote interesse en raken daardoor geďnspireerd. Ferrie gaat na de lagere school, dan 13 jaar oud, naar het kleinseminarie van de paters Franciscanen in Katwijk, zijn roeping van priester-missionaris volgend.
Maar de oorlog brengt daar verandering in. Nog voor het bombardement op Rotterdam plaatsvindt, keert hij eigener beweging terug naar Amsterdam en gaat bij de St. Joseph Gezellen op de Stadhouderskade de Mulo doen. In één jaar tijd haalt hij zowel het A- als het B-diploma. Daarna gaat hij in de psychiatrische zorg werken. Eerst in ’s Heerenberg, later – om tewerkstelling in Duitsland te ontlopen – bij de St. Josephstichting in Apeldoorn.

Verpleger

Spit: “Verplegers waren aangesloten bij de KABO, zo kwam ik in de bond van mijn vader terecht”. In die tijd studeert hij veel en verhuist samen met de patiënten naar de Stichting van de Broeders Penitenten in Boekel. Van daaruit pakt hij het ideaal van priester-missionaris weer op om dan onmiddellijk na de oorlog in 1946 bij de Witte Paters in St.Charles in Boxtel met de filosofie zijn priesterstudies aan te vangen.
In 1944 verblijft hij vanwege de oorlogsomstandigheden in Heino bij Zwolle en komt hij via zijn broer Arie (1920), die voor de Canadese inlichtingendienst werkt, in contact met het verzet. Hij ontvangt informatie over de positie van de bezetter en brengt die over de IJssel naar het reeds bevrijde deel van het land.
In Heino beleeft priesterstudent Spit de bevrijding. Op 12 april 1945 gaan hij en vele anderen bij de komst van het Engels- Canadese leger enthousiast naar buiten, maar het is nog te vroeg. De strijd is niet voorbij. De Engelsen en de Canadezen trekken zich terug en de Duitsers keren terug. Ze nemen 60 man, onder wie Spit, gevangen en voeren ze af naar Zwolle. Daar moeten ze loopgraven maken. De bezetters zijn nog vastbesloten zich te verdedigen.

Gebedsgroep

Op enig moment wordt de groep gijzelaars voor een vuurpeloton geplaatst. Er dreigt iemand te worden geëxecuteerd om een voorbeeld te stellen. Een oude man wordt aangewezen. Spit verheft zijn stem. “Dat kan niet, die man heeft een gezin”. De executie gaat niet door. Enkele weken later, wanneer de bevrijding eindelijk definitief is aangebroken, wil Spit met deze groep een gezamenlijke gebedsgroep organiseren. Dat stuit op bezwaren van de pastoor van Heino. Tot de gijzelaars behoren immers ook niet-katholieken. Desondanks zet Spit zijn wil door en houdt de gebedsgroep.
Spit nu: “Nog steeds vraag ik me af of dit incident mogelijk de oorzaak was van mijn verwijdering later van het grootseminarie in ’s Heerenberg. Na de bevrijding zette ik de studie bij de Witte Paters in Boxtel voort totdat daar twee jaar later na het noviciaat en twee jaar theologie abrupt een eind aan kwam. Van de ene op andere dag kreeg ik te horen dat ik naar huis moest. Uitleg kreeg ik niet, ondanks mijn aandringen. Ik moest het aanvaarden. Zou een overtreding van de gehoorzaamheid een rol kunnen hebben gespeeld?”

Eerste stappen in de vakbeweging

In 1948 gaat Spit naar de bestuurderscursus in het A.C. de Bruijn-instituut in Doorn, waar broer Wim twee jaar eerder is geweest. In zijn groep ontmoet hij onder anderen de latere vakbondscollega’s Toon Riemen en Frans van Bakel, die lid zouden worden van het Verbondsbestuur van het NKV.
Na de opleiding wordt Spit gerekruteerd door St. Eloy, de bond waar zijn vader de eerste stappen in de vakbeweging heeft gezet. Hij wordt nationaal bestuurder, verantwoordelijk voor scholing en vorming. De bond heeft cao-afspraken gemaakt over de begeleiding van jongere metaalbewerkers, leden van de bond, waaraan hij in jaarlijks terugkerende seminars invulling gaat geven. Tegelijk wordt hij belast met de internationale betrekkingen van de bond, die begin jaren vijftig nog niet veel meer om het lijf hebben dan ‘vriendschapsrelaties’. Zijn grote talenkennis, opgedaan bij de Witte Paters waar de voertaal Engels was, maken hem daar in de ogen van het bondsbestuur uitermate geschikt voor.
De vriendschapsrelaties van de Europese christelijke metaalbewerkers en mijnwerkersorganisaties worden verdiept als zij gezamenlijk een ‘verbindingsbureau’ oprichten dat hun vertegenwoordiging verzekert bij de in 1951 opgerichte Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Vertegenwoordiging van de christelijke organisaties wordt ook op die manier verzekerd bij de Industriecommissies binnen de Internationale Arbeids Organisatie (IAO) te Genčve en de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (ECOSOC) te Parijs. Spit: “Daar becommentarieerden we conventies over onder meer het minimumloon, arbeidstijden en arbeidsomstandigheden. Daar werkte ik veel samen met de socialistische collega’s”.

Uitzending naar Afrika

In die periode wordt Spit gevraagd voorzitter te worden van het comité Wereldwijd, een initiatief van de KAJ (Katholieke Arbeiders Jeugd, Kajotters) om ontwikkelingsprojecten in de Derde Wereld te ondersteunen. Jonge Nederlandse vrijwilligers worden geworven om enkele jaren op een missiepost samen met lokale jongeren projecten uit te voeren.
Op een congres in 1961, waar hij jongeren voor uitzending wil motiveren, ontmoet hij August Vanistendael, algemeen secretaris van het Internationaal Christelijk Vakverbond (ICV). Die nodigt hem uit naar het net onafhankelijk geworden Tanganjika (vanaf 1964 Tanzania) te gaan om daar in Mwanza aan het Social Training Centre (STC) cursussen arbeidsverhoudingen te verzorgen voor Afrikaanse sociaalverantwoordelijken die in de diocesen uit zeven verschillende Afrikaanse landen afkomstig zijn.
Spit, die dan een jaar of tien nationaal bestuurder bij St.Eloy is, aanvaardt de geboden internationale missie en vertrekt met zijn gezin naar Tanzania. Het trainingscentrum dat in Mwanza is ingericht staat onder leiding van de Witte Paters en dat brengt hem dus weer met hen in contact. Samen met Beppie van Hattum, met wie hij in 1955 is getrouwd, gaat hij werken aan de promotie van een christelijke arbeidersbeweging in Afrika zoals van Vanistendael die op het oog heeft.
Eerst spijkert hij in Oxford zijn Engels bij en volgt hij voor een maand of drie in Claver-house van de Jezuďeten, cursussen christelijke sociale leer zoals omschreven in de encyclieken Rerum Novarum en Quadragesimo Anno. Daarna draagt hij zijn kennis en ervaring over aan tal van studenten van wie menigeen later zijn sporen in de vakbeweging in het eigen land effectief verdient,  zij het dat sommigen  niet overeenkomstig de eigenlijke bedoelingen dat deden in de socialistische vakbeweging.
Spit: “Het is ons steeds gegaan om een maatschappelijke ordening in christelijke zin. Die op basis van christelijk solidariteit, naast maatschappelijke zaken als de politieke partij, de sociale verzekering, culturele en anderen organen zoals de christelijke vak- en arbeidersbeweging, haar geëigende bijdrage zou leveren.”

Europese vakinternationale

In 1965 zoeken de bonden van katholieke en christelijke metaalbewerkers een algemeen secretaris voor de op te richten vakinternationale. Spit blijkt ondanks zijn langjarig verblijf in Afrika niet uit het oog verloren. Hij wordt kandidaat gesteld en zonder problemen op het congres in Milaan gekozen. Het gezin verhuist naar België waar de Europese vakinternationale een bescheiden onderkomen heeft. Het gezin wordt daar niet veel later met de komst van een vijfde kind verblijd.
Spit: “De vakinternationale is onderdeel van het ICV, maar heeft niet zo’n grote financiële armslag. Bovendien moet al snel onderkend worden dat buiten Europa het industriële arbeidersbestand niet bestaat uit duidelijk herkenbare beroepsgroepen. Het merendeel van de arbeiders werkt in de landbouw en doet er af en toe iets naast. Gedegen beroepsscholing via ontwikkelingsprojecten moet geleidelijk aan in de behoefte aan geschoolde arbeidskrachten gaan voorzien.”
Spit reist de hele wereld over, is soms maanden van huis. Hij organiseert scholings- en vormingsseminars en tracht opvattingen en inzichten voor maatschappelijke ordening in christelijke zin bij te brengen. Maar de opbouw van vakorganisaties voor metaalarbeiders komt slechts schoorvoetend van de grond.

Kennis en ervaringsoverdracht

Spit: “Het internationale solidariteitsfonds van het ICV geeft me de mogelijkheid om breder actief te zijn. Om ook inzichten bij te brengen over gezonde arbeidsverhoudingen, de eerbied voor de arbeid en ieders rechten als arbeider. Dat heeft mij tot het inzicht en de overtuiging gebracht dat de eerste en meest effectieve opgave voor de internationale arbeidersbeweging nog steeds ligt in kennis en ervaringsoverdracht, in scholing en vorming. En dat de concrete belangenbehartiging en de vorming van de vereiste en aangepaste structuren een opgave is voor de mensen zelf en in de praktijk van het leven en in de actie moet worden verworven.”
Spit is van 1966 tot 1982 een centrale figuur in de internationale christelijke vakbeweging. Naast algemeen secretaris van de Internationale Christelijke Metaalbewerkersbonden, is hij algemeen secretaris van de Conferentie van vakinternationales, penningmeester van het dagelijks bestuur en medebestuurder van het Wereldsolidariteitsfonds.

Wereldverbond van de Arbeid

In al die functies speelt hij een belangrijke rol bij de omvorming in 1968 van het ICV naar Wereldverbond van de Arbeid (WVA). Aanleiding daarvoor is de onderkenning dat er ook confessionele organisaties zijn op een andere dan christelijke grondslag. Het WVA kan zo uitgroeien tot een organisatie van 144 vakverbonden uit 116 landen met in totaal 26 miljoen leden. Daaronder ook organisaties in Latijns-Amerika.
Een van de charismatische leiders daar is Emilio Maspero, algemeen secretaris van CLAT. Hij doet zijn werk met inzet en enthousiasme. Hij brengt echter het WVA in problemen door fondsen die door de Europese Commissie ter beschikking zijn gesteld te gebruiken voor tal van sociale projecten en voor de opbouw van oppositionele structuren in de tijd dat kolonels in Chili en generaals in Argentinië aan de macht zijn. Ook verzet CLAT zich tegen de overheersende invloed van de Verenigde Staten. En daar is de EU niet zo van gediend.
Een andere vermaarde vakbondsleider met wie Spit in zijn WVA-tijd te maken heeft is Luiz Inácio da Silva, beter bekend als Lula, de latere president van Brazilië. Spit: “Hij kwam bij ons in Brussel en nodigde me uit naar Brazilië te komen. Om de vakbeweging daar te leren staken. Dat was niet mijn idee. Staken is voor mij het laatste middel en naar omstandigheden een noodzakelijk vereiste. Ik ben overigens wel naar Brazilië gegaan.”
Spit heeft zich altijd verzet tegen het idee van vakbeweging als politiek instrument, zoals sommige vakbondsbestuurders in de Derde Wereld dat zagen. “De vakbeweging doet aan groepsbelangenbehartiging maar uiteraard binnen het kader van het algemeen belang. Dat is voor mij ook de kern van de sociale leer, waarbinnen het individu met zijn rechten en plichten tegenover de gemeenschap centraal staat.”

Confessionele grondslag niet verlaten

Als vanaf 1976 de katholieke en sociaaldemocratische bonden in Nederland mede onder leiding van broer Wim de FNV gaan vormen, trekken de katholieke bonden zich uit hun internationales terug, wat een zodanige financiële aderlating betekent dat ze niet langer zelfstandig kunnen blijven en ook het fusiepad op gaan met de socialistische bonden.
Spit kan adjunct-secretaris worden van de internationale metaalfederatie die bij het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen (IVVV) is aangesloten. Hij past daarvoor. De confessionele grondslag op basis waarvan hij altijd zijn werk heeft gedaan, wil hij niet verlaten. Spit: “De identiteit van de christelijke internationale vakbeweging vond ik van grote waarde, die ging nu verloren. Dat betreurde ik zeer. Heb daar met Wim nooit over gediscussieerd.”

Laatste opdracht: Zimbabwe

In 1983 ziet het ernaar uit dat Ferrie Spit met pensioen gaat. Maar dan blijkt dat het ICV en het WVA de opbouw van zijn pensioen niet zo goed hebben geregeld. Zijn ‘eigen’ internationale zet dan met een hooggewaardeerde financiële inspanning van de Europese aangesloten organisaties de zaken recht. De regeling omvat wel een vierjarige uitzending naar Silveira House in Shishawasha nabij de hoofdstad Harare in Zimbabwe waar hij eerder met succes en toewijding namens de Christelijke vakinternationale het scholings- en vormingswerk van Afrikaans kaderpersoneel ter hand heeft genomen. Silveira House is een sociaal trainingscentrum vergelijkbaar met het STC in Mwanza.
Ook de Industriebond FNV, waarin zijn oude werkgever St. Eloy is opgegaan, maakt zich er sterk voor dat Spit met zijn laatste opdracht in Harare voldoende pensioen kan opbouwen om in 1988 definitief ‘op rust’ te gaan. Opnieuw pakt Spit met zijn vrouw Beppie zijn boeltje op om binnen Silveira House invulling te geven aan zijn passie: scholing en vorming van vakbondskaderleden in een zelfstandige Afrikaanse vakbeweging.
Tijdens zijn werk daar maakt hij zich ook sterk voor de herbouw van de melaatsenkolonie in Mutemwa in het noorden van Zimbabwe, ter vervanging van een mensonterend kamp. Spit: “De opening werd verricht door Robert Mugabe. Hij wist dat ik kort erna naar België terug zou gaan. “You will leave now, but you will come back”. Toen was Mugabe, die bij de Jezuïeten in Zuid-Afrika is opgeleid, nog niet de dictator die hij later is geworden. Beppie heeft met zijn vrouw in de slums van Harare tal van sociale projecten gedaan. Eigenlijk heeft van de Afrikaanse leiders alleen Julius Nyerere van Tanzania, ooit onderwijzer, zijn idealen behouden. Bijna alle anderen hebben zich tot dictator ontwikkeld”.
Heeft het allemaal zin gehad? Ferrie Spit heeft moeite met die vraag. Zoekt in zijn appartement in de serviceflat Den Blijk in het Belgische Overijse naar een antwoord. “It is a matter of the Lord”, antwoordt hij uiteindelijk in het Engels. “Ik vraag er niet naar. Wat hebben missionarissen gedaan? Wat doen onderwijzers? Scholing en vorming, kennis overdragen, dat was mijn werk, met als uiteindelijk doel mezelf overbodig te maken.”
Jeroen Sprenger
September 2013

Geraadpleegde literatuur
Jos van Meeuwen, Ferdinand Spit, vakbondsman, ziekenfondsbestuurder en politicus op: Onvoltooid verleden, website voor de geschiedenis van sociale bewegingen, 2013
P.G.F. Spit, Spitten in het verleden, mensen van elders, grondstof voor een roman, Breda 1988