Het geheugen van de vakbeweging

Estella Pach – assistent-bestuurder van de Algemene Bond van Arbeiders en Arbeidsters in de textiel- en kledingbedrijven ‘De Eendracht’: bezoldigd vakbondsbestuurster, zei ze altijd trots.


Een moedige vakbondsvrouw

Estella Pach (1910-1992)

Dit is het verhaal van Estella Pach. Een vrouw, aan het begin van de oorlog in de bloei van haar leven. Een vrouw met een vakopleiding, een baan bij een vakbond, familie en vrienden en een geliefde. Een vrouw met idealen over hoe je de wereld beter zou kunnen maken. Zij hield zich staande in de chaos van de bezetting, de uitsluiting en vervolging. Haar verhaal is opgetekend door haar dochter Manja Pach (december 1945) en gepubliceerd in het recent verschenen boek Gezichten van Joods Verzet, een uitgave van de Nederlandse Kring voor Joodse Genealogie.

Bij de afscheidsbijeenkomst na haar overlijden in maart 1992 zei de vader van Manja Pach, Werner Stertzenbach: ‘Ik wil hier vertellen van een Stella Pach, die de meesten van U zo niet hebben gekend. Een Stella Pach, die moed bewezen heeft bij de hulp aan vervolgden door de Duitse bezetting, die actief de strijd tegen het fascisme heeft gesteund. [….] Verbonden met de Nederlandse illegaliteit heeft onze groep verzetswerk verricht, d.w.z. wij organiseerden voor onderduikers woningen, persoonsbewijzen, bonkaarten. Maar wij verzamelden ook informatie voor de illegale pers en hebben tenslotte een eigen illegaal blad uitgegeven. Bij deze werkzaamheden heeft Stella geholpen. Zij heeft haar illegale woning in de Vechtstraat ter beschikking gesteld en voor mij was de Vechtstraat tijdelijk ook een onderduikadres.’

Toen de oorlog voorbij was, bleef ze berooid achter: een groot deel van haar familieleden en van haar vrienden was omgebracht, de man met wie ze een intense relatie had, mijn vader, besloot terug te keren naar het land waaruit hij verdreven was. En… ze was zwanger.

Het schrijven over verzetsactiviteiten, over de illegaliteit, is per definitie schrijven over gebeurtenissen waarover zo min mogelijk werd vastgelegd. Het is een kwestie van combineren van flarden en snippers informatie met alle beperkingen van dien. Als kind hoorde ik delen van het verhaal zonder het geheel van feiten en emoties te kunnen overzien. Mijn moeder sprak wel over de oorlog, maar het meeste bleef toch ongezegd. Ik vroeg er ook niet naar. Het verhaal van mijn moeder is nooit beschreven door allerlei verschillende omstandigheden. Ik denk dat de tijd daar is dit nu wel te doen. Ik heb geprobeerd zoveel mogelijk gegevens boven tafel te krijgen, wat slechts ten dele is gelukt.(1) Het is mijn visie op dit stukje geschiedenis. Het leek mij van voldoende betekenis het op te tekenen.

Voor de oorlog

Estella werd in Amsterdam geboren op 10 januari 1910. Zij groeide op in een zeer idealistisch gezin, dat gelukkig met elkaar was.(2) Vader Levie was diamantbewerker en al vanaf 1898, hij was toen 14, lid van ‘de Bond’.(3) Moeder Fijtje, geboren in Londen, was als kind naar Nederland gekomen, omdat zij de Londense smog niet verdroeg. Zij was kostuumnaaister. Estella had twee broers, Samuel, Sam, geboren in 1907, en Alexander, Lex, in 1913. Stella, zoals zij meestal werd genoemd, ook wel Stel of Stelletje, kon goed leren, maar in haar rapport uit 1924 van de Vakschool voor Vrouwen- en Kinderkleding staat de aantekening: ‘moet zich ordelijker gedragen’. Ik heb de neiging te zeggen: dat zou wel een motto voor haar leven kunnen zijn!

Ze was bij een socialistisch kinderkoor en ze leerde zwemmen – activiteiten die zeker niet voor alle kinderen uit haar generatie vanzelfsprekend waren. Na het behalen van haar NA-akte(4) in 1932 ging Stella aan de slag als lerares. Het beeld dat ik van haar heb is, dat ze dat deed met veel inzet en enthousiasme, streng, maar wel rechtvaardig.

Daarnaast was Stella actief bij de Natuurvrienden. Eerder al had zij zich bezig gehouden met de wereldtaal Esperanto. In 1928 vond in Nederland een internationaal Esperantocongres plaats waaraan zij als 18-jarige deelnam. Daar ontmoette zij Werner Stertzenbach uit Essen – een ontmoeting die haar leven ingrijpend zou beïnvloeden. Zij correspondeerden een tijdje, natuurlijk in het Esperanto. Werner vluchtte in 1933 vanuit Duitsland naar Nederland. Als Joodse communist was hij al heel snel na de machtsovername door Hitler opgepakt. Toen hij na vijf maanden (5) werd vrijgelaten kreeg hij van vrienden het dringende advies uit Duitsland te verdwijnen en dat deed hij.(6) Na zijn aankomst in Amsterdam zocht hij weer contact met Stella. Hij vertelde mij dat hij in het gezin Pach vriendelijk en hartelijk werd ontvangen. In de jaren daarna waren er contacten, totdat Werner in 1937 als illegale vluchteling in de gevangenis in Rotterdam werd vastgezet.

In dat zelfde jaar verliet Stella het onderwijs: ze werd assistent- bestuurder van de bij het NVV aangesloten Algemene Bond van Arbeiders en Arbeidsters in de Textiel- en Kledingbedrijven ‘De Eendracht’: bezoldigd vakbondsbestuurster, zei ze altijd trots. Daarnaast gaf ze nog wel wat naailessen aan een avondcursus op de huishoudschool.

Op 8 januari 1940 werd zij door de gemeente Amsterdam voor drie jaar benoemd tot gedelegeerd lid van het bestuur van de Vereniging Vakschool tot Opleiding van Verkoopsters en Industrienaaisters. De installatie vond ondanks de bezetting plaats op 1 oktober 1940. Het lidmaatschap zal niet lang geduurd hebben, want in de herfst van 1940 maakte de bezetter een einde aan de deelname van Joden aan alle vormen van openbaar bestuur.

De oorlog – mei 1940 – zomer 1942

Net zoals voor de meeste Nederlanders veranderde er in de eerste maanden van de bezetting niet veel voor Stella, ondanks een groot aantal maatregelen dat genomen werd, met name ten aanzien van de Joden. Ik heb niet kunnen vinden dat zij de Ariërverklaring van 3 oktober 1940 zou hebben moeten tekenen, zij was toen geen ambtenaar meer. Het bordje: Joden niet gewenst in cafés raakte haar niet – alcohol en sigaretten waren in de kringen waarin zij verkeerde taboe. Zij bleef haar hele leven geheelonthouder. Of zij last had van het verbod naar het theater te gaan? Ik heb er niets over gevonden. Maar het zal haar ongetwijfeld duidelijk zijn geweest dat het leven in het bijzonder voor de Joodse Nederlanders er – zacht gezegd – niet makkelijker op werd. Stella werd in elk geval ‘begin van de oorlog’ ontslagen als assistent-vakbondsbestuurder. Dat blijkt uit de loonopgave die zij na de oorlog maakte voor de Buitengewone Pensioenraad.

Op 9 april 1941 meldt Stella zich bij de Joodse Raad zoals inmiddels verplicht was. Ik vond twee versies van het aanmeldingskaartje. Het eerste vermeldt: ‘vier Joodse grootouders’, met Davidster. Het tweede: ‘twee Joodse grootouder’s. Op de – valse – archiefkaart in het Stadsarchief Amsterdam (SAA) (7) vinden we de namen van vader Jacobus Pach en moeder Hendrika Volkers, beide vals. Later, op 5 november 1941, vraagt Stella, met diezelfde valse gegevens een Persoonsbewijs aan. (8) Was dit haar eerste verzetsdaad? In elk geval de eerste die gedocumenteerd is. Wie of welke organisatie haar daarbij geholpen heeft, het is – in elk geval mij – onbekend.

Werner Stertzenbach in Amsterdam, 1933

Werner was inmiddels via diverse omzwervingen in februari 1941 in het vluchtelingenkamp Westerbork (9) geïnterneerd. Vermoedelijk hoorde Stella hierover via Werners broer Herbert die in 1937 ook naar Nederland was gevlucht. Herbert was Werners oudere broer. Hij was ‘gemengd gehuwd’ en leefde met zijn vrouw Grete en hun beide zoontjes sinds 1938 in Amsterdam, in de Vechtstraat. Stella had veel contact met hem en met het gezin, ook later, na de oorlog. Herbert deed klusjes voor de Joodse Raad als schilder en had contact met Han Wegerif (10) en Etty Hillesum.(11)

Op 12 oktober 1941 schrijft Stella haar eerste brief aan Werner in Westerbork. Er zouden er in de daarop volgende twee jaar nog vele volgen. (12) Werner schrijft direct terug, hij is ontroerd en blij. ‘Mia kara Stella’, schrijft hij, in het Esperanto. In de eerste brieven waarschuwt hij Stella dat de brieven worden geopend, dat hij niet mag schrijven over de omstandigheden in het kamp. ‘Als je er over spreekt, doe dan of je het mondeling hebt gehoord en noem nooit een datum!’ Hij mag maar één maal per veertien dagen schrijven. Maar toen al zag hij kans in de eerstvolgende tien weken van 1941, negen brieven te versturen of mee te geven. Ook Stella kan brieven aan mensen meegeven.13 Verzetsmensen die contact hadden met de groep-Van Dien.(14)

De groep-Van Dien, de oorsprong van de naam is nooit opgehelderd, bestond uit Joodse vluchtelingen uit Duitsland en Polen, in hoofdzaak sociaaldemocraten en communisten. Zij kenden elkaar uit het Huis Oosteinde. Het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen had dit opvanghuis in 1937 geopend. De aanvankelijk los georganiseerde groep zorgde voor voedsel voor illegale vluchtelingen in samenwerking met Nederlandse vrienden. Na de Duitse inval werd de groep groter; belangrijk was het verzorgingswerk, daarnaast de verspreiding van illegale bladen. Na het begin van de deportaties kwamen daarbij de ontvluchtingen uit Westerbork, onderduikplaatsen, valse persoonsbewijzen. In september 1944 sloten zij zich aan bij de Vrije Groepen Amsterdam (VGA). Later ontstond uit deze verzetsgroep de Vereniging van Duitse en Staatloze Antifascisten (VDSA).

In die eerste maanden wisselen beiden van alles uit: over hoe hun leven zich ontwikkeld heeft in de jaren dat ze geen contact hadden, over de boeken die ze lezen. Stella schrijft dat ze ontslagen is, maar met naaiwerk toch wel wat kan verdienen. Ze geeft een cursus voor de Centrale voor Beroepsopleiding, georganiseerd door de Joodse Raad. Werner heeft in het Joodsch Weekblad gelezen dat die organisatie naaimachines zoekt. Stella schrijft dat ze ‘wel veeleisend is maar ook dat ze zich misschien volmaakt gelukkig voelt’. Werner waardeert de zelfstandigheid van Stella: ‘Jij bent een zelfstandig mens en je hebt het niet nodig een man te zoeken die je verzorgt. Je bent een kameraad waardig die op gelijke voet met je staat.’ (Brief van 15 november 1941). Ondanks alles wat hij heeft meegemaakt voelt hij zich ‘ongebroken, levenslustig en optimistisch’. Al snel schrijft hij dat hij zich verliefd voelt. Hoe de gevoelens van Stella zich ontwikkelen weet ik niet, maar op Tweede Kerstdag 1941 onderneemt Stella de reis naar Kamp Westerbork in Hooghalen, tot grote verrassing van Werner. Een hele onderneming! Op dat moment was er nog geen spoorlijn tussen Hooghalen en het kamp. Die werd pas in de herfst van 1942 in gebruik genomen. Vermoedelijk moest zij die vijf kilometer te voet afleggen. Ze had een slaapadres in Hooghalen. Ze kunnen elkaar maar kort zien, maar Werner is dolgelukkig.

De warme gevoelens zijn wederzijds en er bloeit voorzichtig iets moois tussen Werner en Stella. In de eerste helft van 1942 zien ze elkaar drie maal, Werner is van 24 februari tot 28 februari 1942 in Amsterdam met ‘diverse verplichtingen’(15) met Pasen en Pinksteren bezoekt Stella Werner in Westerbork.

Brief van Werner Stertzenbach aan Stella Pach van 26 oktober 1941

Al snel valt nu het woord ‘trouwen’. Er circuleren voortdurend geruchten over de toekomst van het kamp, over het lot van de Joden, over werkkampen in het Oosten. Werner zendt wisselende signalen: hij denkt heel lang dat zijn positie als oud-ingezetene16 hem – en Stella als zijn wettige echtgenote – bescherming zal bieden en verdere doorzending zal verhinderen. Anderzijds beschrijft hij de toestand in het kamp zodanig, dat het weinig aanlokkelijk lijkt daarheen te verhuizen. Stella is rechtlijnig: zij  voelt  niets voor een huwelijk en zij wil in Amsterdam blijven, zo lang mogelijk. Zij hecht sterk aan haar zelfstandigheid, wil haar beroep blijven uitoefenen. Verliefd wil ze niet zijn, schrijft ze… Werner klaagt dat ze erg zakelijk is en geen rekening houdt met zijn romantische gevoelens. Vader Levie Pach is inmiddels in februari 1942 geplaatst in een Joods werkkamp in Mantinge, (Midden-Drenthe) (17) maar is na drie maanden in april weer thuis.

In Amsterdam sluit het net zich verder rond de Joodse bevolking. Vanaf zomer 1941 worden Joodse leraren ontslagen op niet-Joodse scholen, Joodse leerlingen mogen alleen nog maar naar Joodse scholen.(18) Stella begint op 15 maart 1942 bij de Joodse Nijverheidsschool voor meisjes E.J. van Det, aan het Hortusplantsoen. Zij krijgt op 9 juli 1942 een onmisbaarheidsverklaring als lerares. Het verbod voor Joden om te fietsen weet Stella te omzeilen: zij krijgt op 28 augustus 1942 toestemming te blijven fietsen, omdat zij ‘haar rijwiel nodig heeft voor de uitoefening van haar beroep’ en omdat zij een ‘Jodin met beenafwijking’ zou zijn – duidelijk een valse opgave (19) – maar het werkte.

Zomer 1942

Opnieuw lukt het Werner nog eens naar Amsterdam te reizen. Hij ziet Stella in de tweede week van juli. De situatie in Westerbork is ingrijpend veranderd: Westerbork is Durchgangslager geworden. Hij zal ongetwijfeld met haar gesproken hebben over de aanbouw van nieuwe barakken. Vanaf half juli stromen de Nederlandse Joden er binnen om direct verder te worden gedeporteerd, naar het Oosten en dan? Ook Stella’s jongste broer Lex wordt met zijn vrouw Rosa Bino – ze zijn drie dagen voor hun deportatie getrouwd – op één van de eerste treinen naar Auschwitz gezet. Ze zullen niet meer terugkomen.

Trouwen of niet: het is een terugkerend thema in de vele brieven. In september 1942 zijn ze het eens: ondertrouw in Westerbork, maar Stella blijft zo lang als het mogelijk is in Amsterdam. Stella kan, via haar vader, aan trouwringen komen. Op 11 september schrijft Werner: ‘Je had het in je brief over een ring. Is dat wel nodig? In elk geval, als je iets belangrijks mee te geven of te vertellen hebt, dan kun je dat geven aan mr. Etty Hillesum, Gabriël Metsustraat 6. Etty is een goede bekende van mij, ze werkt hier bij de Joodse Raad en is met verlof. […] Zij kan je een en ander vertellen.’ (20)

In de maanden daarna volgt intensief briefverkeer. Stella stuurt veel pakjes met brood, bonbons, suiker, appelen, citroenen, worstjes, mayonaise, koffiesurrogaat, koek en koekjes, boter, honing, remouladesaus. Het is geen luxe: het eten was slecht en onvoldoende. (21) Werner stuurt haar bonnen terug en verzekert keer op keer dat ze ook goed voor zich zelf moet zorgen. Hij stuurt haar geld: het verscheurde geld dat hij in het riool heeft gevonden, weggegooid omdat de mensen het niet aan de Liro (22) wilden afgeven. Hij stuurt een aantal keren de verscheurde biljetten. (23) Ondanks alles volgt Stella zelf nog lessen: kookles, muziekles en een taal (ik vermoed Duits). Werner benijdt haar, zijn leven staat al tien jaar stil. Pas in maart 1943 zullen ze elkaar weer zien.

Eind november 1942 slaat zijn stemming om. Hij schrijft op 29 november 1942: ‘Je kunt het beste in A. blijven, hier is het niet zo goed. Jouw tegenwoordigheid zou mij helpen, maar je moet daar blijven.’ Een verzoek van Werner om verlof wordt afgewezen, hij vermoedt dat er geknoeid wordt. ‘Vriendjespolitiek’, schrijft hij.

Eerste helft 1943

Plaquette op de Joodse Nijverheidsschool voor meisjes E.J. van Det, aan het Hortusplantsoen in Amsterdam, waar Stella Pach tot september 1943 werkte

Het wordt steeds benauwder. Op 2 februari 1943 verschijnt een nieuwe oekaze: oud-kamp-ingezetenen die na 1 februari 1943 trouwen verliezen hun voorrechten. Op 10 februari 1943 schrijft Werner opnieuw dat hij hoopt dat Stella zo lang mogelijk in Amsterdam kan blijven, want als zij in Westerbork komt en door moet, wat moet hij dan doen? Mee of blijven? Op 16 maart 1943 komt Werner nog eens voor een kort bezoek naar Amsterdam. Als Stella niet wil verhuizen naar Westerbork, dan is trouwen niet mogelijk. Kennelijk overweegt Stella nu toch een verhuizing, want op 18 maart 1943 wordt haar, naar aanleiding van het verzoek van Werner, toestemming verleend naar Westerbork te gaan en te blijven; Werner schrijft dit op 21 maart aan Stella. Zij bereidt zich voor op een koude winter ergens in het Oosten: zij maakte een werkpak, een broek met jasje met heel veel zakken en zakjes, van lakense stof, gevoerd met een rubber laagje. Bij het opruimen van het huis na haar overlijden vonden we het nooit gebruikte pak.

Op 4 april laat Stella zich uitschrijven uit de Pieter van der Doesstraat naar … Arnhem, de Ernst Casimirlaan 32. Alles wijst er op dat dit een vals adres is; mogelijk is dit later zo ingevoerd, want Werner blijft naar de Pieter van der Doesstraat schrijven. De officiële oproep voor Westerbork van 23 mei is ook naar dat adres verzonden.

Ook in Amsterdam is de stemming veranderd. Wat Stella daar zelf van ziet en hoort is niet erg duidelijk. Uit de brieven van Werner blijkt dat er voortdurend over en weer vragen zijn naar het lot van vrienden en bekenden, verzoeken om boodschappen over te brengen, is die en die er nog, of is hij / zij al ‘door’? Werner klaagt af en toe dat hij niet al die mensen kan opsporen, het is een chaos in het kamp. Maar vaak lukt het hem wel. Wat er tussen de bedrijven door aan illegale acties wordt bedreven, daarover is natuurlijk in de brieven niets te vinden. Paaszondagmiddag 25 april schrijft Werner: ‘Ik heb een eigenaardige onrust in mij, ik weet niet waarom. […] Over mijn werk schrijf ik liever niet. Ik heb er de hele week mee te doen.’ Op 27 april vraagt hij: ‘Wil je naar Oosteinde 26 gaan en mijn vriend Notowitz (24) vertellen dat ik gezond ben en een levensteken van hem verwacht.’ (25)

Stella blijft aan de Van Detschool, totdat er onvoldoende leerlingen over zijn en zij, samen met directrice Suze de Vries, de school sluit. Niet lang daarna – 23 mei 1943 – ontvangt Stella de oproep zich te melden voor Westerbork. Hoewel zij kennelijk in eerste instantie overweegt te gaan – zij stuurt een telegram naar Werner en hij bereidt zich voor op haar komst – besluit ze toch onder te duiken. Werner is verdrietig en teleurgesteld, hij schrijft in de brief van 14 juni 1943 openlijk over zijn gevoelens.

Mei 1943 tot de Bevrijding

De ouders van Stella zijn eind mei (26) in Westerbork aangekomen. Op 2 juni zijn zij doorgestuurd naar Sobibor. Zij zullen niet terugkomen; hun vermoedelijke overlijdensdatum is 4 juni 1943. Op 22 juni zijn de oudste broer van Stella, Sam en zijn vrouw Rachel er aangekomen; zij worden op 13 juli doorgezonden en drie dagen later vermoord. (27) Werner schrijft op 13 juli 1943: ‘Alle stempels zijn ongeldig verklaard. Nu is de raad: Kom niet!’ (28) Stella is dan al ondergedoken.

Op 6 augustus 1943 wordt een vals Persoonsbewijs afgegeven in Arnhem A 48 /078437 (2e exemplaar). Hoe dat bij Stella terecht is gekomen…? Stella is in Amsterdam waar zij Werner medio augustus even ontmoet. Hij schrijft: ‘Wij zijn een paar uur gelukkig geweest. Groeten aan Mien en haar man. Ik hoop dat je nog van mijn vriend zult horen. Ik heb nog wat spullen van jou hier. Zal ik het aan iemand die naar A. komt meegeven? Werk aan jezelf.’ Duidelijk is dan dat zij niet vrijwillig naar Westerbork zal gaan.

In die periode besluit de groep rond Werner dat het moment daar is ook zelf het kamp te ontvluchten en het verzet buiten het kamp voort te zetten. (29) Op 15 september stuurt hij een paar paperassen, ‘maar maak je niet ongerust.’ Is er dan al een voornemen tot ontvluchten? In de nacht van 21 op 22 september 1943 vlucht Werner naar Amsterdam, waar hij tot de Bevrijding op diverse adressen in de onderduik (30) leeft en verdere verzetsactiviteiten in de groep Van Dien verricht, zoals het maken van Mededelingen, een illegaal blad. Daar werkt ook Stella aan mee.

De onderduik en het verzet

Zowel Stella als Werner waren dus vanaf mei respectievelijk september 1943 ondergedoken. De informatie over die periode is uit de aard der zaak lastig te verifiëren. Uit een brief van Stella aan Mien van der Star (31) van 4 april 1948 blijkt dat zij van mei 1943 tot Kerst 1943 bij het echtpaar Van der Star onderdook.(32) Kennelijk verbleef Werner daar zo nu en dan ook, soms ’s nachts, tot ongenoegen van de familie. In elk geval leidde het tot het vertrek van Stella. Zij vond enkele maanden onderdak bij de familie Snoek, op de Amsteldijk, die zij – voor zover ik weet – kende van de Natuurvrienden. Later verbleef ze bij een aangetrouwde nicht, die gemengd gehuwd was, in de Indische buurt.(33) In augustus 1944 deed zich een gelegenheid voor een gemeubileerde kamer te huren bij een Rijksduitse (34) die woonde in de Vechtstraat 53 hs. Dat was, zoals Stella schreef: ‘een pracht uitgangspunt voor onze illegale activiteit. Begin 1945 vertrok mijn Duitse huisgenote en huurde ik met mijn brutale gezicht de hele woning.’ (35)

Andere bronnen, zoals het rapport van de Stichting ’40-’45, noemen andere onderduikplekken in Den Haag, Dordrecht, Arnhem, vermoedelijk voor telkens een korte periode. Stella had in die steden vrienden vanuit de Natuurvrienden en vanuit haar werk als lerares. Uit de loonopgave aan de Buitengewone Pensioenraad die Stella in 1948 opstelde, blijkt dat zij van half 1943 tot het einde van de oorlog in verband met gedwongen illegaliteit – ‘duiken’ – uit hoofde van haar vakbewegingsfunctie ƒ 100,– per maand ontving. Van wie zij dat geld ontving, is helaas niet vermeld.

Gebruik maken van valse papieren, onderduiken, daden van verzet… Mijn moeder sprak er eigenlijk nooit in die termen over. Evenmin als over de ondersteuning van anderen die ondergedoken zaten, de zorg voor voedsel;  ze beschouwde het als een tamelijk vanzelfsprekende houding. Ze hielp bij het maken en verspreiden van illegale kranten, ze vertelde ook daar niets over.

Uit het verzetsrapport van de Stichting ’40-’45 haalde ik: ‘Van eind aug. 1943 heeft mej. Pach actief aan het verzet deelgenomen. Zij was aangesloten bij de groep “Van Dien”, een onderdeel van de organisatie “De Vrije Groepen Amsterdam” onder leiding … (onleesbaar gemaakt). Zij zorgde voor een aantal onderduikers en voorzag deze mensen van distributiebescheiden en valse persoonsbewijzen. Verder werd door haar het illegale blad van VDSA (36) gestencild.’

Anders dan mijn vader heeft ze nooit iets opgeschreven over haar oorlogservaringen en verzetsactiviteiten. We moeten het doen met wat ik in dit verhaal heb opgeschreven.

Na de oorlog

Werner Stertzenbach en Manja Pach tijdens de Etty Hillesum herdenking in 1993

Het leven na de oorlog viel Stella zwaar. Het gemis van haar directe familieleden en vele vrienden, die niet terugkeerden, was groot. En de terugkeer van Werner naar zijn Heimat, waar ‘hij een beter Duitsland wilde helpen opbouwen’, was pijnlijk. Kort na de Bevrijding bleek dat ze zwanger was. En hoewel ze altijd zei, dat ze bewust gekozen heeft voor het ongehuwde moederschap, viel het alleen opvoeden van een kind haar zwaarder dan zij had gedacht. Haar gezondheid liet het afweten, waardoor zij haar plan door het geven van naailessen in haar onderhoud te kunnen voorzien, niet kon realiseren. Dankzij de toekenning in 1948 van een buitengewoon verzetspensioen was het financiële probleem uiteindelijk het minste. Maar ze was een beschadigde ziel geworden. Niemand was in staat de schade die bezetting en vervolging hadden aangericht te herstellen.

De eigenschappen die haar het overleven tijdens bezetting en vervolging mogelijk maakten – haar lef, haar onverschrokkenheid, haar ondernemingslust, haar strijdlust – veranderden in de naoorlogse tijd in hun negatieve tegenpool: ze werd intolerant, boos op alles en iedereen. Ze hielp vaak mensen, vooral op het gebied van huisvesting, maar dat liep meestal uit op ruzie. Ze was bij voortduring in conflict met de mensen om haar heen, met instanties en eigenlijk met de hele wereld. Bij het opruimen van het huis na haar overlijden vonden we, naast het werkpak bestemd voor de Poolse winter, een hoeveelheid matzes, voldoende om een nieuwe hongerwinter door te komen!

Stella overleed op 17 maart 1992 in Amsterdam. Ze had haar lichaam ter beschikking gesteld aan de wetenschap. Wij begroeven haar in Driehuis- Westerveld.

Manja Pach

Dit verhaal is eerder gepubliceerd in Gezichten van Joods Verzet, uitgave van de Nederlandse Kring voor Joodse Genealogie, Amsterdam november 2020.

Zie ook:

Noten

  1. De gegevens van de Stichting ‘40-’45 zijn ondergebracht bij het Nationaal Archief en op het moment van het schrijven van dit stuk niet toegankelijk wegens digitalisering.
  2. Sociaal rapport, Stichting ’40-’45, 24-11- 1950 (in mijn bezit).
  3. De Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond (ANDB).
  4. Nijverheidsakte – daarmee was zij bevoegd tot het geven van onderwijs in ‘het vervaardigen van eenvoudige onder- en bovenkleding en huishoudgoed aan scholen voor lager nijverheidsonderwijs’.
  5. Brief van Werner aan Manja, 30 maart 1992 na het overlijden van Stella. Zie ook p. 344 ev.
  6. Meer over Werner: Beroep: gevangene, de lotgevallen van de Duitse Jood en communist Werner Stertzenbach in de jaren 1909 tot 1945, Sophie Molema, (2012,2017), De Duivelsberg.
  7. Stadsarchief Amsterdam, Archiefkaarten; in haar nalatenschap vond ik tenminste twee persoonsbewijzen: één met een J, en één zonder.
  8. SAA Archiefkaarten.
  9. Centraal Vluchtelingenkamp, ingericht voor Duitse Joden die het naziregime waren ontvlucht. Hoe hij daar terecht kwam is een verhaal apart, zie het boek genoemd in noot 6. Verder: diverse uitgaven van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork; Kamp van Hoop en Wanhoop, Willy Lindwer, uitgeverij Balans, 1990.
  10. Han Wegerif was de weduwnaar bij wie Etty Hillesum in 1937 in huis trok als ‘femme d‘honneur’. Zij kreeg een relatie met hem.
  11. Brief uit Westerbork van Etty Hillesum 29 november 1942, uit, De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941-1943, Amsterdam, 2002, Uitgeverij Balans, p. 613.
  12. Stella heeft de 140 brieven van Werner bewaard. Een selectie is te vinden in Rood en jood, Herinneringscentrum Kamp Westerbork, 2005, bezorgd door Sophie Molema, eindred. Dirk Mulder. Helaas zijn Stella’s brieven niet bewaard gebleven.
  13. Zowel Etty Hillesum als haar vriend Jopie Vleeschhouwer reisden vanaf medio 1942 diverse malen tussen Amsterdam en Westerbork. Bij die gelegenheden namen zij brieven en pakjes mee. Het is waarschijnlijk dat daar ook brieven van Werner en Stella bij waren. Werner had ook contact met Jopie Vleeschhouwer.
  14. Ben Braber, Zelfs als wij zullen verliezen, Joden in verzet en illegaliteit 1940-1945, Uitgeverij Balans, blz.88 e.v.
  15. Hij schrijft daar niets concreets over, maar er waren ongetwijfeld contacten met verzetsmensen in Amsterdam. Het was kennelijk in die periode mogelijk van en naar Westerbork te reizen (met verlof van de kampleiding, dat wel). Dat veranderde nadat het kamp op 1 juli 1942 doorgangskamp was geworden en onder Duitse leiding kwam. Maar ook daarna bleef op beperkte schaal reizen mogelijk.
  16. Zo werden de eerste bewoners van het kamp aangeduid. Het waren de voornamelijk Duitse Joden die door de Nederlandse regering vanaf 1939 in het Vluchtelingenkamp geïnterneerd waren. Zij ‘runden’ het kamp en vervulden soms cruciale functies. Soms leidde dat tot wrijving met de Nederlandse Joden.
  17. Over de Joodse werkkampen: zie www.kampwesterbork.nl.
  18. Vanaf de zomer van 1941 voltrok zich de scheiding van scholen. Van de nijverheidsscholen zijn geen exacte aantallen bijgehouden. Dienke Hondius, Absent, Amsterdam, 2001.
  19. Ik heb nooit iets van een beenafwijking gehoord.
  20. Rood en Jood, p. 51.
  21. Verslag van Ludwig Boll, 1944.
  22. Lippmann, Rosenthal & Co. of kortweg Liro, ook bekend als de ‘Duitse roofbank’ of ‘Nazibank’, werd tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog opgericht om Joods bezit systematisch te registreren en vervolgens te roven. Via deze bank plukten de nazi’s de Nederlandse Joden systematisch kaal alvorens ze te deporteren. Om de onteigening compleet te maken opende Lippmann- Rosenthal een filiaal in kamp Westerbork, waar onder dwang alles werd afgenomen wat men aan dierbaars op het lichaam had trachten te verstoppen, tot aan dure mantels en schoenen aan toe.
  23. ‘Dat geld stonk’, Passage naar vrijheid, Ben Braber, Amsterdam 1987.
  24. Nathan Notowicz,(1911-1968) één van de leiders in Huis Oosteinde en van de groep-Van Dien. Hij staat op de bekende foto van Cas Oorthuys luisterend naar illegale radio.
  25. In maart 1943 werd buiten het kamp- terrein een crematorium gebouwd voor de mensen die in het kamp overleden. Werner werkte daar.
  26. Brief van 29 mei 1943 van Werner: je ouders zijn reeds een paar dagen hier.
  27. Chel en Sam hadden een dochtertje: Ineke. Zij was op 27 november 1942 geboren; in januari 1943 is zij via ‘de crèche’ gered en in pleeggezin ondergedoken. Zij overleefde.
  28. Werner doelt op de stempels die recht gaven op uitstel van deportatie (Sperre).
  29. Ludwig Boll, verklaring in het verzets- rapport betreffende Theo Pinkowitz
  30. Onder andere bij Cas Oorthuys, Nieuwe Kerkstraat 155.
  31. Brief van 4 april 1948.
  32. Vermoedelijk op het adres Marco Polostraat 218 II.
  33. Soembawastraat 48 hs.
  34. Paula Brinkmann; vermoedelijk een contact van Herbert Stertzenbach, die op nummer 51 woonde.
  35. Op 2 maart 1945 liet Stella zich officiëel inschrijven op dit adres.
  36. Mededelingen van de Vereniging van Duitse en Staatloze Antifascisten.