Het geheugen van de vakbeweging

Ferdinand Spit, vakbondsman, ziekenfondsbestuurder en politicus

“Als ik niet katholiek was opgevoed, dan zou ik communist geweest zijn”

Ferdinand Spit had het waarschijnlijk wel een goede grap gevonden dat de naar hem genoemde straat in Amsterdam-West omringd is door straten, die de namen dragen van socialistische kopstukken als Domela Nieuwenhuis, H. Gerhard, Oudegeest, Van de Tempel, Boekman en Vorrink. Hoewel katholiek in hart en nieren, pleitte hij al voor regeringssamenwerking met de socialisten, toen dat in katholieke kring nog absoluut niet bon ton was en de bisschoppen zich openlijk tegen verklaarden.

Ferdinand SpitFerdinand Spit

Dat was in de eerste helft van de jaren twintig, toen de Nederlandse arbeiders gebukt gingen onder het aanpassingsbeleid van de christelijke coalitieregeringen onder leiding van de katholieke edelman Ruijs de Beeerenbrouck. Het toeval (?) wil, dat Ferdinants zoon Wim, die in zijn vakbondssporen trad, als laatste voorzitter van het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV) nauw betrokken was bij de fusie met het socialistische Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Hij was aan de zijde van Wim Kok de eerste vice-voorzitter van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV). Ferdinants zoon Frans zette zijn politiek werk voort. Hij was tot de laatste gemeenteraadsverkiezingen lid van de Amsterdamse gemeenteraad voor het Christen Democratisch Appčl (CDA), de partij waarin de Katholieke Volkspartij (KVP) is opgegaan. Met hen had ik een gesprek over hun vader. Verder heb ik voor dit biografisch portret van Ferdinant Spit rijkelijk geput uit Spitten in het verleden (Oosterhout 1988), een gezinsgeschiedenis samengesteld door zijn zoon Pieter Spit.

Twentse wortels

“Het gezin was overtuigd Rooms Katholiek. Het ritme van het dagelijks leven werd bepaald door de regelmaat van de arbeid, maar meer nog door de dagelijkse gebeden. Alle gebeurtenissen werden gekleurd door godsdienstige beleving en plechtigheden waarin de mensen rust én ontspanning vonden. Dit alles verleende zin aan het bestaan, was bindmiddel voor de parochiegemeenschap en uiting van diep geloof”

Ferdinand* Bernardus Gerhardus Wilhelmus Spit wordt op 6 januari 1892 geboren in het Twentse Almelo. Het is in de tijd dat de, voor een groot deel katholieke, textielarbeiders in beweging komen tegen hun slechte levens- en werkomstandigheden en de hardvochtige textielbaronnen. De bemiddelingspoging van Alphons Ariëns tijdens de uitsluiting van 4000 textielarbeiders in 1890 geldt als startpunt van de katholieke arbeidersbeweging. Later zal Ferdinant de sociale priester goed leren kennen.

Ferdinand is de zoon van Johannes Spit, geboren in Oldenzaal, die zich rond 1880 als kleermaker vestigt in Almelo. Van zijn moeder, Gertruid Perik uit Lonneker, is bekend dat zij de wantoestand van jonge kinderarbeid aan den lijve heeft ondervonden, nooit naar school is geweest en dus geen lezen en schrijven heeft geleerd. Ferdinand heeft twee oudere zussen en een jongere broer. Als Ferrie nog geen acht is, verliest hij zijn vader door een treinongeluk. Zijn moeder voorziet in het levensonderhoud van het vaderloze gezin door naai- en verstelwerk, terwijl ook zijn zusjes hun steentje bijdragen. Ferdinand zelf verdient een paar lossen centen met het doen van boodschappen. Na de lagere school gaat hij werken bij een fietsenmaker. ‘s Avonds volgt hij de Burgerschool. Ferdinand zal zijn Twentse familiebanden zijn hele leven blijven onderhouden.

Delftse jaren

Op achttienjarige leeftijd besluit Ferdinand huis en haard te verlaten om rond te gaan trekken. Zijn omzwervingen brengen hem via Duitsland, Luxemburg en België (Antwerpen) naar Delft, waar hij in 1911 werk vindt als metaaldraaier bij Pletterij Nederhorst. Hij vindt onderdak in het kosthuis van de familie Valk. De dochter des huizes, de diepgelovige Margaretha Maria, valt voor de charmes van de vrolijke, opgeruimde kostganger. In 1912, Greta is dan 21, treedt zij als ‘meisje voor dag en nacht’ in dienst van een Delftse notaris.

Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog wordt Ferdinand gemobiliseerd en wordt hij gelegerd in Rockanje. Hij doet dienst als persoonlijk chauffeur van een luitenant-kolonel, die hij rondrijdt op een motor met zijspan. In 1916 volgt zijn demobilisatie en keert hij terug naar Delft, waar hij zijn oude werk weer opneemt en zijn intrek neemt in zijn oude kosthuis. Op 23 mei 1917 treedt hij in het huwelijk met Greta. Het huwelijk wordt gezegend met elf kinderen, negen jongens en twee meisjes. Het eerste kind, zoon Jan, wordt in 1918 geboren in Delft aan de Brabantse Turfmarkt 1918. Het elfde kind, zoon Hennie, wordt geboren in 1934. Wim ziet het levenslicht in Den Haag in 1924. Het sinasappelkissie van Frans, van 1930, stond in de Amsterdamse Watergraafsmeer.

Vakbondsman

In Almelo sluit Ferdinand zich aan bij de Katholieke Metaalbewerkersbond ‘St. Eloy’. In Delft ontpopt hij zich als een actief vakbondslid en raakt hij betrokken bij het bestuurswerk. Daarbij maakt hij kennis met de Fransiscaan pater F.J.J. Vrijmoed, die zijn zeer gewaardeerd geestelijk vertrouwensman wordt. Deze draagt hem ook voor als er in 1918 een post vrij komt als vrijgesteld bestuurder bij de metaalbewerkersbond. Een functie, die hem op het lijf is geschreven: “Hij kan voortaan zijn eigen tijd indelen, prioriteiten stellen en zich vrijelijk bewegen zonder ‘bazen’, die hem op de vingers kijken. Belangrijker nog is het voor hem dat hij zich voor 100% in het werk kan storten waarvan het gewicht naar zijn diepste overtuiging niet makkelijk te overschatten valt”. Zijn benoeming brengt een verhuizing mee naar Den Haag. Naast zijn drukke werkzaamheden voor de metaalbewerkersbond vindt Ferdinand tijd om zich verdienstelijk te maken voor de plaatselijke R.K. Volksbond. Het economische hoogtij aan het einde van de eerste wereldoorlog slaat echter al snel om in een crisis. De organisatiehausse maakt plaats voor zwaar ledenverlies. Ferdinand wordt, als laatst aangestelde vrijgesteld vakbondsbestuurder, in 1922 het eerste slachtoffer van de noodzakelijke inkrimping. St. Eloy stelt hem ter compensatie financieel in staat om een winkel te beginnen aan huis in de Kritzingerstraat in religieuze artikelen, eenvoudige kantoor- en schoolbehoeften, wat boeken, kranten en pijpjes krijt. Een groot succes is de winkel, die voornamelijk wordt gedreven door Greta naast de zorg voor haar kinderen, niet. Ferdinand is nog steeds veel op stap voor de arbeidersbeweging. In het jaar van zijn ontslag als vakbondsgesalarieerde wordt hij gekozen tot (gedeeltelijk betaald) voorzitter van de Volksbond. Zijn grote maatschappelijke werkzaamheid bezorgt hem in 1928 al op uitzonderlijk jonge leeftijd de pauselijke onderscheiding Pro Ecclesia et Pontifice.

Arbeidersbeweging en politiek

Ferdinand is ook politiek actief. Van 1927 tot 1930 heeft hij zitting in de Haagse gemeenteraad. In 1947 wordt hij gekozen tot lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland. Den Haag is van oudsher een bolwerk van (katholiek) overheidspersoneel, dat extra getroffen wordt door het bezuinigingsbeleid van de christelijke coalitie. Ferdinand manifesteert zich als een lid van de ‘democratische’ richting binnen de katholieke partij, die vindt dat de conservatieve partijtop onvoldoende oog heeft voor de onvrede onder de katholieke arbeiders en de katholieke ambtenaren en werklieden in overheidsdienst en die aanstuurt op een socialer beleid, eventueel in samenwerking met de socialisten. Hij vindt het onaanvaardbaar, dat de arbeiders onevenredig zware offers moeten brengen. Hij is voorstander van publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, die de arbeiders de plaats moet geven in het productieproces, die hen krachtens hun functie toekomt. In 1921 verdedigt hij zijn geestverwant, plaatsgenoot en seceretaris van de Algemene Bond van R.K. Rijkskieskringorganisaties, jonkheer Everardus Wittert van Hoogland, tegen de aanvallen van de conservatieve bondsvoorzitter Antoine baron van Wijnbergen. “Een rijk, dat in zichzelve verdeeld is, zal te niet gaan”, waarschuwt hij in de Volkskrant voor de ondergang van de broze katholieke politieke eenheid. Zijn kritiek op het regeringsbeleid wordt door de leiders van de katholieke arbeidersbeweging, die voor de Algemene Bond zitting hebben in de Tweede Kamer niet in dank afgenomen. Volgens Cees Kuiper zouden zijn ‘boute en ondoordachte uitingen’ niet hebben misstaan in het socialistische dagblad Het Volk.

Begin 1923 is Ferdinand betrokken bij de oprichting van de Haagse politieke studieclub St. Michaël, die uitgroeit tot een landelijke katholiek-democratische oppositiebeweging onder de naam Verbond St. Michaël onder leiding van professor Johannes Veraart. Ferdinand is penningmeester van het hoofdbestuur. In 1925 is hij betrokken bij de vertrouwelijke besprekingen tussen St. Michaël en de Algemene Bond, die resulteren in de ‘Vrede van Utrecht’, waarin de basis wordt gelegd voor de reorganisatie van de Algemene Bond tot de R.K. Staatspartij in Nederland een jaar later. Ferdinand wordt door de Haagse R.K. Rijkskieskringorganisatie afgevaardigd naar de bij de reorganisatie ingestelde partijraad. De katholieke kandidaatsstelling voor de Tweede Kamerverkiezingen stelt hem en andere Michaëlisten uit de katholieke arbeidersbeweging, zoals de Hagenaar Leo Guit en Rotterdammer Willem Mooyman, voor een loyaliteitsconflict. Veraart heeft zijn zinnen gezet op een zogenaamde kwaliteitszetel ‘arbeid en arbeidszaken’, die volgens het R.K. Werkliedenverbond onder leiding van A.C. de Bruijn iemand uit de arbeidersbeweging toekomt. De arbeiders-Michaëlisten kiezen voor het arbeidersbelang. “Maar, ieder die in organisatorisch verband leeft en vooral wil blijven leven, kan zich niet de vrijheid veroorloven de banden, die iedere organisatie nu eenmaal legt, op een willekeurig ogenblik te verbreken”, rechtvaardigt Ferdinand zijn keuze.

Amsterdamse jaren

Kort na de botsing tussen Veraart en de katholieke arbeidersvoormannen wordt Ferdinand aangesteld als vrijgesteld bestuurder van de Nederlandse R.K. Bond van Overheidspersoneel `St. Paulus’ met standplaats Amsterdam. In 1932 wordt hij gekozen tot vice-voorzitter van de bond. De bezetting brengt ook voor de familie Spit veel angst, leed, gedwongen tewerkstelling, onderduiken en toenemende voedselschaarste met zich mee. Door de opheffing van het R.K. Werkliedenverbond in 1941 raakt Ferdinant zijn broodwinning kwijt. Het gezin is voor zijn onderhoud tijdelijk aangewezen op het Fonds voor Bijzondere Noden dat in het leven wordt geroepen door het episcopaat. Na korte tijd vindt hij betaald emplooi in het ziekenfondswezen, een functie die hem in de gelegenheid stelt om onopvallend door het hele land te reizen, de oude vakbondscontacten te onderhouden, zijn kinderen te bezoeken die ondergebracht zijn in Twente en voedsel mee te brengen naar huis.

Na de oorlog hervat Ferdinand zijn werkzaamheden voor de Katholieke Arbeidersbeweging (KAB). Hij wordt in 1945 bestuurslid van de Haarlemse Diocesane Bond der KAB. In 1949 fuseert St. Paulus met de Nederlandse Bond van R.K. Postpersoneel ‘St. Petrus’. Ferdinand wordt tweede voorzitter. In 1953 gaat hij als vakbondsbestuurder met pensioen. Hij blijft echter actief in het ziekenfondswezen. Hij wordt gekozen tot voorzitter van het Amsterdams Onderling Ziekenfonds ‘Door en Voor Werklieden (AOZ), een in 1877 opgericht niet-verzuild ziekenfonds voor werklieden van alle gezindten. Hij is lid van het dagelijks bestuur van de Centrale Bond van (onderling beheerde) Ziekenfondsen. Hij is voorzitter van de Amsterdamse Vereniging tot Bevordering der Tandheelkundige Verzorging van Ziekenfondsverzekerden. Hij is president-commissaris van Unie-optiek, een dochteronderneming van het AOZ, dat brillenwinkels opent in Amsterdam, Bussum en Leiden. Het streven naar eigen gezondheidsvoorzieningen brengt de onderling beheerde ziekenfondsen voortdurend in botsing met het medisch-farmaceutisch complex van huisartsen, tandartsen, specialisten, apothekers en opticiens.

In 1954 verhuizen Ferdinand, Greta en hun jongste zoon, die nog thuis woont, naar Amstelveen. Eind 1957 wordt Ferdinand ziek. Hij overlijdt op vrijdag 25 april 1958 in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. Hij wordt begraven op 29 april op het R.K. Kerkhof ‘Buitenveldert’ in aanwezigheid van familie, vrienden, kennissen en tal van bestuurders en vertegenwoordigers van de katholieke arbeidersbeweging en het ziekenfondswezen, waaronder oud-KAB-voorzitter A.C. de Bruijn, KAB-secretaris W.D. Lelieveld en KABO-voorzitter Weyters. Op zaterdag 24 februari 1962 onthult zijn weduwe het naamplaatje van de naar hem genoemde straat.

Epiloog

Ferdinand Spit was een man van humor, kameraadschappelijk, gezegend met een scherpe blik en een heldere kijk, als het moest dwars en slagvaardig. Hij was door en door katholiek, maar liet zich daardoor niet weerhouden als hij werd geconfronteerd met misstanden in eigen kring. Bijvoorbeeld als hij in de bres moest springen voor een zwaar onderbetaalde koster. Hij had niets op met het sterk ontwikkelde katholieke standsdenken. Tegelijk was hij trots op zijn arbeidersafkomst: “Als ze je vragen uit wat voor milieu je komt, zeg je maar arbeidersmilieu”, hield hij zijn kinderen voor. Thuis werd veel gepraat over maatschappelijke vraagstukken. Ontzag voor autoriteiten had hij niet. Hij schiep er genoegen in om hen weerkwerk te bieden. In het begin van de jaren vijftig werd hij een keer op het matje geroepen bij de Haarlemse bisschop J. Aengenent, omdat hij in het KABO-blad openlijk kritiek had geleverd op de kerkelijke overheid. Spit, besloot Aengenent het gesprek, begrijp nou goed: wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht. Ja, luidde het weerwoord van Ferdinantd maar wie zijn kont verbrandt, moet op de blaren zitten. Hij vond het ook een keer nodig om de onaantastbare A.C. de Bruijn, die de katholieke arbeidersbeweging bijna een halve eeuw leidde, aan te spreken op zijn bijna spreekwoordelijke ochtendhumeur. De Bruijn behandelde hem na het incident steeds met het grootste respect. Hoog van de toren blazen was niet zijn stijl. Toen hij in Amstelveen ging wonen, zei hij tegen de voorzitter van de plaatstelijke afdeling van de KVP dat hij beschikbaar was voor allerlei hand- en spandiensten. Een jaar later was hij voorzitter.
Jos van Meeuwen
*Zoon Piet Spit, auteur van ‘Spitten in het verleden, heeft bij publicatie van dit verhaal op de website ‘Onvoltooid Verleden’ gereageerd op de schrijfwijze van de voornaam van vader Ferdinand op het naambordje van zijn straat in Amsterdam Slotervaart:
“Geheel ten onrechte wordt de naam van mijn vader op het bord van de Ferdinant Spitstraat met een t geschreven. Mijn vader heet Ferdinand naar de H.Ferdinandus. De t is veroorzaakt door het feit dat tijdens de oorlog een of andere Amsterdamse ambtenaar bij het uitreiken van de persoonsbewijzen, mijn vaders naam met een t in het stadsregister schreef. Er bestaat nergens een persoon die ooit Ferdinant geheten heeft, kijk de historie er maar op na! Zowel op zijn doodsprentje als destijds op zijn grafsteen, alsook op zijn geboortebewijs staat Ferdinand!
De Amsterdamse Burgelijke stand is om een of andere duistere reden nooit bereid geweest deze fout die in de oorlog gemaakt gemaakt is te herstellen.
Evenmmin om na herbouw in Slotervaart de straatnaam correct naar mijn vader te vernoemen. Desgewenst kan ik de afschriften van geboortebewijzen etc. doen toekomen.”
Dit artikel is eerder gepubliceerd op de website Onvoltooid verleden